donderdag 10 april 2014

Hogeschoolaantekening, Inhoudsopgave, Inleiding, Voorwoorden, Hoofdstukken I - XII en Aanhangsel

Aantekening van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschappen

Noot vooraf: Deze beschermingsparagraaf vormt de inhoud van artikel 8 van de 15 oorspronkelijk statuten genoemde principes van de Antroposofische Vereniging die Rudolf Steiner tijdens de Kerstbijeenkomst 1923/24 in Dornach, Zwitserland voorgelegd heeft aan de zo'n 800 uit alle werelddelen ter heroprichting van deze algemeen menselijke vereniging bijeengekomen leden en groepenvertegenwoordigers, en die na drie dagen discussie met kleine wijzigingen unaniem werden aangenomen. Van het uitgeefbeleid echter dat deze aantekening in alle manuscripten van de esoterische en vakkundige voordrachten van de destijds tegelijk naar buiten getreden Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschappen, het nieuwe onderzoeks- en onderwijscentrum van de Vereniging, moest worden afgedrukt werd al vrij gauw afgezien; hier in Nederland werd m.i. daar nooit gevolg aan gegeven. Bovendien zijn nog acht van de 15 statuten buiten werking gesteld of opgeheven.

Dit heeft mede ertoe geleid dat, n.a.v. het rond de eeuwenwisseling zich afspelende zog. vraagstuk van de rassen vanwege de geestelijke capitulatie van het bestuur van de Antroposofische Vereniging in Nederland jegens ongegronde aantijgingen van discriminatie en zelfs racisme aan het adres van Rudolf Steiner, dat de stichter van de antroposofie nu door grote delen van de bevolking in een ietwat kwaad daglicht wordt gesteld als zou er een smet aan hem kleven - dat in ieder geval is mijn trieste ervaring en ook die van verschillende collega's opgedaan uit contacten met de buitenwereld. De destijds in eigen beheer uitgegeven brochure "Geen sprake van... - Kritiek en commentaar op het interim-rapport van de commissie Antroposofie en het vraagstuk van de rassen" van Wim Veltman, Walter Heijder, Mees Meussen en schrijver dezes werd zowel door het bestuur van de Antroposofische Vereniging alsmede de pers en media volkomen genegeerd en kon dus het tij niet meer keren.

Om nu te voorkomen dat hetzelfde gebeurt met deze Anthroposofische beschouwingen van Valentin Tomberg, waarvan de vertaler van opvatting is dat deze in principe als manuscripten van de Vrije Hogeschool gelden en die dus de nodige voorkennis vereisen om er een gegrond oordeel over te vellen, is ervoor besloten om deze aantekening ook hier vooraf te plaatsen. Dit betekent echter niet dat men eventuele kritiek van onbevoegden gelaten over zich heen zal laten glijden, maar dat naar de buitenwereld toe aangetoond zal worden dat het de criticaster aan de nodige voorkennis ontbreekt. Indien deze voorkennis wel voorhanden is, zal uiteraard op vakkundige beoordelingen ingegaan kunnen worden.

Voor verder inzicht in de spirituele betekenis en de reikwijdte van deze Hogeschoolaantekening wordt verwezen naar het geesteswetenschappelijke onderzoek daaromtrent door Herbert Witzenmann (1905-1988), voormalig bestuurslid van de Algemene Antroposofische Vereniging en leider van de Secties voor Sociale wetenschappen en het Streven van de Jeugd aan het Goetheanum, Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschappen, met name "Handvest der menselijkheid - De principes van de Algemene Antroposofische Vereniging" en "Vormgeven of beheren - Rudolf Steiners sociale organica/ Een nieuw beschavingsprincipe".

Alle publicaties van de Vereniging zullen openbaar zijn, zoals dit ook bij andere openbare verenigingen het geval is.* Van deze openbaarheid zullen ook de publicaties van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap geen uitzondering vormen: toch behoudt de leiding van de school zich het recht voor, dat ze bij voorbaat de gegrondheid van elk oordeel over deze geschriften bestrijdt, dat niet op de scholing gefundeerd is waaruit ze zijn voortgekomen. Ze zal in dit opzicht aan geen enkel oordeel de rechtvaardigheid toekennen, die niet op passende voorstudies gefundeerd is, zoals dat immers ook in de erkende wetenschappelijke wereld gebruikelijk is. Daarom zullen de geschriften van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap de volgende aantekening dragen: “als manuscript voor de leden van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap, klas... gedrukt. Er wordt niemand voor die geschriften een competent oordeel toegestaan, die niet de door deze school geldend gemaakte voorkennis door haar of op een door haarzelf als synoniem erkende wijze, heeft verworven. Andere beoordelingen worden in zoverre afgewezen, dat de schrijvers van de betreffende geschriften zich met geen enkele discussie hierover inlaten”.




* Ook de voorwaarden waaronder men tot scholing komt, zijn algemeen toegankelijk gemaakt en zullen ook verder gepubliceerd worden.


* * *


Inhoudsopgave

Inleiding "Het Nieuwe Christendom" van Robert Jan Kelder

Voorwoord van Valentin Tomberg
Voorwoord van Dr. Elisabeth Vreede

I. Over het wezen van het Oude Testament
1.De drie voornaamste stromingen van het levendige occultisme
2. Het uitverkoren volk

II. De Jahweh-wezenheid. Haar betekenis in het wereldgebeuren en in de geschiedenis van de mensheid
1. Jahweh als kruisdrager
2. Het geheim van de Maan
3.De achtste sfeer
4. Jahweh in het Aardegebeuren
5. De Jahweh-kennis

III. Abraham, Isaac en Jakob
1. Het beleven van de triniteit
2.De Vadergedachte van Abraham en het Zoonoffer van Isaak

IV. De geestesoverwinning van Jakob
1. Het ontstaan van de leugen in de mens en in de kosmos
2. De Luciferische sfeer
3. De drievoudige geestesoverwinning van Jakob
4. Het wezen van de twaalf

V. Het kwaad in het wereldkarma aan de hand van de Bijbel 
1. De eigenaardigheid van de geestelijke kennis van Daniël
2.De drieheid van het kwaad in de wereld
3.Het karma van het kwaad in de wereld aan de hand van de profeet Daniël

VI. Geestelijke leiding in de Oudtestamentische geschiedenis
1. De geboorte van het geweten in de mensheid
2. Boeddha, Elia en Jezus

VII. Het karma van het Israëlische volk
1. De twee karmische hoofdstromingen van de geschiedenis van de mensheid
2. Jahweh en Baäl in het lot van Israël
3. De karmische missie van de Elias-wezenheid tijdens de Oudtestamentische geschiedenis

VIII. Mozes
1. Het wezen van de wijsheid van Mozes
2. Mozes' weg door de woestijn

IX. David en Salomo
1. Rechterschap en koningsdom
2. David
3. Salomo

X. De Babylonische gevangenschap en de wijsheid van Zarathoestra

XI. De Heilige Geest en de werkzaamheid van Sophia in de Oudtestamentische geschiedenis
1. De geschiedenis van de profeet Ezechiël
2. De wezenheid en werkzaamheid van Sophia in de Oudtestamentische geschiedenis
  
XII. Jezus van Nazareth
1. De afdaling van Christus en de Jezuswezenheid
2. De Jezuswezenheid en de onschuldige zusterziel van Adam
3. De Jezuswezenheid en de Nathanische Jezus
4.Jezus van Nazareth als kelk van Christus


Aanhangsel



* * *

Inleiding 
"Het Nieuwe Christendom -
Van geloofs- naar kennisgemeenschap"

Het Nieuwe Christendom is de titel die gekozen werd voor de aan Belle van Zuylen opgedragen reeks van 12 geplande voorlezingen van de hoofdstukken uit deze antroposofische beschouwingen van Valentin Tomberg, waarvan het eerste hoofdstuk "Over het wezen van het Oude Testament", voorafgegaan door een inleiding onder die titel door de vertaler, op zondagmiddag 6 april in de slotkapel van het slot Zuylen in Oud-Zuilen aan de Vecht vlakbij Utrecht ten gehore werd gebracht. Daarna volgden alle overige 11 werkvertalingen uit de hoofdstukken "Anthroposophische Betrachtungen über das Alte Testament", die hieronder nagelezen kunnen worden. (De aparte aankondigingen daarvoor zijn te lezen op de blog Het Nieuwe Christendom. Op 6 juli vond nog een extra voorlezing van het Aanhangsel plaats.)

Eerder die namiddag van 6 april werd eveneens in deze voormalige Hervormde Kerk de tentoonstelling "De Deugden - Op naar een nieuwe hoffelijkheid" met de verluchtingen van Jan de Kok voor de titelpagina en 12 maandmeditaties van Herbert Witzenmann uit diens levenswerk voor de adel van de geest "De Deugden - Jaargetijden van de ziel" als omlijsting voor de voorlezingen geopend die tussen 13 en 15 uur op de zondagmiddagen te bezichtigen was. 

Op de aankondiging voor deze reeks voorlezingen, die als poster in A-2 formaat met een kleurenfoto van Belle van Zuylen op de voordeur van de slotkapel was aangebracht, stond verder het volgende te lezen: 

"Het Land van Zuylen

Op de “beleefroute door het land van Zuylen” treft de wandelaar naast dit in 1654 door kasteelheer Adam van Lockhorst gebouwd kerkje een leestafel aan met de volgende bekentenis van de achttiende-eeuwse schrijfster en componiste Belle van Zuylen: “Beste wandelaar, dit kerkje was al meer dan 100 jaar oud toen ik op [slot] Zuylen woonde. Ik ben protestant opgevoed en hoopte christen te zijn. Mijn vraag aan God om mij religie te laten begrijpen is nooit beantwoord. Ik kwam altijd ziek van verveling of vol treurige twijfel de kerk uit. Het lukte mij niet om van een godsdienst te houden zolang deze een deel van Gods schepselen uitsloot van het beloofde geluk. Het kan toch nooit goed zijn dat de ene mens wordt gered omdat hij gelooft en de andere niet, omdat hij niet gelooft? – Het kerkje is niet meer hetzelfde als dat waarin ik ben gedoopt en getrouwd. Maar het is nog even klein en pittoresk.”

Van geloofs- naar kennisgemeenschap

Als een van de kritische geesten “avant la lettre” die hun religieuze behoeften niet (meer) door het hen aangeboden christendom konden bevredigen en aldus de kerk verlieten om elders hun zielenheil te zoeken, kan men ook Utrechts meest beroemde bewoner, Belle van Zuylen beschouwen. Zij zocht immers tevergeefs een nieuw soort christendom dat niet meer alleen op geloof, maar op inzicht en kennis was gebaseerd. 

Juist daaraan voldoen de bovengenoemde, oorspronkelijk in het Duits geschreven werken van de in 1900 in Sint Petersburg van Duits-Estlandse Lutherse ouders geboren en op vakantie in Majorca als katholiek in 1973 gestorven Valentin Tomberg. Van 1938 tot 1944 woonde en werkte deze stichter van het christelijk hermetisme ook in ons land (o.m. in Amsterdam) en hield hij in 1938 en 1939 in Rotterdam voordrachten  binnen de Antroposofische Vereniging in Nederland over "Innerlijke ontwikkeling en de christelijke Rozenkruisers-weg" en “De vier Christusoffers en het verschijnen van Christus in het etherische” die onlangs in een Nederlandse vertaling door de Uitgeverijen Achamoth en Nearchus zijn uitgegeven. 

Zoals al zijn antroposofische werken, borduren zijn diepzinnige beschouwingen over de Bijbel voort op datgene wat Rudolf Steiner (1861-1925) in zijn karmavoordrachten te Arnhem in 1924 als het Nieuwe Christendom heeft beschreven, een christendom dat een overgang wil maken van geloofs- naar kennisgemeenschap. Daarom zijn deze reeks voorlezingen uit het werk van Valentin Tomberg dan ook aan Belle van Zuylen opgedragen in een poging om vooralsnog haar vraag aan God te doen beantwoorden om religie, met name het christendom, niet slechts te mogen geloven, maar te kunnen begrijpen.

Willehalm Ridderorde van het Woord (i.o.)

Na de internationale tentoonstelling “De Deugden – Op naar een Nieuwe Hoffelijkheid” in het Amsterdamse Stadhuis verleden jaar [2013], is dit cultureel evenement het tweede initiatief waarmee de Willehalm Ridderorde van het Woord (i.o.), , in de openbaarheid treedt. Deze civiele Orde, die zich in dienst van Het Nieuwe Christendom wil stellen, is, net zoals de door koning Willem I in 1815 opgerichte Militaire Willemsorde, genoemd naar de persoon van de negende-eeuwse stichter van het oorspronkelijke Oranjehuis in Zuid-Frankrijk, de Frankische Willem van Oranje. Deze was een paladijn van Karel de Grote en beschermheer van het Keltische christendom, die in 1066 door paus Alexander II tot schutspatroon van de ridders werd verklaard. Over zijn roemrijke daden heeft de Duitse middeleeuwse dichter Wolfram van Eschenbach zijn beroemde epos “Willehalm” geschreven. 

Volgens het door het Willehalm Instituut in 2013 uitgegeven onderzoeksverslag  “Willem van Oranje, Parzival en de Graal – Wolfram von Eschenbach als historicus” van Werner Greub heeft deze Willem van Oranje een leidinggevende rol gespeeld in zowel het ontstaan als in de mondelinge overlevering van het historische Graalverhaal van Parzival als ridder van het Woord in de 9de eeuw. Reden te meer om deze ridderorde van het Woord onder die naam als aanvulling op de bestaande Militaire Willemsorde van het Zwaard in het leven te roepen. Dat privilege is volgens de Nederlandse Grondwet enkel voorbehouden aan de grootmeester van de Willemsorde, namelijk onze huidige koning Willem-Alexander. Op 28 mei as., de dag dat de 1202ste sterfdag van Willem van Gellone zoals hij ook wordt genoemd, wordt herdacht, zal derhalve een petitie aan Zijne Majesteit worden ingediend om deze nieuwe ridderorde van het Woord in te stellen. Deze petitie staat sinds verleden jaar op internet (www.petities.nl) en kan worden ondertekend. 

Update: deze petitie (deel 1) is intussen op 28 mei jl. na een korte herdenking aan de voet van het ruiterstandbeeld van Willem van Orarnje voor het paleis Noordeinde ingediend aan koning Willem-Alexander met bijlagen en boeken. De ontvangst ervan werd bevestigd door een brief van het Kabinet van de koing, maar de petitie werd eind 2016 afgewezen door een brief van de Kanselarij van de Nederlands Orde met de onderbouwing dat er voor een dergelijke nieuwe riddersorde geen noodzakelijkheid bestond...

De tekst van de poster gaat als volgt verder:

“Een Nieuwe Economische Orde” en “De Jezusmysteriën”

Verdere evenementen in het teken van Het Nieuwe Christendom die dit jaar zullen plaatsvinden zijn de boekpresentaties van  “Een nieuwe economische orde – Rudolf Steiners sociale organica” van Herbert Witzenmann en “De Jezusmysteriën – Rudolf Steiners evangeliënchronologie en de Christusprofetie van Zarathoestra” van Werner Greub."

Update: Hier eindigt de tekst van deze poster met het beeld van Belle van Zuylen. Intussen is sinds de indiening van de petitie aan de koning voor het instellen van een Willehalm Ridderorde van het Woord deze poster op de voordeur van de slotkapel vervangen door een andere onder de titel "Het Nieuwe Christendom - Ter herkerstening van de Lage Landen" met een afbeelding van Sint Willehalm (Saint Guilhelm) met een rol in zijn hand waarop de volgende tekst staat: 
"Comme ils seront joyeux Seugneur ceux que tu choisiras pour te choisir.” (Hoe gelukkig zullen diegenen zijn, Heer, die U gekozen heeft om U te dienen).

De hele tekst is hier te lezen.
Tevens is op 29 september 2014 in de Raadszaal van de Beurs van Berlage als een Michaëlsviering het boek "Een Nieuwe Economisch Orde" gepresenteerd.

In de inleiding op 6 april voorafgaand aan de voorlezing van het eerste hoofdstuk werd het bovenstaande aan de hand van drie citaten verduidelijkt. Het eerste citaat behelsde de alinea uit de genoemde karmavoordracht van Rudolf Steiner van 18 juli 1924 te Arnhem, waarin hij het nieuwe christendom, in samenhang met de werkzaamheid van de huidige tijdsgeest, de aartsengel Michaël, als de inhoud van de antroposofische beweging in de spirituele wereld aanduidde (Uit "Karma-onderzoek 3”, Zeist 1998, blz. 155):
“Alles wat hier in de fysiek-zintuiglijke wereld gebeurt, heeft zijn voorgeschiedenis in geestelijke werelden. Niets gebeurt hier in de stoffelijke wereld wat niet eerst op geestelijke wijze in de geestelijke wereld is voorbereid. En nu komt het belangrijke: wat in de twintigste eeuw hier op aarde plaatsvond als een samenstroming van een aantal mensen in de Antroposofische Vereniging, is in de eerste helft “van de negentiende eeuw voorbereid doordat de zielen van de mensen die in hun eigen incarnatie in grote getale samenstromen, in het geestelijke gebied verenigd waren, toen ze nog niet naar de fysiek-zintuiglijke wereld waren afgedaald. En in de geestelijke wereld is er toen door een aantal zielen gemeenschappelijk een soort cultus gehouden, een cultus die de bron was voor het verlangen dat opkwam in de zielen die nu geïncarneerd in de Antroposofische Vereniging samenkomen. En wie de opgave heeft om de zielen in hun lichamen te herkennen, die  herkent ze als zielen die met hem [d.w.z. deze cultus] hebben samengewerkt in de eerste helft van de negentiende eeuw, toen er in de bovenzinnelijke wereld machtige kosmische imaginaties zichtbaar werden, die voorstellen wat ik zou kunnen noemen: het nieuwe christendom. Daar waren toen – zoals nu hier in hun lichaam op aarde – zielen verenigd om voor zichzelf uit datgene wat ik kosmische substantie en kosmische krachten zou willen noemen, tot realiteit samen te voegen wat in machtige beelden kosmische betekenis had en wat het voorspel was van wat zich hier op aarde als leer, als antroposofische werkzaamheid moet voltrekken.[…] Maar alle zielen die in de eerste helft van de negentiende eeuw bij elkaar waren gekomen om voor te bereiden wat op aarde antroposofische beweging zou worden, al die zielen bereidden in feite voor wat ik steeds weer heb genoemd: de Michaëlstroming, die in de laatste derde deel van de negentiende eeuw is opgekomen en die de belangrijkste geestelijke inslag in de moderne ontwikkelingsstroom van de mensheid vormt. Michaëlstroming voor Michaël de weg bereiden voor zijn aards-hemelse werkzaamheid – dat was de taak van de zielen die toen bijeen waren.”
Dit nieuwe christendom heeft niet alleen inhoudelijk een groot aantal diepzinnige inzichten in het wezen van het christendom gebracht, maar is ook qua vorm een vooruitgang. Als men na Rudolf Steiner Valentin Tomberg een of zelfs dé christosoof van het nieuwe christendom kan beschouwen, zo kan men Herbert Witzenmann als haar filosoof zien (beiden bijna even bestreden, de eerstgenoemde zelfs verguisd, en nog lang niet op waarde geschat). Dit kan tenminste als hypothese, blijken uit het tweede citaat (uit de inleidingen van Herbert Witzenmann van zijn nog niet vertaalde boek "Het Christendom als mystiek feit en de mysteriën van de Oudheid" van Rudolf Steiner, blz. 129):
Wat in dit hoofdstuk [‘Over de Egyptische mysteriewijsheid”] beschreven wordt over de betekenis van de grote inwijding door de vorming van de gemeente en het ervaren van het geestelijke door de leden van de gemeente, is beschreven gezien vanuit die bijzondere historische situatie toen deze gemeenschapsvorming door de kracht van het geloof (niet van het kennen) werd voltrokken. Bestaat er een metamorfose, een voortzetting van dit gebeuren dat zich toentertijd door de kracht van het geloof voltrok, naar onze tijd toe waar de mensen uit kennisvermogens leven? Rudolf Steiner heeft zich in zijn werk de opgave gesteld en opgelost deze beleving, die voor de geloofsgemeente doorslaggevend was, voor de kennisgemeente te vernieuwen.”
In een later stadium van deze inleiding in constructie zullen verdere citaten uit het bovengenoemde werk van Herbert Witzenmann aangegeven worden die deze hypothese kunnen onderbouwen. 

Het laatste citaat over Rudolf Steiner en de inhoud van de antroposofische beweging is uit: “Okkulte Erkenntnisse über die Anthroposophische 'Bewegung'“ (Achamoth Verlag 2004, blz. 9/10) door de antroposofische occultist Willi Seiss, die tot zijn overlijden verleden jaar op hoge leeftijd het beheer van de nalatenschap van Valentin Tomberg uitoefende en verschillende van diens werken heeft uitgegeven en hem verdedigd heeft tegen opvattingen als zou hij (Tomberg) Rudolf Steiner en de antroposofie ontrouw geworden zijn.: 
„Nu wordt over de in de geestelijke wereld gestelde vraag naar de inhoud van de “beweging” aan degene die Rudolf Steiner was, om te beginnen het volgende gezegd: 
Dat is een moeilijke vraag die niet zo eenvoudig te beantwoorden is. Maar zoveel moge gezegd worden:  Michaël als aartsengel nam de taak op zich om de kennis van de komst op aarde van Christus voor te bereiden. Deze opgave moest aan Rudolf Steiner overgedragen worden, omdat hij als geestelijke opgaven ook die zou kunnen overnemen”(1 april 2003)”
Hierover bestaat een geestelijke mededeling van Tomberg uit september 1991 over de opgave van [Rudolf] Steiner. Er werd gezegd:
“Rudolf Steiner werd door de VADER gestuurd om drie ideeën naar de wereld te brengen:
1. De wederkomst van Christus tot begrip van de mensen te brengen. Daartoe moest hij de hele aarde-ontwikkeling en de verschillende aarde-lichamen en alles wat daartoe behoort leren.
2. Over de drie occultismen moest hij kennis overdragen, d.w.z. het eugenetisch-, het hygiënisch-of heil- en het mechanisch occultisme. Daartoe moest hij leren wat met de zeven cultuurperioden samenhangt.
3. Het derde was om over de [Maitreya] Bodhisattva van deze 20ste eeuw opheldering te brengen. Zoals de oudtestamentische cultuur van Abraham uitging, zo zal de reeds begonnen tijd van de cultuur van de Bodhisattva moeten uitgaan. Dan zal het eerst licht op aarde worden. Aldus luidde de opgave van Rudolf Steiner.” (Geciteerd uit “Chakra Werk, Brieven over occulte scholing – Een weg naar hogere kennis op de grondslag van de chakra-leer” van Willy Seiss gepubliceerd vanaf 1991 tot 1996 en alleen in Duits op bestelling bij de uitgever Achamoth Verlag verkrijgbaar.)
In  deze beschouwingen gaat het voornamelijk over de drie occultismen (in zijn overige antroposofische werken heeft Tomberg de andere twee ideeën uitvoerig behandeld, met name die over "De vier Christusoffers en wederkomst van Christus in het etherische", waarvan een Nederlandse vertaling is uitgekomen. Gericht als ze oorspronkelijk waren aan leden van de Antroposofische Vereniging, kon de schrijver de zeven cultuurperioden van het huidige na-Atlantische tijdperk in samenhang met de ontwikkeling van de driegeleding van de mens in lichaam, ziel en geest en zijn vier wezensdelen, te weten fysiek-, ether-, astraallichaam en Ik, bij zijn lezers als bekend veronderstellen. Waar dit hier niet het geval is, kunnen deze beschouwingen wellicht een aanleiding zijn om zich deze voorkennis eigen te maken door het lezen van een antroposofisch basisboek van Rudolf Steiner "De wetenschap van de geheimen der ziel". 

* * *

Voorwoord van Valentin Tomberg

Aan de leden van de Antroposofische Vereniging

De “Antroposofische beschouwingen over het Oude Testament” zullen het begin van een reeks verdere publicaties zijn waartoe zich de schrijver dezes verplicht voelt. De opgave van deze regelmatig te verschijnen publicaties is om aan de behoefte naar zuiver antroposofisch onderzoek tegemoet te komen die in brede kringen van de antroposofische Vereniging voorhanden is. De inhoud van deze “Beschouwingen” is noch door middel van intellectuele speculatie en het stellen van hypotheses noch door louter samenvatting van feitenmateriaal van de voordrachtscyclussen van Rudolf Steiner tot stand gekomen, maar door antroposofisch onderzoek.

De schrijver dezes is niet in staat om alle cyclussen, boeken en losse voordrachten van Rudolf Steiner te noemen waaraan hij heeft gewerkt om tot de resultaten te komen die in de “Beschouwingen” gepubliceerd worden; het is voldoende om eens voor allemaal  uit te spreken dat de auteur alles aan Rudolf Steiner te danken heeft wat hem tot kennis  is mogen worden. Alles wat hij te zeggen heeft, vindt zijn wortels in het levenswerk van Rudolf Steiner, zodat hij ook naar de nieuwe kennisbronnen waaruit hij heeft mogen putten, door Rudolf Steiner heen is geleid. Zoals de lucht die men ingeademd heeft, moeilijk te scheiden is van de lucht van de buitenwereld, vindt de schrijver het moeilijk om een grens te trekken tussen het door hem bewerkte en hetgeen door Rudolf Steiner meegedeeld is.

Kenners van de antroposofische literatuur zullen zelf het nieuwe van hetgeen reeds gegeven is onderscheiden kunnen; anderen zullen genoegen moeten nemen met de vraag naar de waarheid van de inhoud, afgezien van de vraag naar de oorsprong daarvan. Het is immers ook antroposofisch een zuivere opname van feiten en ideeën, indien men om te beginnen naar de waarheid daarvan vraagt, in plaats van de autoriteit van de persoon die ze overdraagt.

Er moet ook meteen van begin af aan gezegd worden dat de schrijver op generlei polemiek zal ingaan. Ook brieven met een polemische inhoud zullen onbeantwoord blijven. Hij heeft gewoon geen tijd daarvoor. Voor kritiek hoeft hij echter niet bang te zijn, want al het wezenlijke dat in de “Beschouwingen” ter publicatie komt, is reeds door een kritiek heengegaan die nu eenmaal de antroposofische kenniswijze met zich meebrengt.

Tenslotte moet de schrijver aan de Duitse lezers [van deze oorspronkelijke tekst] om welwillend begrip voor de taal van de Beschouwingen vragen. Hij is een buitenlander en zijn kennis van de Duitse taal is niet perfect. Maar hij heeft zich moeite getroost om zich zo zorgvuldig mogelijk uit te  drukken om tenminste duidelijkheid in de uitdrukkingswijze te bereiken.

Valentin  Tomberg    
Tallin, 4 november 1933

* * *

 Voorwoord van Dr. Elisabeth Vreede van de Engelse uitgave uit 1939

Noot vooraf van de vertaler: Dr. Vreede was naast Dr. Ita Wegman lid van het door Rudolf Steiner samengestelde oorspronkelijke bestuur van de tijdens de Kerstbijeenkomst 1923/24 in Dornach, Zwitserland heropgerichte Antroposofische Vereniging. Zij schrijft in dit voorwoord dat hopelijk ook de Engelse vertaling van de Beschouwingen over het Nieuwe Testament en de Openbaringen van Johannes zullen verschijnen, iets wat pas in 2006 in boekvorm onder de titel "Christ and Sophia - Anthroposophic Meditatons On the Old Testament, New Testament and Apocalypse" met als aanhangsel "The Four Sacrifices of Christ" in Amerika (door Steiner Books) is gebeurd. Interessant is ook dat zij van opvatting is dat Valentin Tomberg in zijn werk mogelijk verder gaat dan datgene wat Rudolf Steiner heeft gebracht. Alleen al het feit dat Elizabeth Vreede als naaste medewerkster van Rudolf Steiner dit voorwoord heeft geschreven, zou voldoende kunnen zijn om in te zien dat het verwijt dat Valentin Tomberg geen representant van de antroposofie zou zijn, zoals dat bv. recentelijk door Paul van Panhuys aan mij is gemaakt onder verwijzing naar het geschrift "Der Fall Tomberg" van Sergei Prokofieff, ja dat zelfs zijn werk schadelijk zou zijn voor de antroposofie, geen hout snijdt wat betreft deze antroposofische beschouwingen. Maar nu dat eindelijk dit werk zelf beschikbaar is, kunnen welwillende, onvooringenomen lezers zelf hierover een oordeel vellen.
Voor meer biografische informatie over Valentin Tomberg en zijn werk in het Engels zie hier. Zie ook de bijdrage van Harrie Salman in het boek "Pionieren der antroposofie" uitgegeven door Maurits in 't Veld.

Valentin Tombergs Beschouwingen over het Oude Testament, voornamelijk bedoeld voor leden van de Antroposofische Vereniging en andere lezers die voldoende bekend zijn met de moderne geesteswetenschap zoals gegeven in de basiswerken van Rudolf Steiner, zijn het begin van een omvattend werk. Ze zijn de eerste van een aantal vervolgpublicaties die de Estlandse schrijver heeft uitgegeven tijdens de laatste paar jaren, oorspronkelijk geschreven en gepubliceerd in het Duits. De twaalf beschouwingen over het Oude Testament, begonnen in het najaar van 1933, werden gevolgd door een andere reeks van twaalf over het Nieuwe Testament. In hun oorspronkelijke vorm waren deze werken al bekend en gewaardeerd door leerlingen in vele landen. Het is daarom zeer te verwelkomen dat de Antroposofische Vereniging in Groot Brittannië het plan heeft opgevat om ze breder beschikbaar te stellen door de uitgave van deze Engelse versie. De Antroposofische Beweging heeft vele waardevolle werken over wetenschappelijke, esthetische, sociale en pedagogische onderwerpen geproduceerd, en we mogen hopen dat deze “Antroposofische Beschouwingen”, die verheven gebieden van het ethische en religieuze leven binnentreedt, ook de nodige waardering zal oogsten.

Natuurlijk is het zo, en de schrijver heeft dat zelf duidelijk gemaakt, dat mededelingen zoals hier weergegeven de lezer niet vrijspreken van de verantwoordelijkheid om zijn vrij oordeel te vellen door ze onder de loep van het onafhankelijk denken en meditatie en ervaring te leggen, net zoals Rudolf Steiner dat ook van ons vroeg om te doen met zijn eigen geesteswetenschappelijk onderwijs.
Wij, die vaak Rudolf Steiners voordrachten hebben gehoord, en er een gewoonte van hebben gemaakt om dus te onderzoeken en testen wat hij gezegd heeft, werden geleidelijk zo van de intrinsieke waarheid van zijn mededelingen overtuigd dat we in staat waren om zijn verdere mededelingen met een open geest en hart, zonder schroom, te ontvangen. Zelfs wanneer de dingen die hij zei ons eerst zeer vreemd voorkwamen, wisten we uit ervaring dat de aanvankelijke vreemdheid in echt begrip en erkenning omgevormd zou worden. Dus ondanks alle beperkingen van zijn toehoorders en leerlingen, hing er altijd een sfeer van vertrouwen en zekerheid om Rudolf Steiner heen waarin spirituele waarheden rijpen en goed tot uitdrukking kunnen komen.

Voor deze “Antroposofische Beschouwingen” moet een dergelijke atmosfeer natuurlijk eerst worden geschapen en dit kan alleen geleidelijk gebeuren door onbevangen studie en onderzoek, en tegelijkertijd door overhaaste oordelen en voorbarige conclusies achterwege te laten. Lezers zouden er goed aan doen om het methodische principe toe te passen dat we ook van Rudolf Steiner hebben geleerd: dat de waarheden van het occultisme elkaar ondersteunen, want alleen op die manier kunnen occulte uitspraken “bewezen” worden. Het feit dat deze beschouwingen – waarop de schrijver in zijn voorwoord van de oorspronkelijke editie uit 1933 heeft gewezen – gebaseerd zijn op de antroposofie van Rudolf Steiner, zal het voor de lezer makkelijker maken om, vanuit de reeds door hem gekende fundamentele waarheden, te begrijpen en af te wegen wat in deze bladzijden verder reikt dan het onderwijs van Dr. Steiner.

Indien dan deze Beschouwingen over het Oude Testament – die hopelijk gevolgd zullen worden door die over het Nieuwe Testament – opgenomen worden met een open geest en een onafhankelijk oordeel, zal de lezer zeker in deze “queeste van het hart” een nog grotere rijkdom vinden om toe te voegen aan de vele diepe spirituele waarheden en sublieme overwegingen die hier weergegeven worden.  


* * *

Over het wezen van het Oude Testament

1. De drie voornaamste stromingen van het levendige occultisme

Wat een onvooringenomen lezer van de Bijbel bij het lezen van dit meest bekende en meest miskende boek ter wereld in eerste instantie opvalt, is het feit dat de hele Bijbel van een verkeer met de geestelijke wereld getuigt. Het is een document waarin aan het nageslacht getuigenis wordt afgelegd van een eeuwenlang verkeer met de geestelijke wereld en de gevolgen van dit verkeer. De Godheid (Jahwe-Elohim) spreekt tot de mensen, openbaart zich aan de mensen in gezichten, engelen verschijnen en spreken, profeten zien de toekomst en vernemen woorden van bovenzinnelijke wezenheden – dit is ook aan een oppervlakkige kenner van de Bijbel bekend, en ook deze zou moeten toegeven dat de Bijbel van een voortdurend verkeer van mensen met geestelijke wezens spreekt.

Nu is echter het verkeer met geestelijke wezens datgene wat de inhoud en praktijk van de oude mysteriën uitmaakt. Want ook de mysteriën van de oudheid berustten niet op “geloof”, maar op bewust verkeer met bovenmenselijke spirituele wezens die ze geestelijk zagen, hoorden en in zich opnamen. Daardoor stroomden openbaringen naar de mensheid toe die de grondslag voor grote culturen werden. Deze openbaringen werden bewaard, verder onderwezen en vormden in hun totaliteit de heilige mysteriënwijsheid, de spirituele wetenschap, wier methoden met elke tijdperk veranderden, die echter ononderbroken tot op de dag van vandaag bestaat. De op het bewuste verkeer met de geestelijke wereld – dus op bovenzinnelijke ervaringen - berustende wetenschap wordt in het Avondland met het woord “occultisme" aangeduid. Wij zullen in het vervolg deze uitdrukking gebruiken in de hoop dat de lezer daarmee voorlopig geen andere inhoud verbindt dan op een bewust bovenzinnelijke ervaringen berustende kennis.

Beschouwd vanuit dit gezichtspunt is de Bijbel een boek dat feitelijkheden uit het gebied van het occultisme beschrijft. Niet dat het een boek zou zijn dat de leerstellingen van het occultisme behelst, maar dat hij feiten bevat waarop de leer van het occultisme berusten. Want het verkeer met de geestelijke wereld dat in de Bijbel beschreven wordt is geen leer van het occultisme, maar het is een feit waarop die leerstellingen gebaseerd zijn. Zo bevat bv. de Bijbel geen leer over karma en reïncarnatie, maar toont hij op aanschouwelijke wijze het feit van karma en het wederom verschijnen van dezelfde individualiteiten op aarde. Dat dit daadwerkelijk het geval is, zal in deze “Beschouwingen” aangetoond worden.

Om met de in de Bijbel voorhanden feitelijkheden iets te kunnen beginnen, moeten we ons daarom met de middelen bedienen die ons door het occultisme worden aangeboden. Een literair-historische noch een abstract filosofische beschouwingswijze kunnen ons bij deze opgave van enig noemenswaardig nut zijn – het concrete occultisme alleen is daartoe in staat. De toegang tot het concrete occultisme is echter in de tegenwoordige tijd voor brede kringen door het levenswerk van Rudolf Steiner geopend.

Dit gebeurde doordat hij een groot deel van het concrete occultisme in de vorm van de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap gepubliceerd heeft. De antroposofie, zoals die in de geschriften en gedrukte voordrachten voorligt, is op zich nog geen concreet occultisme. Dat wordt het pas in de ziel van die mensen die haar waarheden niet alleen erkennen maar ook zelf onderkennen. Het concrete occultisme is slechts voorhanden, wanneer er levende occultisten zijn. Anders gaat het altijd slechts om antroposofisch georiënteerde religieuze, filosofische, wetenschappelijke en esthetische overtuigingen. Het concrete occultisme bestaat echter niet in het handhaven van zulke overtuigingen, maar in het kennen van de deze bevruchtende feiten, verbanden en wezenheden van de bovenzinnelijke wereld en de vervulling van de daaruit volgende plichten en taken.

Vatten we het occultisme op deze wijze op, dan hebben met een drieheid te maken. Want de drieheid van de mens stemt overeen met de drieheid van het occultisme. Zoals de driegeleding van de mens in geest, ziel en lichaam, bestaat het occultisme uit een driegeleding van het eugenetische, hygiënische en het mechanische. En zoals de driegelede mens desondanks een eenheid is, zo zijn de drie grote gebieden van het occultisme ook een eenheid. De antroposofie zoals die in de geschriften voorhanden is, maakt de toegang tot deze drie gebieden van het concrete occultisme mogelijk.

De drie gebieden van het occultisme onderscheiden zich van elkaar zowel in hun opgaven alsook in hun methoden.

Het mechanisch occultisme heeft als opgave een zodanige regulering van de uiterlijke natuurkrachten zodat ze met de ware bestemming van de mensheid overeenstemmen;
Het hygiënisch occultisme doet hetzelfde met betrekking tot de krachten van het menselijke organisme;
Het eugenetisch occultisme echter heeft als opgave om een juiste verhouding van de geestelijke krachten tot de mens te bewerkstelligen, d.w.z. zijn karma door geboorte en dood te regelen.

Het mechanisch occultisme heeft dus vooral met de buitenmenselijke krachten te maken die in de natuur heersen;
Het hygiënisch occultisme heeft met name de menselijke natuur als onderwerp;
Het eugenetisch occultisme heeft met name betrekking op de verhouding van de mens tot de opgaven die de bovenzinnelijke wereld aan hem stelt, d.w.z. aan zijn levenslot.

Vanzelfsprekend zijn de drie gebieden van het occultisme altijd door levende persoonlijkheden vertegenwoordigd welke de leiders zijn – eenieder op zijn bepaald gebied. Het zijn de hoogste autoriteiten van het geestelijke kennisreservoir van de mensheid die normaliter in stilte voor het welzijn en heil van de mensheid werken. Met de drie gestalten van Benedictus, Theodosius en Romanus in de mysteriëndrama’s van Rudolf Steiner, die de drie hoogste ingewijden vertolken, zijn de vertegenwoordigers van de drie gebieden van het occultisme bedoeld. Het is ook gemakkelijk in te zien welke van deze gestalten met welke gebieden van het drieledige occultisme overeenstemt. In de mysteriëndrama’s ligt het ondubbelzinnige antwoord op deze vraag voor het oprapen (GA 14).

Niet minder duidelijk toont de Bijbel zelf ons het samenwerken van de drie occultismen door drie deze leidende wezenheden. In het 18de en 19de hoofdstuk van Genesis wordt de ontmoeting van Abraham met de “drie engelen” bij de eiken van Mamre en de verwoesting van Sodom beschreven. Wanneer we nu deze episode zo beschrijven, zoals die met behulp van de geesteswetenschappelijke middelen beschreven kan worden, dan zullen we in staat zijn om dat als een gebeuren van het samenwerken van de hoogste ingewijden van de drie occultismen te begrijpen.

Abraham heeft in het normale dagbewustzijn, d.w.z. zonder het lichaam te verlaten, zoals dat in slaap het geval is, een geestelijke ervaring. Hij beleeft de tegenwoordigheid van Jahwe-Elohim. Nu verdwijnt de bovenzinnelijke schouw en in plaats daarvan staan drie mannen voor hem. Hij herkent ze als boodschappers, wier aankomst de bovenzinnelijke belevenis aankondigde. Het zijn de boden van de Godheid die hij zojuist had geschouwd.

De bovenzinnelijke belevenis gaat bijgevolg over in een fysieke. Waar zojuist de God sprak, staan daar nu drie mannen. En Abraham draagt de eerbied die hij tegenover de God ondervond over aan zijn boden. Eerbiedig biedt hij hen gastvriendelijkheid aan. Die wordt aangenomen en de drie gasten delen een maaltijd met hem. Dan deelt een van de drie hem mee dat Sarah binnen een jaar hem een zoon zal baren. Sarah hoort het, het schijnt haar echter ongeloofwaardig wegens de hoge leeftijd van de ouders. Maar degene die de geheimen van het eugenetische occultisme kent herhaalt de goddelijke openbaring die zich vervolgens als waar bewijst. Het eugenetisch occultisme, indien zijn wetmatigheden betracht worden, maakt geboortes tot een leeftijd mogelijk die de moderne “alwetende” wetenschap als onmogelijk zou verklaren. Ze zal echter in een niet al te verre toekomst door feiten gedwongen worden om haar vaststellingen aan een revisie te onderwerpen.

Daarmee is ook de opgave van de eerste van de drie mannen vervuld. Ze gaan uit elkaar en de twee anderen begeven zich naar Sodom. Ze zien het als hun opgave om een beslissing over het lot van deze stad te treffen. Met name diende besloten te worden hoe diep deze cultuurstad verziekt is en of die überhaupt nog levensvatbaar is. Het gaat dus om de vraag of Sodom nog geneesbaar is of – als haard van aansteking – dient te worden verwoest.

In het verdere verloop van de episode (de details hoeven hier niet herhaald te worden) vond degene die de vertegenwoordiger van het heiloccultisme was, dat Sodom ongeneesbaar moreel ziek was. Overeenkomstig deze diagnose handelde dan de vertegenwoordiger van het mechanische occultisme: door het geweld van het vuurelement werd Sodom verwoest, nadat Lot met de zijnen de stad verlaten had.

De “drie engelen”, die in Mamre Abraham bezochten, die echter tegelijk als mannen werden aangeduid die bij Abraham aten en naar Sodom gingen, waar ze in het huis van Lot overnachtten, zijn de drie hoogste ingewijden van de drie occultismen, wier samenwerken noodzakelijk was om over het lot van Sodom te beslissen.

Men zal ook niet de ware betekenis van de aanbidding van het Jezuskind door de “Drie Wijzen” uit het Morgenland, zoals dat in het Matteüs-evangelie beschreven is, kunnen begrijpen, indien men niet begrijpt dat daarmee naar het feit wordt gewezen dat het gezamenlijke witte occultisme van de toenmalige tijd het verschijnen van de hoogste individualiteit begroette – in de gestalten van zijn drie vertegenwoordigers, waarvan een ieder een van de drie gebieden van het occultisme vertegenwoordigt.

Deze feiten zouden eigenlijk door antroposofen denkbaar serieus genomen moeten worden. Ze zouden niet slechts theoretisch toe moeten geven dat er altijd drie ingewijden op aarde leven, maar dat ook overeenkomstig moeten ondervinden. Er zou in de Antroposofische Vereniging altijd de stemming moeten heersen die ongeveer als volgt in woorden uitgedrukt kan worden: “de hoogste ingewijden zijn er; ze hebben leerlingen door wie ze kunnen spreken; er bestaat nog een diepere wijsheid en hogere scholing dan die welke in de voorhanden geschriften aanwezig is; een ieder kan toegang tot deze wijsheid, tot deze scholing vinden die zich de moeite getroost en waarvan de waarde wordt erkend.”

Het gewicht van de volgende woorden van Rudolf Steiner in zijn boek De weg tot inzicht in hogere werelden zou ter harte moeten worden genomen: “Maar tweeërlei is juist. Om te beginnen, zal iemand die in alle ernst naar hogere kennis streeft, geen moeite of belemmering uit de weg gaan om een ingewijde te zoeken die hem kan invoeren in de hogere geheimen van de wereld. Maar tegelijkertijd kan ieder er zeker van zijn dat de inwijding hoe dan ook zal vinden, als hij blijk geeft van een ernstig en waardig streven naar inzicht.”(GA 10, Hfst. 1, blz. 20/21)

Als elke waardig en serieus zoekende een ingewijde kan vinden, dan moeten er toch altijd ingewijden zijn. Zou Rudolf Steiner de enige ingewijde zijn en zou er na hem geen andere zijn, dan zouden de bovengenoemde zinnen niet waar zijn. Ze zijn echter wel waar, ongeacht het feit dat de innerlijke instelling van vele antroposofen tegenwoordig zo is dat ze klaarblijkelijk aan de waarheid van deze zinnen twijfelen, d.w.z. überhaupt niet meer met de mogelijkheid rekenen dat nieuwe ingewijden kunnen opduiken. In waarheid is het echter niet alleen een mogelijkheid, maar een noodzakelijkheid. Dit in te zien behoort tot de plichten van elke antroposoof voor wie de zaak belangrijker is dan zijn persoonlijke wensen.

Na deze noodzakelijke zijweg wenden we ons wederom tot de vraag naar het wezen van de Bijbel.

Als we het Oude Testament als een bericht over feiten van het occultisme opvatten, dan worden we natuurlijk voor de vraag gesteld: Welke van de drie gebieden van het occultisme is datgene dat voor de Bijbel bijzonder karakteristiek is? Met andere woorden: Is de Bijbel een boek van het mechanisch, hygiënisch of eugenetisch occultisme? Om deze vraag te beantwoorden, moeten we de Bijbel als geheel eenmaal in ogenschouw nemen.

Het Oude Testament behelst de geschiedenis van de verwezenlijking van een opgave die op grond van een verdrag, dat tussen een mensengemeente en de geestelijke wereld werd afgesloten, door ongeveer vijftien eeuwen heen vervuld werd. Het is de geschiedenis van een verdrag tussen een groep mensen en een goddelijk-geestelijke wezenheid. En alles wat de Bijbel aan gebeurtenissen, beproevingen en lotgevallen beschrijft is door de geestelijke, rode draad van dit verdrag verbonden.

De inhoud van het met Abraham afgesloten, en in de tijden van Mozes, David en de Babylonische gevangenschap vernieuwd verdrag, kan door twee zinnen uitgedrukt worden:

IK – BEN is de Heer
En “De Heer zal mens worden;
Hij zal geboren worden in de stam van Israël.”

De eerste zin bevat de verplichting van de Israëlitische gemeenschap tegenover de geestelijke wereld; de tweede zin bevat de belofte van de geestelijke wereld aan de Israëlitische gemeenschap.

Door de verplichting van de bekentenis tot het “IK BEN” werd het grondkarakter van de Israëlitische geestesstroming in de geschiedenis bepaald. Deze geestesstroming onderscheidde zich van de andere, haar omringende stromingen, doordat ze alleen haar inhoud uitsluitend aan de Ik-krachten van de mens te danken had.

Terwijl aan de andere volken het geestelijke zich in de natuur en de sterren door het astraallichaam openbaarde, openbaarde zich aan diegene persoonlijkheden die leiders binnen de Israëlitische geestesstroming waren het geestelijke van de wereld alleen door het Ik.

Als de grootste zonde tegen de verplichting van het zich houden aan het Ik golden in Israël verrichtingen van de natuur- en sterrendienst (“hoogtes”, heilig woud etc.) die bij andere volken het belangrijkste bestanddeel vormden. Want deze verrichtingen hadden tot doel het verkeer met het geestelijke van de wereld door de krachten van het astraallichaam onder uitsluiting van het Ik; terwijl het verkeer met de geest dat in Israël verricht diende te worden alleen daardoor mogelijk was dat de krachten van het astraallichaam, de onderbewuste krachten, uitgeschakeld werden,  zodat het Ik ongehinderd tot het middel van het verkeer met de geestelijke wereld kon worden.

Door dit verkeer werd de Israëlitische cultuurstroming geschapen en behouden. Mensen die dit verkeer bewust konden uitoefenen waren de profeten, waarvan er veel meer waren dan in de Bijbel genoemd wordt. Want er bestond een onafgebroken overdracht van het profetendom vanaf Abraham to Maleachi. Deze overdracht werd mogelijk doordat er een geestelijke scholing bestond, waarbij elk profeet voor zich een opvolger voorbereidde met de middelen van deze scholing.

De scholing van de profeten was al in hun methoden in vele opzichten gelijk aan die van de moderne geesteswetenschap. Want ook die scholing sloot al het onbewuste, al het lichamelijke uit en richtte zich uitsluitend aan de heldere bewustzijnskrachten van de mens.

In grote rust en onder uitsluiting van al het driftmatige volbrachten de profetenleerlingen hun oefeningen om het diepe zwijgen voor de geestelijke wereld te leren. Was dit zwijgen tot een zekere graad bereikt, dan begon de geestelijke wereld te spreken. Wat de profeet op deze manier vernam, deelde hij aan de anderen mee. Op deze wijze werd de Israëlitische volksgemeenschap naar haar doel geleid.

Dit doel bestond echter in de verwerkelijking van de belofte: de heilige geboorte van de Messias. Alles in het leven van de Israëlitische volksgemeenschap diende zo geregeld te worden dat een passend lichaam, waarin Christus werkzaam kon worden, na vele generaties zou ontstaan. En men begrijpt de talloze details van de voorschriften die bv. in de boeken van Mozes voorhanden zijn, over voeding, hygiëne, verhoudingen tussen de geslachten etc. pas dan, wanneer men ze niet als ascese opvat (want er was geen lichamelijke ascese in Israël, zoals er ook tegenwoordig geen lichamelijke ascese bestaat voor leerlingen en ingewijden van het ware christelijke occultisme), maar als doelmatige regeling van het leven, opdat de toekomstige geboorte van het lichaam voor Christus kon plaatsvinden.

Men zal ook de geheel buitengewone betekenis die in de Bijbel aan het juiste  huwelijk en de juiste geboorte toebedeeld wordt, niet begrijpen, wanneer men het feit onvoldoende serieus neemt dat de geschiedenis van Israël de geschiedenis van de voorbereiding van het lichaam van Jezus was. We hebben daar met de bewuste toepassing van de erfelijkheidswetten te maken, waarbij de lotgevallen van de enkele persoonlijkheden zich aan deze opgave onderwierpen.

De Bijbel bevat de beschrijving van de voorbereiding van een heilige geboorte, hij bevat het enige in de wereld voorhanden grote werk van het eugenetisch occultisme.

Er bestaat tegenwoordig nog geen geschrift dat meer van de geheimen van het eugenetisch occultisme bevat dan de Bijbel. De diepe verbanden die bestaan tussen geboorte en het karma met diens opgaven door vele incarnaties heen, kunnen het duidelijkst aan de hand van de Bijbel onderkend worden.

Dit geldt met name voor het Oude Testament. Het Oude Testament is het meest waardevolle document van het eugenetisch occultisme dat voor de mensheid uit het verleden is bewaard gebleven.

Het Nieuwe Testament (de vier Evangeliën) heeft een andere betekenis voor het concrete occultisme. Daar ligt het zwaartepunt niet meer op het gebied van het eugenetisch occultisme te zoeken (hoewel het Nieuwe Testament feiten bevat die de afsluiting van een tijdperk en het begin van een nieuw tijdperk in de geschiedenis van het eugenetisch occultisme betekenen), maar op een ander gebied van het occultisme. Het beschrijft feiten die naar de kennis van de diepste geheimen van het hygiënisch occultisme kunnen leiden. Want – afgezien van de vele genezingen van geestelijke, psychische en lichamelijke kwalen – het centrale gebeuren dat in het middelpunt van de evangeliënbeschrijvingen staat, het mysterie van Golgotha, kan en moet in eerste instantie als de hoogste daad van genezing van de ernstigste ziekte van de mensheid worden opgevat.

De vier Evangeliën bevatten het meest waardevolle wat de mensheid over het heiloccultisme te weten kan komen. Er is voor de mensheid geen document uit het verleden bewaard gebleven dat meer over de geheimen van het heiloccultisme bevat dan de Evangeliën.

Nu bestaat echter de Bijbel als geheel eigenlijk uit drie delen. Want de Openbaring van Johannes onderscheid zich net zo duidelijk van de Evangeliën dan deze zich van de boeken van het Oude Testament onderscheiden. Beschrijft het Oude Testament de voorbereiding van het Christusgebeuren in de aardse geschiedenis, beschrijft het Evangelium dit gebeuren zelf, dan beschrijft de Openbaring de toekomstige gevolgen van dit gebeuren.

Maar de Openbaring bevat geen geschiedenis van de generaties zoals het Oude Testament, ook niet de beschrijving van het leven en lijden van een enkele wezenheid zoals het Evangelium, maar ze beschrijft toekomstige gebeurtenissen in de mensheid en de kosmos. Ze toont de kosmische gevolgen van de menswording van Christus.

Deze gevolgen zijn niet van zuiver geestelijk-morele aard, maar ook van de aard van natuurgebeurtenissen. De Openbaring toont aan welke werking het geestelijke-morele op de krachten van de natuur in de toekomst uit zullen oefenen. Veranderingen in de lagen van de binnenaarde en de etherische lagen rondom de aarde heen als werkingen van morele oorzaken worden in de Openbaring exact beschreven. Niet allen de strijd om de mensheid, maar ook de strijd om de natuur vormen de inhoud van het kosmische drama van de Openbaring van Johannes. Daarmee duidt de Openbaring op feiten die buiten het gebied van het eugenetische occultisme en het heiloccultisme liggen. Want de werking van het menselijk-geestelijke op het buitenmenselijk-natuurachtige vormt de inhoud van het mechanisch occultisme. Het mechanisch occultisme bevat het weten over de werking van het geestelijke in de mens op de externe natuurkrachten; en in die zin is de Openbaring het enige voor de mensheid bewaard gebleven oorkonde van het mechanisch occultisme.


Daar nu de opgave van de schrijver van deze bijdragen om te beginnen er niet in bestaat om over het heiloccultisme en nog minder over het mechanisch occultisme te schrijven, zal hij zich dus tot de beschouwingen van het Oude Testament als de oorkonde van het eugenetisch occultisme beperken en de twee andere delen van de Bijbel alleen in zover erbij betrekken dat het onmogelijk is, zowel de Bijbel evenals de drie gebieden van het occultisme te scheiden. De Bijbel vormt een ondeelbaar geheel, juist omdat hij de belangrijkste feiten uit de drie gebieden, die nu eenmaal een onafscheidelijk geheel zijn, bevat. Want zoals men zonder het Evangelium het Oude Testament niet kan begrijpen, zo kan men zonder de Openbaring het Evangelium niet begrijpen. Het Oude Testament is immers de geschiedenis van de voorbereiding van de gebeurtenissen die in de Evangeliën worden beschreven, en de Openbaring toont aan ons waartoe deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden.

Net zo onafscheidelijk zijn de drie gebieden van het occultisme, wanneer ze in het leven optreden. Men kan een mens niet genezen, indien men niet met diens karmische en erfelijkheidsverhouding rekent; men kan hem ook niet genezen, indien men geen geneesmiddelen ter beschikking heeft die alleen door de toepassing van het mechanisch occultisme vervaardigd kunnen worden. Dit is slechts een voorbeeld, maar er zouden nog vele andere aangevoerd kunnen worden om aan te tonen dat de drie gebieden van het occultisme een geheel zijn en alleen in samenwerking hun opgave recht kunnen doen.

Er zal echter toch een poging gedaan worden om een gebied van het occultisme aan de hand van het Oude Testament in deze bijdragen te behandelen, want zo is het noodzakelijk; maar de schrijver vraagt de lezer om altijd in het oog te houden dat bij de beschrijving van deze dingen hen toch geweld moeten worden aangedaan. Dit is pijnlijk, maar onvermijdelijk in de huidige tijd.

We zullen dus in het vervolg met het Oude Testament als enige oorkonde van het eugenetisch occultisme te maken krijgen. Maar eer we naar de details van de oorkonde gaan, zou nog een vraag van algemene aard beantwoord moeten worden, namelijk de vraag naar het “uitverkoren volk” waarmee het genoemde verdrag werd gesloten. Wat is het “uitverkoren volk” en waarin bestaat het wezen van deze “uitverkoring”?


2. Het uitverkoren volk

De geschiedenis van Israël is de geschiedenis van een “uitverkoren volk”, d.w.z. een volk dat de missie had om een gebeurtenis van betekenis voor de gehele mensheid voor te bereiden. Nadat dit gebeuren heeft plaatsgevonden, d.w.z. na het mysterie van Golgotha, is er schijnbaar geen reden meer voor het voorhanden zijn van een “uitverkoren volk”. Men zou kunnen geloven dat sinds het mysterie van Golgotha de hele mensheid tot een dergelijk volk is geworden.

Deze gedachte is echter in tegenspraak met het in de Openbaring beschreven toekomstige feit van een laatste uitverkoring van de 12 stammen van Israël, nadat alle beproevingen van het aardse lot van de mensheid zullen zijn doorstaan. De 12 × 12 “duizend” uitverkorenen zijn – in de zin van de Openbaring – het eindresultaat van de aardeontwikkeling bij de overgang daarvan naar het Jupiter-stadium.

Zo worden we nu door de Openbaring voor het raadselachtige feit gesteld dat het “uitverkoren volk” ook in de verste toekomst voorhanden zal zijn. Om dit feit te begrijpen moeten we echter eerst de vraag beantwoord hebben: wanneer er een uitverkoren volk” in de verste toekomst – tot aan het einde van de aardeontwikkeling – zal zijn, hoe ver terug kan het dan in het verleden vervolgd worden? Wat is de oorsprong van het “uitverkoren volk”? Is het tijdstip van de uittocht uit Egypte daadwerkelijk het begin van de geschiedenis van het “uitverkoren volk”?


We zullen het wezen van de “uitverkoring” en de betekenis van het “uitverkoren volk”, het eeuwige Israël, zoals het in de Openbaring wordt genoemd, het beste kunnen begrijpen, wanneer we het verleden van de mensheid van het gezichtspunt van het onderzoek naar de oorsprongen van het “uitverkoren volk” beschouwen. Daarvoor moeten we naar de tijden teruggaan, waar in het westen van Europa op het later verzonken continent van Atlantis een eigenaardige cultuur bloeide. Deze cultuur verschilde van de moderne voornamelijk doordat ze principieel op geheel andere vaardigheden van de mens berustte. Want de moderne cultuur berust op het denkvermogen van de mens en op de ervaringen die hij door zijn zintuigen kan maken; de Atlantische cultuur berustte echter op vaardigheden die we tegenwoordig als “magisch” zouden aanduiden. Deze vaardigheden van de Atlantiërs bestonden in het feit dat tussen de mens en de hem omringende natuur een veel innigere samenhang bestond dan het bij de moderne mens het geval is. Het uiterlijke gebeuren in de natuur was voor de Atlantische mens tegelijk een innerlijke belevenis; een innerlijke belevenis van de Atlantische mens beïnvloedde tegelijk het uiterlijke natuurgebeuren. De wil had niet alleen de macht om de ledematen van de mens te bewegen, maar ook uiterlijke natuurkrachten. Zo had bv. het uitgesproken woord een geweld, waarvan men tegenwoordig – waar men doceert dan wel declameert – geen begrip meer van heeft. Het kon genezen en doden, opbouwen en vernietigen – door het natuurgeweld dat het begeleidde.

Het gebruik van deze magische krachten vormde de grondslag van de Atlantische cultuur; de misbruik daarvan echter de oorzaak van de ondergang van het Atlantische continent. Want de vaardigheid om op levensprocessen in te werken werd in de zin van egoïstische machtsuitoefening op grote schaal misbruikt. Het misbruik van de magische krachten ging zo ver dat het de gehele bevolking van Atlantis in twee groepen dreigde te delen: in de kleinere groep van heersers met magisch geweld en in de grote massa die tot gehoorzaamheid werd gedwongen. Daardoor werd echter elke mogelijkheid van de ontwikkeling van de mensheid tot vrijheid aangetast. De zwarte magie zou de vooruitgang in de ontwikkeling van de mensheid onmogelijk hebben gemaakt, wanneer de Atlantische catastrofe niet plaatsgevonden zou hebben. Deze catastrofe vernietigde een cultuur die zich steeds meer en meer in de richting van de zwarte magie ontwikkelde.

Maar de genoemde catastrofe trof niet alle bewoners van het Atlantische continent. Er waren ook zulke die aan de catastrofe ontsnapten. Dit gebeurde niet op een toevallige manier, maar doordat zich een gemeenschap om een hoge leider schaarde die hen tijdig naar een ander gebied leidde. Het waren mensen die noch beoefenaars noch passieve slachtoffers van de zwarte magie waren. Uit zulke mensen vormde zich de gemeenschap die onder leiding van Manu Atlantis verliet en naar Centraal-Azië trok.

Er werd dus een deel van de Atlantische bevolking “uitverkoren”die de uittocht uit Atlantis ondernam. Hier hebben we dus het tijdpunt waar een “uitverkoren volk” voor het eerst optreedt. Dit is de eerste uitverkoring en de eerste uittocht.



De uittocht uit Atlantis had echter niet alleen de opgave om Atlantis te verlaten, maar ook de opgave om een bepaald gebied waar een nieuwe, ontwikkelingsvaardige cultuur geschapen kon worden te bereiken. Het “uitverkoren volk” onder de leiding van Manu trok naar zijn “beloofde land”. Dit werd na een lange trektocht ook bereikt. Daar – in Centraal-Azië –  werd de eerste kwekerij van de Arische cultuur gesticht, de wortel van alle latere na-Atlantische culturen.


Deze Arische gemeenschap had eveneens – zoals later het Israëlitische volk – een “verdrag” met de geestelijke wereld afgesloten. De plichten die dit “verdrag” met zich mee bracht, vormden de inhoud van de wetten van Manu. In deze wetten kwam het namelijk erop aan om het leven van de mensen zodanig vorm te geven dat hemel en aarde, de geestelijke en de zintuiglijke wereld in evenwicht zouden zijn. Want alleen in dit evenwicht is de ontwikkeling van de vrije persoonlijkheid, die nu eenmaal in Atlantis onmogelijk was geworden, mogelijk. Anderzijds moest de zuiverheid van de Arische impuls ook daardoor in stand worden gehouden dat vermenging met andere, op een lager niveau achtergebleven volkeren, vermeden moest worden. Deze twee statuten, voorschriften – trouw aan de aarde en de hemel en de bloedmatige afzondering van het “uitverkoren volk” van volkeren die door het decadente Atlantiërdom geïnfecteerd waren – vormden de grondslag van het eerste “Bond” van het eerste “uitverkoren volk” na de eerste uittocht.


Uit deze Manu-gemeenschap ontwikkelde zich later de Oudindische cultuur, waarvan de ontwikkeling echter een richting insloeg die niet in de zin van de oer-Arische constitutie lag. Want deze Indische cultuur ontwikkelde een sterke voorkeur voor het geestelijke, begeleid door een verachting van het aardse. Daardoor werd de oorspronkelijke Manu-constitutie verbroken. De harmonische verhouding tussen hemel en aarde was daardoor niet meer voorhanden. De Indische cultuur werd dientengevolge niet meer bruikbaar om de opgave van het na-Atlantische mensdom te vervullen. Er moest een nieuwe cultuur gesticht worden die geschikt was om de ontwikkeling in de juiste zin voort te zetten. Zo vond er een tweede uittocht plaats en ontstond er een tweede “uitverkoren volk”, welke de oer-Arische impuls trouw bleef en een nieuwe cultuur op de Iraanse hoogvlakte oprichtte.


Door de grote Zarathoestra kreeg deze cultuur haar geestelijke grondslag. Die bestond in het gebod om tegen Ahriman te strijden aan de zijde van het goddelijke zonnewezen Ahoera Mazdao. De strijd tegen Ahriman had echter niet alleen de betekenis van een innerlijke instelling en een bepaalde levensstijl, maar ook de opgave om het Ariërdom tegen het machtige Turaniërdom te verdedigen. Het Turaniërdom had namelijk de duistere kanten van het Atlantiërdom bewaard en stond daarom in de denkbaar grootste tegenstelling tot de impulsen die de grote Zarathoestra overdroeg. Zo was de strijd met de Turanische volken een overlevenskwestie voor de Iraanse cultuurgemeenschap. Deze kon zich alleen in het geval van een heroïsche uitschakeling van ook slechts het geringste compromis met de Turanische geestelijkheid in stand houden.

Want een geestelijke stroming is alleen zo lang sterk als ze zich met geen enkel compromis inlaat. Dit geldt voor de huidige tijd; het geldt echter niet minder in de tijden van de eerste grote uiteenzetting van de zuivere geestescultuur van Zarathoestra met de duistere natuurgeestelijkheid van het Turaniërdom.

Maar de heroïsche geest van het Oudperziërdom week in verloop van tijd. In plaats daarvan installeerde zich een “verzoenende” compromisstemming waar men rust wilde hebben van deze eeuwige inspanning van de wil die de trouw aan de geest van de grote Zarathoestra eiste. De innerlijke verzwakking had een uiterlijke nederlaag tot gevolg: in de strijd van Iran tegen Turan werd laatstgenoemde de overwinnaar.

Dit maakte de verdere ontwikkeling van de oud-Perzische cultuur in de zin van haar ware opgave onmogelijk. Dus gebeurde het wederom dat diegenen die de geest van de grote Zarathoestra trouw bleven het Iraanse land verlieten en nieuwe cultuursteden in Mesopotamië en Egypte stichtten. Wederom verliet een “uitverkoren volk”, dat vreemde impulsen niet wilde opnemen, het Iraanse cultuurgebied om in andere gebieden een nieuwe cultuur te stichten.

Deze nieuwe cultuur deelde zich in twee stromingen: de Chaldeïsche en de Egyptische cultuurstroming, die de grote Zarathoestra door twee van zijn leerlingen stichtte. De Egyptisch-Chaldeïsche cultuur had de opgave om de twee grote poorten van de geestelijke wereld, de poort van de geboorte en de poort van de dood zolang heilig te behouden tot een heilige geboorte en een heilige dood deze poorten voor de hele mensheid voor de verdere toekomst zou openen. De volkeren van deze cultuur dienden de geboorte van datgene wezen voor te bereiden dat door de offerdood het grootste heil van de mensheid zou brengen. Daarom behoorden de mysteriën van de geboorte en die van de dood bij deze volkeren in zuiverheid behouden te blijven, opdat het Christusgebeuren op een voorbereide grond plaats zou kunnen vinden. Als hoeder van de mysteriën van de geboorte was het Chaldeeuwendom beroepen; als hoeder van de mysteriën van de dood echter Egypte.

Maar beide hoeders bleven hun opgave niet trouw. In Chaldeä drong het Turanische element binnen en verpestte het geestelijke leven van het land. De Astarte- en Baälcultus, die zich onder de volkeren van Mesopotamië en Syrië verspreidde, leidde tot een opvatting over geboorte die het striktste tegendeel was van de opvatting die gehandhaafd diende te werden.

Het is niet betamelijk om over de details van deze duistere cultus concreet te spreken; het voldoet om te zeggen dat alle details van deze cultussen erop ingesteld waren om al het geestelijke, al het heilige uit de samenhang van moeder, vader en kind te verdrijven. Het geslachtsleven moest van zijn goddelijke bronnen losgescheurd worden en aan demonische machten prijs worden gegeven; de geboorte moest gemechaniseerd worden. Dat moest bereikt worden doordat alle eerstgeborenen gedood moesten worden, hetgeen een doelmatige maatregel was om de bewust liefdevolle verwachting van de neerdalende zielen onder de mensheid te vernietigen en door een bewusteloze mechanische productie van mensenwezens te vervangen.

Als dat geslaagd zou zijn geweest dan zou het verschijnen van hoogspirituele mensen op aarde überhaupt opgehouden zijn. Want hoogspirituele zielen kunnen alleen in het geval geboren worden, wanneer ze bewust verwacht worden. Het is een basisvoorwaarde voor hun verschijnen dat het vrije menselijke bewustzijn van de ouders meewerkt. Zo ligt het voor de hand wat het doel van de genoemde cultussen was: de geboorte van Jezus verhinderen.

Zoals in Chaldeä de geboorte vermaterialiseerd werd, zo werd anderzijds in Egypte de dood vermaterialiseerd. De grote gedachte van de overwinning van de dood door opstanding die in de heilige mysteriën van Egypte gekoesterd was, werd door de begeerte om de uiterlijke gestalte, de lichaamsvorm te behouden, vervangen. Door het invoeren van de mummiëncultus, beging Egypte een soortgelijke zonde tegen het mysterie van de dood, zoals Chaldeä tegen het mysterie van de geboorte, doordat het zich aan de Baalcultus overgaf.

Op die manier werd in Chaldeä de geboorte en in Egypte de dood ontheiligd. Daardoor kon de Chaldeïschese noch de Egyptische geestesstroming de grond voorbereiden waarop Christus-Jezus kon verschijnen.


En wederom werd een uitverkoring en een uittocht noodzakelijk. Dit gebeurde doordat een kleine groep van Chaldeeërs onder leiding van Abraham zich van het Chaldeïsche volk afzonderde en een nieuw stam vormde. Deze stam trok naar Egypte waar hij zich tot een volk vermenigvuldigde. Waarom de stam alleen in Egypte tot een volk kon uitgroeien, kan begrepen worden wanneer men bedenkt dat de zonde van Egypte in de vernedering van de dood bestond, echter niet in de vernedering van de geboorte. Het nieuwe volk was tegen de verderfelijke Chaldeïsche invloed in Egypte beschermd. Het kon daar de zuivere verhouding tot de geboorte, dat typisch voor dit volk was, behouden. Maar vermengen met het Egyptendom mocht het niet, want anders zou het de ware opstandingsgedachte verloren hebben. Dus moest het ook uit Egypte als volk wegtrekken, zoals het uit Chaldeä als stam weggetrokken was. Dit gebeurde onder leiding van Mozes die het vierde “uitverkoren volk”, het volk van Israël, naar zijn “beloofde land” leidde.


Toen nu ook dit volk zijn bestemming ontrouw werd, werd het naar Babylon gedeporteerd, van waaruit een “uitverkoren deel” teruggeleid werd. Dit was de laatste uitverkoring vóór het verschijnen van Christus-Jezus, waardoor geboorte en dood wederom in het bewustzijn van de mensheid hun goddelijke betekenis terugkregen.


Is daarmee echter de geschiedenis van het “uitverkoren volk” afgesloten? – Wij slaan even de geschiedenis van de Middeleeuwen en de nieuwe tijd over, die ons voorlopig geen nieuwe feiten opleveren om deze vraag te kunnen beantwoorden. We richten ons in plaats daarvan op de toekomst, op de tijd van de zesde cultuurperiode. De zesde na-Atlantische cultuurperiode zal zich van de huidige vooral onderscheiden doordat de mensheid in twee gescheiden gemeenschappen zal zijn gedeeld – in een kleine gemeenschap die uit mensen zal bestaan die de Christusimpuls in hun bewustzijn opgenomen zullen hebben, en in een grotere gemeenschap die uit mensen zal bestaan die de Christusimpuls afgewezen zullen hebben.

De gemeenschap van het spirituele deel van de mensheid zal een cultuur van sociale gerechtigheid stichten die zich van de cultuur van de overige mensheid moreel evenzo duidelijk zal onderscheiden als ongeveer tegenwoordig de uiterlijke beschaving van Europa zich van de beschaving van de Afrikaanse bevolking duidelijk onderscheidt. Ook fysiek zullen zich beide mensheiden onderscheiden, zodat er twee mensenrassen zullen bestaan die zich geestelijk, zielsmatig en lichamelijk van elkaar zullen onderscheiden.

Deze dingen dienen niet abstract genomen te worden, maar zo concreet mogelijk. Antroposofen zouden eigenlijk allang ingezien moeten hebben welke concrete betekenis de Antroposofische Beweging voor de toekomst heeft. Het gaat niet alleen om overtuigingen en ideeën, maar ook om het begin van een concrete rassenvorming – om de eerste aanzetten van geslachten die zich in de generatie volgorde tot de vaardigheden van mensen van de zesde periode dienen te spiritualiseren. De toekomst heeft niet alleen ideeën, maar ook lichamen nodig. Want die dient zich niet alleen in de hemel maar ook op aarde te verwerkelijken. En de kracht van ideeën kan alleen zijn deugdelijkheid bewijzen door ook grip op het aardse te krijgen. Wanneer echter opgegroeide kinderen van antroposofische ouders de antroposofie de rug toekeren – wat niet zelden voorkomt – en zich tot andere aspiraties wenden, dan zou men niet bepaald van “karma”en de “vrije wil” moeten spreken, maar veeleer de vraag stellen: Was de antroposofie van de ouders ook overtuigend genoeg voor de kinderen, zodat ze daardoor meer leven toegestroomd voelden dan door iets willekeurig anders van de buitenwereld? Als men die vraag stelt, dan zal men de ontdekking maken dat slechts zoveel van het antroposofische van een generatie naar de volgende over kan gaan, naarmate het de harten heeft aangegrepen.  Hoofd-antroposofie komt niet in aanmerking voor het doorstromen van antroposofisch leven door generaties heen – daar komt alleen hart-antroposofie in aanmerking. En alleen in zo ver is de antroposofie voor de jonge generatie overtuigend, wanneer ze in de harten leeft. Daarom zal alleen datgene van tegenwoordig lichaam-vormend naar de toekomst tot de zesde cultuurperiode doorstromen wat tot een aangelegenheid van het hart is geworden. Hoofd-antroposofie is een aangelegenheid van de enkeling; hart-antroposofie is echter een mensheidsaangelegenheid. Zij zal het zijn die zich in de toekomst als kracht zal bewijzen die de spirituele mensen van de zesde periode de noodzakelijke lichamelijke organisatie zal leveren om op de aarde te kunnen leven.


We leven in een tijd waarin wederom een verdrag met de geestelijke wereld werd afgesloten die als doel heeft om de zesde cultuur voor te bereiden. Het vereist trouw aan de geestelijke wereld en voortdurende inspanning om ononderbroken het bewuste verkeer met de concrete geestelijke wereld te handhaven. De bronnen waaruit steeds nieuwe kennis van het concreet-geestelijke stromen, dienen nooit op te drogen. Want alleen door een voortdurende toestroom van geestelijke kennis kan de antroposofische Vereniging levendig bewaard worden. Ze zou opdrogen – ongeacht de rijke literatuur die ze bezit – wanneer ze over een langere tijd geen directe toestroom uit de geestelijke wereld zou krijgen. Deze toestroom kan door niets vervangen worden; zij is immers de levensvoorwaarde van een geesteswetenschappelijke beweging. Want deze beweging kan alleen dan haar opgave vervullen in de zin van de bovengenoemde overwegingen, indien ze de harten aangrijpt. Dit is echter alleen mogelijk, wanneer binnen deze beweging het bewuste verkeer met de geestelijke wereld niet ophoudt. De traditie alleen kan haar niet levend houden; als de openbaring uit de geestelijke wereld verstomt, dan verstommen ook de harten, wat echter de geestelijke dood van de beweging zou betekenen.


De geschiedenis van het “uitverkoren volk” zet zich dus naar de verre toekomst voort. Het is de geschiedenis van de karmische stroming van de met de Christusimpuls verbonden zielen. Het zijn altijd dezelfde individualiteiten die door vele incarnaties heen een werk volbrengen dat het Christuswerk is. De profeten van Israël zullen allemaal weer verschijnen om het verkeer met de geestelijke wereld evenzo ononderbroken in de huidige tijd te behouden als het destijds ononderbroken bewaard werd. Zo zal de karmische stroming: “het uitverkoren volk”, het eeuwige Israël van cultuurperiode naar cultuurperiode doorstromen om in de kritische tijden van de mensheid altijd de wortels van nieuwe culturen, na het verval van de oude, te leveren.

We hebben dus het begrip “uitverkoren volk” – wat het in waarheid is – opgebouwd, wat voor ons noodzakelijke zal zijn om de Bijbel – wat hij in waarheid is – te begrijpen. Want de Bijbel bevat de geschiedenis van het “uitverkoren volk”, hetgeen de geschiedenis van de Christusimpuls is. De karmische gemeenschap, die in de Atlantische tijd met het zonnenorakel bijzonders verbonden was, de gemeenschap van de zonnemensen, is het “uitverkoren volk”, dat door de hele aardontwikkeling de missie heeft om voorbereider, drager en verkondiger van diegene zonnenwezenheid te zijn die wij als Christus kennen.


Nadat we nu voor ons ware begrippen over het Oude Testament als het boek van het eugenetisch occultisme en over het “uitverkoren vol” als karmische stroming van de Christusimpuls  hebben ontwikkeld, komen we tot de derde fundamentele vraag, waarvan de beantwoording voor het begrip van de Bijbel onontkoombaar is:

Wie is de God die in de Bijbel als Jahwe wordt aangeduid en in welke verhouding staat hij tot de karmische Christusstroming en tot Christus zelf?

De volgende beschouwing zal aan de vraag over de wezenheid van Jahwe en haar karmische en historische betekenis gewijd zijn.


* * * 


II.

De Jahweh-wezenheid –

Haar betekenis in het wereldgebeuren en in de geschiedenis van de mensheid

1. Jahweh als kruisdrager

Om de Jahweh-wezenheid te begrijpen is er geen andere weg dan haar in samenhang met het totale kosmische gebeuren te beschouwen. Want men kan en mag nooit een wezenheid van de geestelijke hiërarchieën, als men die wil leren kennen, uit de samenhang van haar en andere hiërarchieën losmaken. In de fysieke wereld kan men een afzonderlijk voorwerp op zich beschouwen; in de geestelijke wereld wordt echter het individuele alleen door zijn samenhang met het algemene kenbaar. Daarom moet in deze aan de Jahweh-wezenheid gewijde beschouwing om te beginnen het noodzakelijke over de totale werkzaamheid van de geestelijke hiërarchieën beschreven worden.

We zullen proberen deze beschrijving zo vorm te geven dat ze niet abstract-filosofisch voorkomt, maar dat de waarheid ervan direct tot het hart spreekt. Want er zijn gebieden waar het argumenteren evenzo ongepast is als het verschijnen in alledaagse kleren op een feest van de hoogste vreugde of de diepste treurnis. Daarom zal een deel van deze beschouwing de beschrijving van enkele belangrijke verbanden bevatten die in verhalende vorm weergegeven zullen worden.


In het oerbegin van al het Zijn dacht de Vader-wezenheid de gedachten van alle wezen en dingen. Nadat zij alle gedachten van de wereld gedacht had, rustte zij. Nieuwe gedachten worden door de Vader niet meer geschapen, want alle gedachten tot aan het einde van de wereld werden door hem reeds in het oerbegin gedacht, d.w.z. geschapen. Het rusten van de schepper op “de zevende dag”, waarvan in Genesis sprake is, heeft immers de betekenis dat alle gedachten van de schepping ten einde gedacht waren.

Maar de gedachten van de Vader zouden er enkel als gedachten in alle eeuwigheid zijn, indien de Zoon hen niet leven zou inblazen. De Zoon ademt leven en blaast het de eeuwige gedachten van de Vader in. Daardoor worden ze tot levendige wezenheden.

Er bestaan echter toch nog vele gedachten die in de sfeer van de Vader rusten, waarin de Zoon nog geen leven heeft ingeblazen. Het tot leven wekken van de Vadergedachten door de Zoon duurt immer voort – aldus ontstaat het nieuwe in het Zijn van de wereld.

Maar de tot wezenheden geworden Vadergedachten treden het wereldgebeuren alleen binnen door de Geest die ze verwerkelijkt. Ze belichamen zich doordat de wil van de Geest, ze doordringend, in de wereld van de daden leidt.

Zo ontstaat door de werkzaamheid van de eeuwige Triniteit het wereldgebeuren. Maar dit ontstaan is een zeer gecompliceerde gang van zaken, waarbij talloze wezenheden zijn betrokken. De wezenheden van de geestelijke hiërarchieën zijn werkzaam onder leiding van de goddelijke Triniteit. Maar ze zijn op zo’n manier actief dat hun werkzaamheid zich onderscheidt overeenkomstig de wezenheid van de Triniteit onder wier leiding ze staan. Er zijn hiërarchieën van de Vader, de Zoon en de Geest wier opgaven dienovereenkomstig verschillend zijn.

Over het algemeen staat de 1ste hiërarchie”(Serafijnen, Cherubim, Tronen) het dichtst bij de Vader, de 2de hiërarchie (Kyriotetes, Dynameis, Exusia) het dichtst bij de Zoon, en de 3de hiërarchie (Archai, Archangeloi, Angeloi) het dichtst bij de geest. De drie hiërarchieën zijn werkzaam in overeenstemming met de impulsen die van de triniteit uitgaan.

Zo is het over het algemeen. Beschouwt men echter de concrete werkelijkheid in detail, dan komt men tot de ontdekking dat de drie goddelijke grondwezenheden in alle drie hiërarchieën werkzaam zijn. Elke van de drie hiërarchieën is innerlijk in een drieheid verdeeld, waarbij elke van deze geledingen aan een van de drie grondwezenheden van de Triniteit ondergeschikt is.

Aldus is de tot leven wekkende liefdesimpuls van de Zoon werkzaam met name door Serafim, Exousia en Archangeloi; het wijsheidslicht van de Geest door Cherubim, Dynameis en Angeloi; terwijl de wil van de Vader zich door Tronen, Kyriotetes en Archai openbaart.

Als we nu de algemene waarheid van de toekenning van de drie hiërarchieën beschouwen, dan ontstaat de volgende indeling van de geestelijke hiërarchieën volgens de drie oerwezenheden van de wereld.

De Serafijnen behoren tot de hiërarchie van de Vader waarin ze de vertegenwoordigers van de Zoon zijn;
De Cherubim vertegenwoordigen de Geest binnen de hiërarchie van de Vader;
De Tronen zijn de zuivere vertegenwoordigers van het Vaderprincipe.

De Kyriotetes zijn Vader-geesten binnen de hiërarchie van de Zoon;
De Dynameis zijn vertegenwoordigers van de Heilige Geest binnen de hiërarchie van de Zoon;
De Exousia (Elohim) zijn zuivere vertegenwoordigers van de Zoon binnen de hiërarchie van de Zoon.

De Archai zijn Vader-geesten binnen de hiërarchie van de Geest;
De Archangeloi zijn Zoon-geesten binnen de hiërarchie van de Geest;
De Angeloi zijn zuivere vertegenwoordigers van de Heilige Geest.

Aan deze samenstelling, die om te beginnen als schema moest worden gemaakt, is te ontnemen dat de hiërarchie van de Exusia (Elohim) de Christushiërarchie in het wereldgebeuren is. Door hen is de Christuswezenheid het meest actief, want de Exusia zijn de Christusgeesten van de Christushiërarchie.

Nu zijn de Exusia in zeven scharen onderverdeeld. Deze verdeling komt overeen met de zeven planetensferen waarin de Exousia werkzaam zijn. Elke van deze scharen wordt door een wezenheid tot een eenheid samengevat die de leiding binnen de overeenkomstige planetensferen heeft. Daarom spreekt men in het occultisme van de “zeven Elohim” wier totaliteit  de “volheid” (pleroma) van het kosmische leven is, want ze omvat de zeven planetensferen.

Wanneer we dus in wat volgt over de zeven Elohim zullen spreken, dan dient daarbij het feit niet buiten beschouwing te blijven dat daaronder de zeven leidende wezenheden van de hiërarchie van de Exusia bedoeld zijn; maar men dient echter niet te geloven dat de hiërarchie van de Exusia slechts uit zeven wezenheden bestaat.

Wil men Christus begrijpen dan is het juist om de blik op de zeven Elohim te richten als de openbaring van Christus in de kosmos. Wil men anderzijds de zeven Elohim begrijpen dan moet men de blik op het leven van Christus Jezus richten, zoals het bv. in het Johannes-evangelie beschreven wordt. Want als de “volheid”, d.w.z. de totaliteit van de zeven Elohim, in Christus leefde, dan moet toch Zijn werkzaamheid op aarde deze zevenheid geopenbaard hebben.

In het meditatieve beleven van deze openbaring door het leven van Christus op Aarde bestaat de zevenvoudige weg van de christelijke inwijding. Deze weg wordt ook vandaag de dag gegaan; hij behoort alleen tot een van de hogere treden dan diegene trede waarvan de oefeningen in het boek van Rudolf Steiner “De weg tot inzicht in hogere werelden” (deel 1[1]) aangegeven zijn. Er bestaat maar een weg van de christelijke esoterie; alleen de staties van deze weg zijn verschillend.

De Christusstatie van de christelijke inwijdingsweg bestaat uit zeven oefeningen die uit de meditatie van de zeven passiestaties van Christus-Jezus bestaan. Deze staties zijn:

Voetwassen
Gijzeling
Doornkroning
Kruisdraging
Kruisiging (mystieke dood)
Opstanding
Hemelvaart

Door deze zeven gebeurtenissen, die gelijktijdig de meditatiestof voor een bepaalde statie van de weg van inwijding zijn, spreekt het Wereldwoord, de Logos. Het spreekt door zeven tonen, waarvan de samenklank de “volheid”, die in Christus-Jezus leefde, openbaart. Deze zeven gebeurtenissen begrijpen betekent Christus als de “volheid”(pleroma), d.w.z. het samenwerken van de zeven Elohim, de “Elohim-eenheid” begrijpen.

Elke van de zeven gebeurtenissen van de Christusweg komt overeen met een van de zeven Elohim. Zo is de eerste Elohim-wezenheid degene die de geestelijk-etherische stroom “voetwassen” in de kosmos leidt. Want het voetwassen is niet alleen een menselijk maar ook een kosmisch proces. Overal waar het hogere het lagere dient, in plaats van het door macht te beheersen, gebeurt “voetwassen”. Aldus vindt in het lot van elk mens een voortdurend voetwassen plaats, doordat de Engel de mens dient. Want de beschermengelen heersen niet over hun protegees; ze dienen hen doordat ze zich vanuit de geesteshoogste naar de dieptes van het aardse lot neigen.

Men kan ook de witte occultisten niet begrijpen, indien men hun handelwijze niet als voetwassen opvat. Het heerszuchtige is immers het eerste wat ze van zich afleggen; de holheid van de meldingsdrang en uiterlijke prominentie wordt door hen tot in de instinctieve zielenroerselen ondervonden. Ze willen dienen en niets anders dan dienen. De hoogste ingewijden van de mensheid zijn daarom werkzaam in alle stilte; in stilte bekommeren ze zich om de mensheid en bewijzen haar in stilte de grootste diensten.

Als voetwassen een kosmisch proces is dat door de eerste Elohim wordt geleidt, dan zijn ook de andere zes staties van de Christusweg kosmische processen, waarachter de andere zes Elohim staan. Dus kunnen we van de Elohim van het voetwassen, van de gijzeling, de doornkroning, de kruisdraging, de kruisiging, de opstanding en de hemelvaart spreken.

Als we deze staties van de Christusweg beschouwen, dan valt ons een feit op. Namelijk het feit dat Christus voeten gewassen heeft, gegijzeld, doorngekroond, gekruisigd werd, opgestaan en hemelwaarts is gegaan, dat echter het kruis door een ander voor hem gedragen heeft. Zes staties van Zijn weg werden door Hem alleen doorgemaakt; op een statie, degene van de kruisdraging werd Hij door een ander vertegenwoordigd.

Dit feit leidt ons dicht bij het geheim van Jahweh en de zes Zonnen-Elohim. Want het hoort bij de grondwaarheden van de geesteswetenschap dat de volheid van de zes Elohim in Christus als de geest van de zon leefde; een Elohim was werkzaam alleen naast degene wezenheid die in de Bijbel als Jahweh-Elohim wordt aangeduid. Het is de vierde Elohim, de kruisdraging in de kosmos. Hij is diegene wezenheid die de kosmische kruisdraging op zich heeft genomen.

Om de wezenheid van de Jahweh-Elohim en haar betekenis in het wereldgebeuren en in de geschiedenis van de mensheid te begrijpen, moeten we het proces van kosmische kruisdragen beschouwen, hetgeen ons een van de belangrijkste sleutels voor het begrip van het Oude Testament in de hand zal geven.


2. Het geheim van de Maan

De concrete voorstelling die men normaliter met het feit van de dood verbindt is die van het in ontbinding verkerende lichaam. En men pleegt het proces van ontbinding als beeld van de werkzaamheid van de dood in de natuur op te vatten.

Dit beeld is echter in werkelijkheid niet het beeld van de dood. Want de verrotting is slechts het proces van de overgave van de substantie van een levend individueel organisme aan het levende totaalorganisme van de Aarde. Daar is de dood niet aanwezig; er vindt een levensproces plaats. Door de ontbinding wordt in tegendeel de substantie van het lijk aan de dood afgedwongen en in de kringloop van de levende natuur opgenomen.

Het juiste beeld van de dood zou dus niet datgene van het ontbindingsproces zijn, maar datgene van een niet-ontbindend lijk. Want in de ontbinding is het leven van de Aarde werkzaam; alleen in de verstarring openbaart zich de dood. Wanneer een deel van het wereldgebeuren uit de stroom van de tijd uitgerukt wordt zodat het een verstard stuk ruimte wordt, dan hebben we werkelijk met een dood lichaam, met een werkelijk lijk te maken.

Leven is een door de tijd doorstroomde ruimte; dood is het verstarren van de tijd in de ruimte. Wanneer de tijd tot ruimte wordt, zodat die zijn heerschappij over de vorm verliest, besterft deze en wordt hij tot lijk.

Dit heeft men in de oude tijden ervaren. Daarom was het kruis als beeld van het verstarde samenwerken van tijd en ruimte het symbool van de dood. 
      
                                   Ruimte
Tijd

Als we het kruis in die zin opvatten dat het in de ruimte verstarde tijd betekent, dan krijgen we een met de werkelijkheid overeenkomstig begrip van de kruisdraging. De kruisdraging is het verbonden-zijn met een dood, d.w.z. verstard stuk verleden dat men nu eenmaal te “dragen“ heeft, omdat het zelf onbeweeglijk is.

Zo is bv. het feit van de incarnatie van de mens in een mineraallichaam een kruisdraging. Wij “dragen”, doordat we in ons fysiek lichaam minerale substanties opgenomen hebben, ons kruis, ons lijk voortdurend mee. Dus is elk belichaamd mens een “kruisdrager”, want deze draagt een voor de ware wezenheid van zijn fysiek lichaam vreemd dood mineraallichaam.

Maar niet alleen het geïncarneerd zijn in het mineraallichaam is kruisdraging; kruisdraging kan ook op een ander gebied van het bestaan plaatsvinden. Zo kan bv. een tot dogma verstarde, eenmaal levende leer een kruisdraging voor het geestelijke leven van de mensheid betekenen. Het kruis van de religieuze en wetenschappelijke dogmatiek drukt zwaar op de zielen van de mensen die het te dragen krijgen, wanneer ze binnen de cultuur van het Avondland worden geboren.


Nu is echter de kruisdraging niet alleen een menselijk maar ook een kosmisch proces. Net zoals het voetwassen een kosmisch gebeuren is, zo is de kruisdraging dat ook. Waar kunnen we echter in de kosmos het feit van de kruisdraging observeren? Bestaan er in het kosmische leven verschijningen die zich als kruisdraging voordoen? Met andere woorden: waar is het dode lichaam, het lijk in de kosmos te vinden dat door levende kosmische wezenheden wordt gedragen?

De dichters hebben eeuwenlang de “Kuise Koningin der Nacht” in hun gedichten verheerlijkt. De Maan als schenker van het zilveren licht was steeds een thema van dichterlijke bewondering. Wat is de Maan als kosmisch lichaam echter in werkelijkheid? Het is een dood lichaam, een lijk dat om de Aarde heen draait en dat de Aarde op haar kosmische baan met zich meedraagt. De Maan is een stuk verstarde klomp van het aardse verleden – een stuk verstorven verleden dat de Aarde begeleidt.

Zou de substantie die zich als Maan gebald had in het Lemurische tijdperk de Aarde niet hebben verlaten, dan zou al het leven op Aarde gestorven zijn. Want zoveel verstarde doodsubstantie zou het leven op Aarde niet hebben kunnen bolwerken, als de substantie van de Maan met de Aarde verbonden zou zijn gebleven. Dus werd het dodelijk overschot van de Aarde verwijderd in gevolg van een helpende ingreep van de geestelijke wereld. Een van de zeven Elohim die vanuit de zon de vormende impulsen naar de Aarde lieten stralen, verliet het hem passende zonnebolwerk om het verstarde lichaam van de Aarde, de Maan, van de Aarde te scheiden en vanuit daar verder in de toekomst werkzaam te worden. De Aarde heeft de mogelijkheid tot verdere ontwikkeling aan de verheven offerdaad van Jahweh-Elohim te danken. Want als Jahweh-Elohim, door afstand te doen van het zonnebestaan, het kruis van de Aarde, de Maan, niet op zich genomen zou hebben, dan zouden de wezens van de Aarde door de last van dit kruis doodgedrukt zijn geworden.


In de huidige tijd, waar er geen hoge wezenheid meer is die niet belasterd, vertekend en door leugens in het tegendeel omgedraaid wordt, hoort het tot de ernstigste plichten van de antroposofen om wederom woorden van eerbied en waarheid te vinden om de miskende, verdraaide, vertekende, echter des te verheven wezenheid van Jahweh-Elohim als de kosmische kruisdrager in zijn ware gestalte voor de mensheid neer te zetten. Want dankbaarheid is ook jegens de geestelijke wezenheden  onontkoombaar, niet alleen onder ons mensen.

De geestelijke wezenheden hebben uiteraard onze dankbaarheid niet nodig, maar wij zijn het die het behoeven ter wille van onze mensenwaarde. Want het is niet menswaardig om ondankbaar te zijn en leugen, kwaadsprekerij en vervorming van verheven geestelijke wezenheden, waaraan we als mensen ongelooflijk veel te danken hebben, stilzwijgend toe te laten. De Maan-Exusia die tot de schaar van Jahweh behoren, zouden immers gelijk hun broeders het hoge zonneteken over hun aangezicht stralend kunnen dragen, maar ze dragen het zilveren maanteken, omdat het zo beter is omwille de mensheid. Waarlijk niet uit voorliefde voor het dode gebeurde het dat zij, de oerlevendigen, het verstarde lijk van de kosmos, de Maan, verkozen om daar te ademen en te leven, maar om de zwakke vlam van het menselijke op Aarde te redden en te beschermen.


De dichters maakten de Maan tot onuitputtelijke bron van sentimentaliteit voor de mensheid. Maar waar zijn de dichters die voor de ware schoonheid, voor de morele diepte van de kosmische offerdaad “Maan” passende woorden hebben gevonden? Waarom zijn er geen harten die, in plaats van vertederd te raken en in weemoed te vergaan, de vlammen ervaren die in de Maan oplaaien, de offer-liefdesvlammen van Jahweh-Elohim?

Want het offer van Jahweh-Elohim is groter dan dat men het om te beginnen met het verstand kan vatten. Daar moet het hart meewerken om het helemaal te begrijpen. Want niet alleen is Jahweh-Elohim de drager van het kruis, de dood in de kosmos, maar nog meer; hij is degene die het kwaad in de kosmos verbant doordat hij de “achtste sfeer” van de Aarde op afstand houdt.

Nu betreden we een gebied dat tot de geheimen van het concrete occultisme behoort. Maar ook datgene deel van dit gebied, waarvan gesproken kan worden, zal voldoen om de wezenheid van Jahweh-Elohim veel, veel dieper te begrijpen.


3. De achtste sfeer

De stroom van de kosmische evolutie gaat door zeven toestanden of “Manvantaras”. Deze toestanden zijn in “De wetenschap van de geheimen der ziel” van Rudolf Steiner beschreven en door hem Saturnus-, Zon-, Maan -, Aarde-, Jupiter-, Venus- en Vulkaantoestand genoemd. De zeven toestanden van de evolutie worden ook als “sferen” aangeduid, welke echter niet gelijktijdig maar in overeenstemming der tijden zichtbaar worden. Aldus vindt de evolutie plaats, wanneer haar verloop normaal is, door zeven “sferen” oftewel bestaansfasen.

Nu is echter in het kosmische gebeuren de mogelijkheid om af te wijken van de weg van de normale evolutie voorhanden. Die bestaat door de werkzaamheid van de drie hiërarchieën van het kwaad die verzet tegen de drie hiërarchieën van het Goede plegen. En in zover dit verzet succes heeft gehad, heeft zich in de kosmos een “sfeer” (of een bestaanstoestand) gevormd die niet bij de zeven ‘sferen” van de normale evolutie behoren. Het is een sfeer op zich die buiten de normale evolutiestroom ligt.


Over de achtste sfeer bestaan er in bepaalde occulte kringen twee halfware voorstellingen, die echter des te gevaarlijkere gevolgen kunnen hebben, omdat ze uiteraard ook waarheid bevatten.

De ene bestaat in het feit dat men de Maan met de achtste sfeer identificeert. Men zegt dat de achtste sfeer de Maan zou zijn. Ten gevolg van deze halve waarheid verspreidt zich in de breedste kringen de stemming die zich in kwaadsprekerij uitdrukt, hetgeen wederom tot een ontkenning van het Oude Testament leidt, zonder welke echter het Nieuwe Testament in zijn diepte niet begrepen kan worden. De gedachte dat de Maan de achtste sfeer zou zijn, veroorzaakt in brede kringen het gevoel van antipathie tegenover het Oude Testament, waardoor aan het begrip van de Evangeliën de doodsteek dient te worden gegeven.

Men moet nu eenmaal weten dat elke gedachte in verloop van tijd gevoelens oproept die de weg van de wil bepalen, doordat ze deze in de juiste of in de valse richting leiden. In dit geval gaat het echter om een grootscheeps plan om de wil van vele mensen van het Christendom af te leiden.

De andere halfware voorstelling van de achtste sfeer verplaatst deze in het binnenste van de Aarde. De innerlijke lagen van het binnenste van de Aarde zou de achtste sfeer zijn.

Het gevolg van deze opvatting is de miskenning van de Maan, ontkenning van de missie van Jahweh, waaruit de stemming van interesseloosheid tegenover het Oude Testament ontstaat, wat wederom het diepste begrip van de Evangeliën onmogelijk maakt.

Het identificeren van de maan met de achtste sfeer leidt tot de belastering van Jahweh; het identificeren van het binnenste van de aarde met de achtste sfeer leidt tot de miskenning van Jahweh; beide voorstellingen hebben echter een gemeenschappelijke uitkomst: het verhinderen van de kosmische betekenis van het christendom.

Zoals gezegd, beide opvattingen zijn halve waarheden. Ze bevatten net zo veel waarheid als nodig is om het waarheidsgevoel aan de zielen van de mensen te ontlokken; ze bevatten echter ook zoveel onwaarheid om dit waarheidsgevoel in een valse richting te leiden.

Want de waarheid over de achtste sfeer is dat de achtste sfeer, die zich tussen Aarde en Maan bevindt, zowel van de Maan afhankelijk is alsmede met het binnenste van de Aarde in verbinding staat. Het binnenste van de Aarde is datgene deel van de Aarde dat de heerschappij van de achtste sfeer ten prooi is gevallen; de Maan is echter de kosmische vesting van waaruit de achtste sfeer in haar ban wordt gehouden.

Bepaalde lagen van het binnenste van de Aarde vormen het machtsgebied van achtste sfeer binnen de planeet Aarde; terwijl de Maan de achtste sfeer zelf naar zich toe trekt en deze daardoor van de Aarde weghoudt.

Om dit proces te begrijpen, moet men tot een zekere hoogte de eigenschappen van de substantie van de achtste sfeer begrepen hebben.

De fysieke materie die we kennen is iets geestelijks dat verstard is. Doordat het astralische etherisch wordt en het etherische verstart, ontstaat de fysieke stof. Het is onbeweeglijk geworden geest. De fysieke materie is niet uit elementen samengesteld, maar zij valt uiteen in elementen. Doordat de levendige etherische substantie verstart en uiteen valt, ontstaan de “bestanddelen” van de fysieke stof. De chemie heeft daarom alleen met ontbindingsverschijnselen te maken; de organische genese van stof ligt buiten haar ervaringsgebied.

Naast de organische en anorganische substantie bestaat er echter nog de mogelijkheid van een derde substantie. Want naast leven (organische substantie) en dood (anorganische substantie) is de mogelijkheid van een spook  voorhanden. De spooksubstantie is dood noch levend; het beste kan men haar met elektromagnetische substantie vergelijken. Een spook leeft niet; hij is echter ook niet dood, maar gevormd uit gevoels- en bewustzijnsbegaafde elektriciteit.

De grondeigenschap van deze substantie – in tegenstelling tot het etherische – heeft een zuigende werking die ervan uitgaat. Zoals al het etherische steeds een neiging tot stralen heeft, heeft de substantie van de achtste sfeer altijd de neiging om te zuigen.
           
Deze neiging is de uiterlijke uitdrukking van het wezen van het Ahrimanische. Want Ahriman is de wezenheid in de kosmos die ernaar streeft om alle wezens in zich op te zuigen. Daarom vertoont de substantie van de achtste sfeer, die het bolwerk is van Ahriman, dezelfde grondeigenschap.
           
Door deze grondeigenschap van de achtste sfeer wordt ook de wijze begrijpelijk hoe de achtste sfeer op een bepaald oord in de kosmos in de ban kan worden gedaan. Daartoe moest een lichaam worden geschapen dat in aanraking met deze sfeer werd gebracht waarin echter tegelijkertijd voldoende innerlijke weerstandsvermogen voorhanden zou zijn om tegen de zuigende werking van de achtste sfeer verzet plegen te kunnen., d.w.z. om niet in de achtste sfeer te verdwijnen. Er moest dus een lichaam in de kosmos zijn waaraan de achtste sfeer zich zou aanzuigen, dat echter tegelijkertijd door een kracht doordrongen moest zijn die de achtste sfeer zou kunnen doorstaan.

Dit lichaam in de kosmos is de Maan, en de kracht die tegen de achtste sfeer weerstand biedt is het geestelijke geweld van Jahweh-Elohim.

Jahweh-Elohim houdt, vanuit de Maan, de achtste sfeer in de ban. Het gevolg daarvan is het feit dat tot een bepaald tijdpunt de achtste sfeer van de Aarde weggehouden wordt.

Er bestaat geen directe verbinding van de mensheid met de achtste sfeer: deze verbinding kan alleen een indirecte zijn via de omweg door de zesde sfeer van het binnenste van de Aarde.

Voor de mensen is daarom de “hel” nog steeds beneden te zoeken, want geen menselijk wezen is ooit in de achtste sfeer terecht gekomen. Dat dat zo is heeft de mensheid aan offerdaad van Jahweh te danken, die de mensheid tegen de achtste sfeer beschermt.


4. Jahweh in het Aardegebeuren

Uit de voorafgaande samenhang is te zien dat Jahweh-Elohim in de buitenaardse kosmos de bestrijder van Ahriman is. De gevolgen van deze buitenaardse strijd komt de Aarde en de mensheid ten goede, maar de strijd van Jahweh tegen Ahriman vindt plaats buiten de planeet Aarde.

Nu spreekt echter e Bijbel vaak van een direct ingrijpen van Jahweh in het aardse gebeuren. Hij openbaart zich door de elementaire krachten van de aarde, spreekt to de profeten, leidt het lot van volkeren. Deze feiten roepen de vraag op: welk aandeel heeft de wezenheid van Jahweh-Elohim aan het aardse gebeuren? Niet indirect door de Maan, maar door directe deelname waarvan in de Bijbel sprake is?

Om deze vraag te beantwoorden, moeten we het tijdpunt van de aardeontwikkeling beschouwen, waarin het karma van de aardemensheid heeft begonnen. Het is het moment van de “zondeval”, d.w.z. het verschijnen van de luciferische inslag in het menselijke organisme. Deze inslag drukte zich uit doordat het astraallichaam van de mens tegenover de geestelijke hiërarchieën zelfstandig werd. Hij werd van de diepe verbintenis met de wereld losgemaakt, waardoor het karma van de mensheid – nog niet van de individuele mens – veroorzaakt werd.  Want uit het lost-gemaakt-zijn van het astraallichaam van de wereld van de hiërarchieën ontstonden dwaling, ziekte en dood.

Aldus uitte zich de Luciferische inslag; wat echter in de geestelijke wereld deze uiting veroorzaakte was een proces in de wereld van de hiërarchieën dat traditioneel als de “val van de Engelen” kan worden gekenmerkt. Dit proces kan innerlijk begrepen worden door het zich als conflict tussen wijsheidsvolle liefde en hartstochtelijk medelijden voor te stellen. De hiërarchie van de Engelen die tijdens de oude Maanperiode met de astraallichamen van het menselijke organisme zo nauw verbonden waren dat ze de functie van het Ik binnen het menselijke organisme beheerde, nam tijdens de eerste helft van de Aardeontwikkeling afstand van hun macht over het menselijke astraallichaam om plaats aan het menselijke Ik te geven.          

Sindsdien inspireren de Engelen het menselijke Ik, maar op een zodanige manier dat ze diens vrijheid niet beïnvloeden. Zij zijn raadgevers en beschermers; gebieders zijn ze echter niet. Vanzelfsprekend is het gemakkelijk feiten te vinden die deze waarheid “weerspreken” – zoals ook alle vorige gedachten en feiten. Men kan bv. tegenwerpen dar er toch gevallen zijn waar de Engelen niet alleen spreekt, maar ook werkzaam is. Ja, er zijn gevallen waar de invloed van de Engel zo sterk is, dat diens werking tot onderaan het fysieke lichaam reikt.

Tegen deze feiten is niets in te brengen. Ze zijn nu eenmaal waar. Maar wat het begrip van deze feiten betreft, moet, indien men ze slechts als “beïnvloeding” opvat, gezegd worden dat de Engelen het goede menselijke kracht geven, ze echter niet tot het goede dwingen. Ze laten het goede zien en, nadat de mens het vrij gekozen had, maken ze het sterk. Het goede als goed erkennen, moet de mens zelf doen; de magie van het goede behoort echter tot het domein van de Engel[2] of een andere hiërarchische wezenheid, onder wier bescherming de betreffende mens kan staan.

De hiërarchie der Engelen nam afstand van diegene soort verbinding met de mens die op de oude Maan bestond. Dit afstand nemen moet als een daad van wijsheidsvolle liefde, van liefdevolle vooruitzicht opgevat worden.  De Engelen trokken zich van de mensen terug ten einde het menselijke Ik ruimte voor diens ontplooiing te geven.

Een deel van de Engelen gedroeg zich anders dan het weldadige deel. Het waren Engelen die terugschrokken van de beproevingen en gevaren van de vrijheid die de mensheid te wachten stond. Ze hadden medelijden met de mensheid; door hartstochtelijk medelijden bewogen, besloten ze om de mensheid te leiden om haar van de op til zijnde gevaren te besparen. Ze kwamen in opstand tegen het raadsbesluit van de hoogste Goden en sloegen een weg in die tegenstelling tot de weg van de Goden was die het ware heil der mensheid dienden. Want terwijl de voor de ware vooruitgang van de mensheid werkzame Engelen zich van de mensen terugtrokken, van macht afstand nemend, stegen de luciferische Engelen nog dieper naar beneden in het menselijke organisme om de mens geweldloos te verlossen.  Sindsdien heeft elk mens naast zijn beschermengel een luciferische engel, die zo eng met zijn astraallichaam verbonden is dat hij ook een “luciferische dubbelganger” wordt genoemd.


Als het gevolg van de “val van de Engelen”, d.w.z. de wording van de luciferische Engelen tot luciferische dubbelgangers, vond de bovengenoemde verwijdering van het menselijke astraallichaam van de goddelijke leiding plaats. Dit uitte zich als egoïsme, dat zich tegen het einde van de Lemurische periode met natuurgeweld van het menselijke wezen meester maakte.

De mensheid zou volledig van dit egoïsme afhankelijk geworden zijn, indien niet van de zijde van de hiërarchieën een tegenmaatregel zou zijn getroffen. Dit hield in dat van onderaan, uit de etherisch-fysieke mens, een tegenstroom geschapen werd, die het uit de astraal-ik-achtige mens naar beneden stromende egoïsme tegenwerkte. In de diepte van het onderbewustzijn werd in de mens een kracht ingeplant die het voor de ontplooiing van het vrije Ik noodzakelijke evenwicht weer herstelde. Want als de elementaire kracht van de liefde niet in de mens zou zijn ingeplant, dan zou hij volledig aan de elementaire kracht van het egoïsme ten prooi zijn gevallen.

Door de luciferische impuls kreeg de mens een sterke drang naar zelfassertiviteit; door de Jahweh-impuls kreeg hij een niet minder sterke drang tot jij-toewending, tot de toewending naar de ander. Want Jahweh-Elohim was het die in het aardse deel van de mens het liefdesvermogen inplantte. Daardoor kreeg de mens de vaardigheid niet alleen uitsluitend op zich zelf gesteld te zijn, maar ook op de ander. Als tegengewicht van de luciferische ikzucht ontstond in de mens de door Jahweh-Elohim geïmpulseerde jij-zucht.

Men bedenke hoe kras egoïstisch de mensen zouden zijn geworden, als man en vrouw, ouders en kinderen, broeders en zusters en verwanten elkander niet lief zouden hebben, als dus de mens alleen voor zichzelf, omgeven van een abstracte mensheid, een levendige belangstelling zou hebben. Dat de mensheid ook in oeroude tijden, lang vóór het Christusgebeuren, opofferingsvaardig was, heeft zij aan de aardse werkzaamheid van Jahweh-Elohim te danken, die de liefdesvaardigheid in het bloed van de mens ingeplant heeft.

Op Aarde is Jahweh-Elohim de overwinnaar van de versplintering van de mensheid; in de kosmos is hij de overwinnaar van de achtste sfeer. Vanuit de Maan bestrijdt hij Ahriman; op Aarde bestrijdt hij Lucifer.


Men zal de geest van het Oude Testament nooit kunnen begrijpen, wanneer men de historische betekenis van Jahweh als de bestrijder van Lucifer op Aarde miskent. Want juist daardoor onderscheidt zich de Bijbel van andere culturen, bv. de Indische heilige geschriften, dat hij qua stijl, vorm en inhoud vrij van het Luciferische is. Men vergelijke bv. de geschiedenis van koning David uit het Boek der Koningen met de levensbeschrijvingen van een Krishna of een Boeddha, zoals die in de Indische overleveringen voor ons bewaard zijn gebleven. Hier is een zakelijk, geestelijk-realistisch bericht – zonder verfraaiing van het aards-menselijke, zonder vernedering van het geestelijk-goddelijke; daar is een bericht, waar het aards-menselijke alleen in zover voorhanden is als het niets onverbiddelijk als uitdrukkingsmateriaal voor het bovenmenselijk-goddelijke bruikbaar is. Hier komt het op de beschrijving van de geestelijke en uiterlijke feiten aan; daar komt het met name op de beschrijving van bovenzinnelijke gebeurtenissen aan die bovendien sterk geësthetiseerd en gestileerd zijn.

Maar ook qua inhoud onderscheidt zich de Bijbel van de oriëntaalse religieuze oorkondes. De ascetisch-wereldvreemde trek, die typisch is voor de oriëntaalse alsook de christelijke vroeg-kerkelijke literatuur, ontbreekt volledig in de Bijbel. Geen profeet, geen held van het Oude Testament is asceet in de oriëntaalse of christelijke-kerkelijke zin. Aan het kastijden van het vlees wordt in de Bijbel geen enkele waarde gehecht, wel echter het ondergeschikt maken daarvan aan hoge en verre doelen.

Er is uiteraard in de Bijbel ook een soort ascese, maar een zodanige van zuiver zielsmatig-morele aard. Die hield in dat men zijn persoonlijke neigingen aan het gebod der plicht ondergeschikt diende te maken. Vrees, toorn en innerlijke gemakzucht moesten worden overwonnen om daden te verrichten die voor de verwerkelijking van de missie van Israël vereist waren. Zo was bv. het Israëlische volk vreedzaam. Het haatte oorlog en verafschuwde bloed. Desondanks voerde dit volk onverbiddelijke vernietigingsoorlogen tegen volkeren die verderfelijke cultussen opvoerden. Dit is ascese – de overwinning van de eigene omwille van de objectieve noodzakelijkheden – in de Bijbelse zin. Want alleen een dergelijke ascese is vrij van het luciferische, waarvan de ascese in de gangbare zin niet vrij is.

De ascese in de normale zin van het woord, zoals die in de Middeleeuwen in Europa werd opgevat, was in feite een voorbereiding voor de Ahrimanisering van de Europese mensheid. Want wanneer het principe:  elk mens moet een asceet zijn – werkelijk tot de uiterste consequentie zou zijn uitgevoerd, zou dit tot gevolg hebben gehad dat zich incarnerende zielen alleen bij spiritueel minderwaardige ouders  opname gevonden zouden hebben, d.w.z. ze zouden in erfelijkheids- en onderwijsvoorwaarden hebben moeten opgroeien die hun spiritualiteit verdoofd zouden hebben. Ahrimanisering van de geboorte is nu eenmaal het onvermijdelijke gevolg van Luciferische ascese.

De ware christelijke liefde is daarom in de geschiedenis van het Graalgeslacht, dat met Josef van Arimathea begon en met Lohengrin eindigde, te zoeken, in plaats van het monnikendom en eremietendom van de Westerse en Oosterse Kerken. Eveneens is de ascese van de Bijbel een hogere dan degene ascese die in de Upanishads of Puranas bedoeld is. Want in de ascese van de Bijbel openbaart zich de geest van de kosmische kruisdrager, van Jahweh-Elohim, en ze is dientengevolge innerlijke niets anders dan een kruisdraging in het leven. De eigen persoonlijkheid aan de karmische bestemming, de geestelijke plicht ondergeschikt te maken (wat uiteraard ook met vreugde kan worden gedaan), is kruisdraging, is de morele grondimpuls van het Oude Testament.

Zonder begrip van deze morele grondimpuls van de Bijbel wat door het begrijpen van de kosmische en aardse missie van Jahweh mogelijk wordt gemaakt, blijft de Bijbel niet alleen een raadsel, maar ook een steen des aanstoots voor de moderne mens, in wier onderbewustzijn nog echo’s van de katholieke-kerkelijke wereldopvatting naklinken.


Men zal gemakkelijke tegen het bovenstaande kunnen inbrengen: de tijd van het Oude Testament is voorbij; na het mysterie van Golgotha is de mensheid vrij van de bloedbanden. De door het bloed werkzame Jahweh-impuls wordt door de zuiver-geestelijke Christusimpuls vervangen.

Voordat men echter deze tegenwerping maakt, zou men moeten bedenken dat de Jahweh-impuls niet in tegenspraak met de Christusimpuls staat, maar een deel daarvan uitmaakt. Zoals het witte licht zeven grondkleuren tevoorschijn kan brengen, kan de Christusimpuls zich op een zevenvoudige wijze – door de zeven Elohim – openbaren. De Jahweh-impuls is immers een van de zeven openbaringswijzen van de Christusimpuls. En wat door het verschijnen van de “Volheid”, d.w.z. de zes andere openbaringswijzen in Christus-Jezus op Aarde werkzaam werd, was het gebeuren dat bij de Jahweh-impuls de zes anderen ertoe kwamen.

De vrijheid van de bloedbanden houdt niet in dat het bloed betekenisloos werd, maar dat het voortaan bij machte werd niet uitsluitend drager van de Jahweh-impuls te zijn, maar drager van de totaliteit van de zeven Elohim, d.w.z. de volledige Christusimpuls.

Zoals de vrijheid van de bloedbanden in het Middeleeuwen exoterisch opgebouwd war, was deze opvatting een luciferische; zoals ze bv. esoterisch in de Graalstroming opgevat werd, was ze een christelijke. Want in de Graalstroming kwam het niet op het losrukken van het zielenleven van het bloed aan, maar op veredeling van het bloed door niet alleen het naar binnenbrengen van het zielsmatige, maar ook van het geestelijke in het bloed. Daardoor werden de bloedbanden tot een getrouwe uitdrukking en afdruk van geestelijk-karmische banden.

De bevrijding van de bloedbanden na het mysterie van Golgotha houdt nu eenmaal in dat de mensen niet meer door het bloed karmisch verbonden worden, maar door karmische verbindingen bloedmatig verbonden worden. En zoals in de voorchristelijke tijd een huwelijk met een bloedmatige buitenlandse partner een misdaad was, zal men in toekomst steeds duidelijker inzien dat een huwelijk met een karmisch buitenlandse partner niet alleen een moreel, maar ook een bloedmatige misdaad betekent.

In de zesde na-Atlantisch cultuurperiode zal het huwelijk met een geestelijk-karmische verwante net zo de grondslag voor de ontwikkeling door generaties heen vormen als het huwelijk met een bloedmatige verwante bv. in de vroeg-Egyptische tijd de grondslag voor de ontwikkeling door generaties heen was.

We hebben dus de wezenheid van Jahweh-Elohim beschouwd als kosmische kruisdrager die in de kosmos de achtste sfeer en op de Aarde de versplintering bestrijdt en hebben daardoor de vraag over de verhouding van Jahweh tot Christus, tot de hiërarchieën van het Goede en het Kwaad, tot de kosmos en de Aarde beantwoord.

Nu hebben we nog in samenhang met de Jahweh-wezenheid een vraag te beantwoorden, namelijk: wat is de relatie van Jahweh tot het menselijke bewustzijn? Hoe werd Jahweh in het menselijke bewustzijn gekend?

5. De Jahweh-kennis

Er werd in de voorafgaande uiteenzettingen getracht aan te tonen hoe de Jahweh-wezenheid het kosmische kruis draagt, waaraan Christus later gekruisigd werd. Want eer Christus geest van de aarde werd, was het Jahweh-Elohim. Hij was het die in het aardse element actief was toen de Maan alleen een deel van de Aarde was, die tijdelijk ten gunste van de Aarde van haar verwijderd moest worden. Men sprak daarom in oude tijden van zeven planetensferen: Saturnus, Jupiter, Mars, Zon, Venus, Mercurius en Maan. De Aarde noemde men daarbij niet. Men mag echter niet geloven dat men de Aarde als de achtste sfeer beschouwde. De Aarde werd niet als een zelfstandige sfeer onder de zeven andere om die reden niet genoemd, omdat de Maan in haar plaats werd gezet.

De maansfeer, die zich van de Aarde tot de baan van de Maan uitstrekt, is niets anders dan het etherlichaam van de Aarde. Wilde men dus het bovenzinnelijke deel van de Aarde kenmerken, dan sprak men niet van de “Aarde” maar van de “Maan”. Men beschouwde  (en wel terecht) de Maan als het geweten van de Aarde. Want het geweten van de Aarde was de wezenheid van Jahweh-Elohim, die de maanvesting ter bescherming van de Aarde tegen de achtste sfeer opwierp.

Om de Jahweh-wezenheid te leren kennen, hoefde men dus niet het fysiek-etherische deel van de mens, dat het dagbewustzijn tot stand brengt, te verlaten om zich tot het bovenste deel van de mens – het astraallichaam en het Ik – te verheffen. Men kon haar vinden doordat men met zijn Ik in datgene deel van het fysiek-etherische organisme van de mens ontwaakte dat zich tussen het fysieke en etherische lichaam bevindt. Het bloed is deze substantie die dit grensgebied tussen het fysieke en etherische vormt. Er is maar weinig voor nodig om etherisch te worden; anderzijds worden ook de hardste delen van het fysieke lichaam door het bloed opgebouwd.

Jahweh-Elohim was werkzaam in het etherische deel van het bloed;  daar kon de ontmoeting van het menselijke bewustzijn met hem plaatsvinden. Nu is echter het bloed het fysieke orgaan van het menselijke Ik, net zoals het zenuwstelsel het orgaan van het astraallichaam en het klierensysteem dat van het etherlichaam is. Het bloed-bewustzijn is dus het Ik-bewustzijn; de bloed-impuls is de in de voorafgaande alinea gekarakteriseerde, door Jahweh ingeplante liefdesvaardigheid van de mens. En we begrijpen de gehele geschiedenis van de verhoudingen van de mensen tot Jahweh die in de Bijbel beschreven zijn, wanneer we ze als twee door het hele Oude Testament parallel doorlopende lijnen opvatten: de in het onderbewustzijn lopende lijn van de werkzaamheid van de Jahweh-impuls op het bloed en de in het bewustzijn lopende lijn van de Jahweh-kennis in het Ik.

In eerste lijn openbaart zich Jahweh als “wijsheid van het bloed”; in de tweede lijn echter als “wijsheid van het Ik”. Dus behoren bv. de figuren van Thamar en Ruth met name bij de eerste lijn, de lijn van de Jahweh-intuïtie door het bloed. De profeten behoren met name bij de tweede lijn, de lijn van de Jahweh-inspiratie door het Ik.

In de eerste lijn was Jahweh werkzaam als leider van de Israëlitische volksgemeenschap; in de tweede lijn sprak Jahweh door de profeten. Leven en kennis – door deze twee poorten ontmoet de mens de Jahweh-wezenheid. Men dient zich deze dubbele verhouding tot Jahweh zo concreet mogelijk voorstellen. Want Jahweh betekent daadwerkelijk leven voor de leden van de Israëlitische gemeenschap. De woorden van Jobs vrouw: “Zweer de Heer af en sterf”, bevatten letterlijk waarheid. Want Jahweh afzweren betekent dood; de etherische levenskracht van het bloed zou ten gevolge van een zodanige afzwering afnemen. Jahweh, als wezenheid van de II. hiërarchie, had macht over de levenskracht, hetgeen door de zin van Jobs vrouw werd gezegd.


Op die manier was het Israëlitische volk door zijn levenskracht met Jahweh verbonden; maar het was dat ook niet minder door het bewustzijn. Want het hele geestelijke leven van Israël, tot in diens uiterlijke beschaving, had zijn wortels in de Jahweh-openbaring. Niet alleen de wet, maar alle details van de landverdeling, van de speciale taken van de individuele steden, tempelgebouwen in Jerusalem ect. berustten op bewust verkeer met de Jahweh-wezenheid. Jahweh was de bron van alle kennis, kunsten en verordeningen in Israël.

Nu had dit verworteld-zijn in de Jahweh-wezenheid nog een andere kant. Dit was de verhouding tot de dood die typisch was voor de persoonlijkheden van Het Oude Testament. Zij verzetten zich tegen de dood; de toestand na de dood lag buiten hun interessegebied, laat staan hun hoop en verlangen. Men vergist zich daarom, wanneer men deze verhouding tot de dood als materialisme opvat. Want het materialisme beaamt het materiële en ontkent het geestelijke. Bij de persoonlijkheden van het Oude Testament was dit niet het geval.

Ze beaamden de geest die van de uit lichaam, ziel en geest bestaande, d.w.z. gehele mens ervaren kon worden. Het ontzielde mensdom was voor hen niet iets dat volledig was. En ze geloofden dat een meer volkomen mensdom een meer volkomen openbaring van het geestelijke moet worden. Ze kenden – uit ervaring – het verkeer met het geestelijke op Aarde. En ze ondervonden de dood als een pijnlijke afbreuk van dit verkeer. Omwille van de geest die zich in het aardse openbaart, waardeerden het aardse leven, niet omwille van het materiële. Want de verheven geest die ze kenden, Jahweh-Elohim, openbaarde zich alleen in het aardse leven. Dood betekende scheiding van Jahweh-Elohim waarmee men zich met alle vezels van zijn wezen verbonden wist.

Was deze gewaarwording een illusie?


Om deze vraag te beantwoorden, moet de kosmische wezenheid van Jahweh-Elohim nog eens van een andere kant beschouwd worden.

Doordat Jahweh de zon verliet en van de zonnesfeer in de maansfeer afdaalde, hield hij op een Daggod te zijn, zoals die andere zes Zonne-Elohim dat zijn, en werd hij een Nachtgod. Kosmisch beschouwd nam Jahweh afstand van de sfeer van het licht om in de sfeer van de donkerheid af te dalen. Daardoor bracht hij licht in de donkerheid en werd hij tot Lichtgod van de nacht.
           
Zo is het, wanneer men de daad van Jahweh kosmisch beschouwt. Beschouwt men het echter vanuit het aardse gezichtspunt, dan is het omgekeerde het geval. Door afstand te nemen om werkzaam te zijn vanuit de geestelijke zon die rondom de aardse middernacht en tijdens de aardse donkerste kersttijd het helderste straalt, werd hij aards tot Daggod, d.w.z. tot degene wezenheid die in het aardse dagbewustzijn van de mensen beleefd kon worden. Man kon hem ontmoeten doordat men in het fysieke en etherische lichaam was, d.w.z. tijdens de waaktoestand. Maar de aardse dag is kosmische nacht. Aldus werd Jahweh tot de Nachtgod die zich om de middagtijd aan Abraham openbaarde.

In de wereld van het geestelijke licht, in de zonnesfeer, waarheen de zielen der verstorvenen na de Kamaloka-tijd opstijgen, kan Jahweh-Elohim niet worden gevonden.[3] Want hij verliet deze sfeer. Hij verblijft in de maansfeer die de mens op subjectieve wijze, nu eenmaal als “Kamaloka” na de dood ervaart. Daar is de mens met zijn eigen levenslot bezig; hij heeft dan geen vrije blik open voor de wezenheid van Jahweh-Elohim.

Dus zien we dat het ondervinden van de dood als een scheiding van Jahweh, van de kant van de Bijbelse persoonlijkheden niet op een illusie was gebaseerd. Het is nu eenmaal waar dat men door de dood van Jahweh gescheiden werd. Dit was de tragedie van de doodservaringen voor de leidende Israëlitische persoonlijkheden, niet echter materialistische gezindheid zoals men op oppervlakkige wijze vaak aanneemt.

De tragedie van de scheiding van Jahweh door de dood kan nauwelijks dieper ondervonden worden dan de Psalmen-dichter het doet.

“Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil. Want in den dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?” (Psalm 6, 5.6, Statenvert.)

Dezelfde tragische toon vernemen we bij Jesaja, de profeet:

“Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen. De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uw waarheid bekend maken.” (Jesaja 38, 18. 19)

Na de dood houdt de verhouding tot Jahweh op – alleen de levende kan Jahweh kennen. De kennis van Jahweh is een kennis van levenden, want men ontmoet Jahweh in de toestand tussen geboorte en dood, niet echter in de toestand tussen dood en geboorte. Want Jahweh-Elohim is de God van de kosmische nacht – Hij straalt in de duisternis.

Het leven tussen geboorte en dood is nacht van de ziel. Maar de ziel vindt in deze nacht een licht dat voor haar leven betekent. Dit licht van de duisternis is het Christuslicht van Jahweh-Elohim, het teruggeworpen nieuwemaanlicht van de geesteszon van de wereld.

Nu hebben we de noodzakelijkste begrippen opgebouwd om ons in de Bijbel te kunnen oriënteren. De Bijbel als boek van het eugenetische occultisme, van het uitverkoren volk als karmische stroming, de Jahweh-wezenheid als kosmische kruisdrager – dat zijn de begrippen die ons in het verdere verloop van de beschouwingen de grootste diensten zullen bewijzen – als een kennis wekkend klinken in de ziel van de lezer. Deze gedachten zullen zachtjes klinken in de diepten van de ziel – en dat zal voor veel aangelegenheden een intiem begrip kweken waar anders nauwelijks aandacht voor is.

In de volgende beschouwing zal het erom gaan de grondimpuls van het Oude Testament bij zijn intrede in de geschiedenis van Israël te bevatten. Deze grondimpuls openbaren de wegen van drieërlei gestalten van het Oude Testament: Abraham, Isaac en Jacob. De volgende beschouwing zal aan deze drie figuren, als een belangrijk hoofdstuk uit het gebied van het eugenetische occultisme, gewijd.





[1] Het 2de deel van dit boek, dat Rudolf Steiner in 1909 en 1914 heeft aangekondigd, is niet meer verschenen. (Noot van de Duitse uitgever)
[2] Dit geldt alleen voor de huidige tijd. In de toekomst, vanaf de 6de cultuurperiode, zal ook de mens vanuit zichzelf krachten van de witte magie kunnen ontplooien.
[3] Er bestaat in de huidige tijd toch de mogelijkheid om na de dood met Jahweh samen te werken; maar van deze mogelijkheid kunnen alleen de hoogste ingewijden gebruik maken.


* * * 



III

Abraham, Isaak en Jacob



1.      Het beleven van de triniteit

De drie basisvermogens van het menselijke zielenleven, denken, voelen en willen zijn evenzo in de kosmos ingebed als de substanties van het menselijk lichaam. Zoals het lichamelijke leven niet denkbaar is zonder licht, lucht en voedsel, die het gegeven wordt door het buitenmenselijke milieu, zo is het zielenleven niet denkbaar zonder de toestroom uit het bovenmenselijke geestelijke milieu van krachten, wier bronnen als “Vader”, “Zoon” en “Heilige geest” worden gekenmerkt. Onttrekt men licht, lucht en voedsel van het menselijke lichaam dan gaat het te gronde, onttrekt men het kosmische denken, voelen en willen van de menselijke ziel dan verdort het als een afgesneden tak. Want zoals het zenuwstelsel het licht, het ritmische systeem de lucht en het stofwisselingssysteem voedsel nodig hebben, zo hebben denken, voelen en willen het licht van de Geest, de liefde van de Zoon en de kracht van de Vader nodig.

De Grondsteenmeditatie, die Rudolf Steiner als de geestelijke grondslag voor het hoopvol verwachte leven van de antroposofische Vereniging neergezet heeft, is daadwerkelijk een middel ter versterking, verwarming en verlichting van de basisvermogen van de menselijke ziel. Wat de inhoud, woordvorm en ritme ervan betreft is het een denkbaar passend middel om de ziel met de haar verlichtende, verlevendigende en versterkende kosmische geest te verbinden.[1]

Het driehoek van de Vader, Zoon en Heilige Geest in de vierhoek van Oost, West, Noord en Zuid is een geestelijke configuratie die tot de belangrijkste resultaten van geestelijke kennis kan leiden. Het kan ook tot diegene resultaten leiden die het volgende als waar laten blijken.

De mens is op drieërlei wijze op de kosmische geestelijkheid aangewezen. En zijn zielenleven is zo lang harmonisch als hij de innerlijke verbinding met de triniteit van de Geest in stand houdt. Wordt hij echter in zijn verhouding tot het geestelijke eenzijdig, dan wordt hij aan bepaalde gevaren blootgesteld.
Wanneer bv. de mens zich uitsluitend op de Heilige Geest instelt, dan kan hij aan de valse geest, Lucifer ten prooi vallen. Dit kan men begrijpen door het oogmerk te richten op het grondkarakter van het beleven van de Geest, de Zoon en de Vader. Het grondkarakter van het geestesbeleven is vreugde, een beleven van de vreugde van vrijheid. In het traditionele christendom kenmerkte men dit beleven als “Vreugde om de Heilige Geest”. Deze benaming is werkelijk treffend, want het beleven van de geest is altijd door het gevoel van vreugde begeleid. Het is een bezielende vrijheidsbelevenis.

De Zoon beleeft men als een voorbeeld voor de gehele mensheid. Dit beleven is geen vreugde, maar een gewetensbelevenis. Het behelst altijd een waarschuwing om tot een daad over te gaan. Daadkracht is datgene wat uit de Zoonsbelevenis in de ziel stroomt.

De Vader wordt echter noch in vreugde noch in daadkracht, maar in diepste psychische wroeging beleeft. Men kent de Vader doordat men zich als een niets beleeft, doordat men zo diep aangegrepen is dat men zich vernietigd wil weten aan de drempel van de sfeer waarin een zweem des Vaders adem te merken is. Daarom is de Vaderbelevenis een zich verzoenen met de dood. Men verzoent zich met het feit van de dood, omdat men weet dat de Vader daar is. Tranen van schokkende berouw is slechts wat de Vaderbelevenis oproept; ze zijn altijd een teken dat de zoom van de adem der Vaderwezenheid de ziel heeft bereikt.

Wordt de mens in zijn streven eenzijdig, dan kan hij bv. in plaats van naar de Heilige Geest te streven, naar de vreugde van de Heilige Geest te streven. Zoekt men de vreugde van de geest in plaats van de geest zelf, dan valt men ten prooi aan de Luciferische verzoeking. Dit gebeurde bv. met het geestesleven van de oud-Indische cultuur. Deze Indische cultuur had de aanleg om tot de Vaderkennis op te stijgen. Het gebeurde echter niet, omdat oud-Indië een voorkeur had voor het eenzijdige geestesleven. Daardoor werd deze cultuur luciferisch, hetwelk de noodzakelijkheid van het ontstaan van de oud-Perzische cultuur veroorzaakte. Aldus begon het karma van de na-Atlantische culturen.

De eenzijdigheid in het Zoonsbeleven heeft een gezindheid tot gevolg, die ongeveer op de volgende wijze gekarakteriseerd kan werden:

De wereld van daden is de Aarde. Dwaling, lijden en het kwaad heersen niet in de hemel, maar op Aarde. Dus moeten ze ook op Aarde door daden bestreden worden. In de geestelijke wereld zijn de hiërarchieën werkzaam, daar zijn de daden van mensen van geringe betekenis; op Aarde zijn ze echter doorslaggevend. 

In de geestelijke wereld is alles in orde; aan de fysieke wereld moet daarom onverdeelde aandacht gegeven worden. – Desinteresse, gebrek aan belangstelling voor de geestelijke wereld en een uitsluitende concentratie op de zintuiglijke wereld zijn de gevolgen van de eenzijdige instelling op het Zoonsprincipe.  Het ten prooi vallen aan de Ahrimanische verlokking is datgene wat het gevolg van de eenzijdigheid kan zijn.

De eenzijdige benadrukking van het Vaderprincipe leidt in de huidige tijd nog niet in de val van een geestelijke tegenmacht. In de huidige tijd zijn alleen de pseudo-Geest en de pseudo-Zoon, d.w.z. Lucifer en Ahriman als Antichrist werkzaam. Maar in de karmische toekomst zal men aan een derde tegenmacht ten prooi vallen, wanneer men in de huidige tijd fatalistisch ingesteld. Want het fatalisme is de vrucht van een eenzijdige instelling op het Vaderprincipe. Het is de uitdrukking van een volkomen innerlijke passiviteit tegenover de wereld. Deze passiviteit zal echter toekomstig een enorm gevaar worden, wanneer de pseudo-Vader ook werkzaam begint te worden in de wereld. Want de tijd zal aanbreken waarin Adzura als het karma van Ahriman zal optreden, zoals te zijner tijd Ahriman als het karma van Lucifer opgetreden is.

Men kan de drie gevaren van de geestelijke eenzijdigheid alleen in het geval vermijden, indien men de Godheid van de wereld als Drievuldigheid beschouwt. De triniteit van het eeuwig Goede is een eenheid; als eenheid moet ook de menselijke ziel haar beschouwen. Verdeelt ze deze eenheid in stukken, dan valt ze ten prooi aan de triniteit van het Kwaad.

Maar de mens is tot een zekere mate in de tijd altijd eenzijdig. Deze eenzijdigheid past zich mettertijd uiteraard aan; maar op een gegeven tijdpunt benadrukt de mens altijd een van de drie wezenheden van de goddelijke triniteit. Daarbij verschijnen ook – tot een zekere mate – neigingen van de ziel die, indien ze de vrije loop krijgen, tot de gekenmerkte dwalingen kunnen leiden.

Het positieve alsmede het negatieve van het beleven van de goddelijke triniteit moet in het oog gehouden worden om de gestalten van Abraham, Isaak en Jacob te begrijpen. Want deze drie figuren, waarvan de erfelijkheidsstroom en het karma van Israël uitgaat die tot de geboorte van de Messias leidt, zijn de drievoudige goddelijke inslag in deze stroom. Het geheim van het leven en de bestemming van die drie individualiteiten is het geheim van de betrokkenheid van de krachten van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest aan datgene werk van het eugenetische occultisme, dat in het Lucas- en in het Mattheüsevangelie in de vorm van de stamboom, de generatieregistratie van de beide Jezuskinderen samengevat wordt.[2]

De diepe geestelijke impulsen die door de generaties van de voorouders van de twee Jezuskinderen werkzaam zijn, verschijnen voor het eerst in de drie patriarchen. Het zijn nu eenmaal drie patriarchen waarin ze voor het eerst optreden, omdat het drie geestelijke impulsen zijn, wier samenwerken de komst van Christus op Aarde voorbereidden. Deze drie impulsen wortelen in de hemel; ze zijn de uitdrukking van de goddelijke triniteit. Daarom moest aan het begin het beleven van de triniteit in de menselijke ziel met haar licht- en schaduwzijden beschouwd worden om de gestalten van Abraham, Isaak en Jacob niet alleen historisch, maar ook kosmisch begrijpen te kunnen.


2.      De Vadergedachte van Abraham en het Zoonoffer van Isaak

Als we ons vragen: Waarom staan aan het begin van de geschiedenis van Israël drie persoonlijkheden? Waarom was niet een patriarch voldoende om de grondimpuls van de geschiedenis van Israël te leveren? Waarom spreekt de Bijbel van de “God van Abraham, Isaak en Jacob” – dan zijn we nu in staat om deze vragen te beantwoorden. – Aan het begin van de geschiedenis van Israël staan drie persoonlijkheden, omdat als er slechts een zou zijn, de gehele ontwikkelingsverloop van Israël aan een van de drie gevaren van het geestelijke leven – het geestelijke egoïsme, het materialisme of het fatalisme – onvermijdelijk ten prooi zou zijn gevallen. Want de Drievuldigheid is een eenheid, en als men een van haar zijden ervan afscheidt, dan belandt men op een van de drie dwalingen. Opdat dit met Israël niet geschiedde, waren er drie persoonlijkheden die de drie oerimpulsen van de Israëlitische geschiedenis in de erfelijkheidsstroom en het karma van dit volk lieten instromen.

Drie impulsen moesten aan het begin werkzaam zijn, opdat de ontwikkeling van Israël van fatalisme, materialisme en geestelijke egoïsme gespaard zou kunnen blijven. Want ze zou onvermijdelijk een fatalistische richting ingeslagen hebben, indien bv. Abraham alleen de oerimpuls aan de ontwikkeling van Israël zou hebben overgedragen. De gehoorzaamheid van Abraham jegens de wil van de Vader zou, indien die alleen de grondslag voor het geestesleven van Israël gewezen zou zijn, een fatalistisch volk tot gevolg hebben gehad – het was de tot Godsbestrijding gaande eigenwilligheid van Jacob als tegengewicht noodzakelijk, opdat dit niet gebeurde.

Maar de Israëlitische geestesgesteldheid zou zielsmatig abstract gewezen zijn, wanneer ze alleen in Abraham en Jacob verworteld zou zijn. Ze zou een dubbelleven van wet en kracht vertonen, maar de deze verbindende liefde zou niet voorhanden zijn. Zonder de impuls die Isaak overdroeg, zou de Israëlitische geestesgesteldheid harteloos zijn. Want zoals Abraham de gedachte van Israël – Jacob zijn wil – zo belichaamde Isaac het leven van Israël.

Zijn bestemming ontving Israël van Abraham; in Isaak werd deze tot leven gewekt en door Jacob kreeg Israël de kracht dat te volbrengen.

Nooit zou de missie van Israël in staat zijn gewezen om het etherlichaam vast te pakken, wanneer de Abrahamimpuls alleen actief zou zijn geweest. Ze zou dan alleen in het astraallichaam werkzaam zijn geweest – pas door de Isaakimpuls steeg ze neer in het etherlichaam. Maar ze zou het fysieke lichaam niet hebben kunnen doordringen, wanneer de Jacobimpuls er niet aan toegekomen was.

Alleen doordat drie impulsen samenwerkten, kon de hele menselijke natuur aan de missie van Israël dienstbaar worden gemaakt. Want met Abraham, Isaak en Jacob begon de drievoudige erfelijkheidsstroom door de generaties van Israël: de erfelijkheid van de gedachte van Israël in het onderbewustzijn van het astraallichaam, van het offer van Israël in het onderbewustzijn van het etherlichaam en van de overwinning van Israël in het fysieke lichaam.

De Vadergedachte, het Zoonoffer en de Geestesoverwinning waren het die zich op deze wijze in de geschiedenis weerspiegelden. Want de hele geschiedenis van de Oudtestamentische tijd is niets anders dan de vervulling van de vadergedachte en de voorbereiding van het offer van de zoon voor de toekomstige geestesoverwinning.

Zo kunnen we ook zeggen dat het Oude Testament voornamelijk het Boek van de gedachten van Abraham is, terwijl het Nieuwe Testament het Boek van de vervulling van het offer van Isaak is en de Apocalyps echter het Boek van de toekomstige overwinning van Jacob beschrijft. Want het Oude Testament is het boek van de Vadergedachte; het Nieuwe Testament datgene van het Zoonoffer en de Apocalyps het boek van de toekomstige Geestesoverwinning.

Daarom kan men het geheel van de Bijbel pas begrijpen, indien men het Oude Testament begrijpt. Want het Oude Testament is het dat de gedachte van het geheel onthult.

Dit feit belicht ook de gevaren die met de in de huidige tijd steeds sterker wordende verloochening van het Oude Testament zijn verbonden. Sterker nog: het onthult de ware redenen voor deze verloochening. Want deze redenen bestaan in niets anders dan in de bedoeling – verborgen achter verschillende masken – de gedachte van de Bijbel, d.w.z. de kennis van de Christusimpuls, in het menselijke bewustzijn uit te roeien.

De lezer moge dit als een waarschuwing opvatten: elke geestige stroming die de Bijbel in stukken verdeelt en die een van zijn drie delen als minderwaardig verklaart, is werkzaam in de zin van het verborgen kwaad van de wereld, want de schade die daardoor aan de mensheid wordt toegevoegd overstijgt alles wat een zodanige stroming bovendien aan het edele en het ware te berde mag brengen.

De levensloop van Abraham is dus als openbaring van de gedachte van Israël te beschouwen. Dit is niet in dienaard op te vatten dat de gedachten die Abraham heeft gehad de gedachten van Israël zijn, maar is zo op te vatten dat het lot van Abraham de gedachte van Israël belichaamt.

Hier komt het erop neer om de beduidende waarheid in te zien dat het profetendom niet alleen in de verkondiging van het toekomstige door woorden bestaat, maar ook in de verkondiging daarvan door het lot

De toekomst kan ook voorgeleefd worden. Want er bestaan niet alleen voorspellingen, maar ook profetische levenslopen die als zodanig objectieve profetieën zijn. Zulke levenslopen hebben niet alleen betekenis voor de kennis, maar ook de betekenis voor lotskiemen die in het bovenzinnelijke organisme van de Aarde worden verplaatst om zich in het verloop van de geschiedenis van de mensheid te ontplooien.

De levensloop van Abraham hoort men zich als krachtlijnen in het astralische organisme van de Aarde voor te stellen, die de grondrichtingen van het lot van de Israëlitische volksgemeenschap voor de toekomst optekenen. Ze vormen het astralische oerbeeld van het lot van Israël. Abrahams levensloop, als beeld opgevat, kan de volledige geschiedenis van Israël begrijpelijk maken.

Als men bv. de ruimtelijke schouwplaats van Israël neemt, dan omvat hij drie gebieden: Palestina, Egypte en Mesopotamië. Binnen deze drie gebieden speelde zich het lot van Israël af – vanaf de beginfasen tot het mysterie van Golgotha. Nu is het gebied waarop zich het lot van Israël afspeelde hetzelfde waarop Abraham zijn trektochten gemaakt had. Mesopotamië, Kanaän en Egypte zijn immers de landen waarin de kleine stam, wier vorst Abraham was, tijdens zijn trektochten verbleef. De grenzen van Abrahams trektochtengebied bepalen de grenzen van de ruimtelijke schouwplaats van de geschiedenis van Israël. Dat dit geen toeval is, maar een toekomstbepalende maatregel, is te zien uit de volgende Bijbelpassage (Jahweh spreekt tot Abraham):

“Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid […] (Gen. 13:15).
Maakt u op, trek door dit land, in zijn lengte en in zijn breedte, want Ik zal het u geven.” (Gen. 13:17).

Met andere woorden: Er wordt Abraham meegedeeld dat hij trektochten hoort te gaan maken om het gebied te bepalen dat aan zijn nakomelingen zal toebehoren. Zijn trektochten krijgen dus de betekenis van een bezitsneming voor de toekomst. Het land dat Israël dient toe te behoren, moet door Abraham gezien worden. Hij moet het met zijn bewustzijn verbonden hebben. Zijn astraallichaam dient aan de aurische configuratie van dit land meegewerkt te hebben – dan is het land in bezit genomen. Want de ware, niet uiterlijke bezitsneming van een land gebeurt in etappen. Eerst vindt de impregnatie van een bepaalde astralische inhoud in de astraliteit van het land plaats, dan gebeurt – als tweede etappe – de afdaling van deze astralische impregnatie in de etherische krachten van het land, om als laatste ook op het fysieke vlak zichtbaar te worden. Is de derde etappe bereikt, dan hebben we een bepaald gebied waarop een bepaalde karmische gemeenschap van mensen hun opgave ongehinderd kunnen volbrengen d.w.z. ze is in het bezit van een “beloofd land” gekomen.

Op deze manier werden bepaalde streken en gebieden door de leidende geestelijke wezenheden voor bepaalde opgaven voorbereid. Er werd eerst aan een bepaald oord een astralische omhulling geschapen, die dan geëtheriseerd werd om als laatste etappe door fysieke mensen aangevuld te worden. Aldus ontstaan geestelijke centrums in de geschiedenis van de mensheid. Man mag echter het centrum en de mensen niet verwisselen. Men dient nooit te vergeten dat het het oord is dat gewijd is, niet echter de mensen die daar samenstromen. De mensen hebben alleen de plicht in de zin van het gewijde oord werkzaam te zijn. Of ze deze plicht ook vervullen is een aangelegenheid van de menselijke vrijheid.

Een strenge wet is echter op het gewijde oord objectief van toepassing. Het wreekt zich namelijk op de mensen die zijn geest ontrouw worden. Want reeds na een betrekkelijk korte tijd leidt het – op een voor het geestelijke leven voorbestemde oord bedreven – dogmatisme tot astralisch verval en de daar toegelaten compromisgeest tot noodlotsslagen, die het doorwerken van de betrokken mensen aan dat oord onmogelijk maken. Het gewijde oord vernietigt en verdrijft allen die het onwaardig zijn.

Zo stonden de ruïnes van de tempel van Jerusalem in verwachting van de aankomst van waardigere nakomelingen dan diegenen die in Babylonische gevangenschap afgevoerd waren. Er moesten ook eerst al diegenen sterven die in de woestijn de goddelijke leiding door Mozes ontrouw geworden waren, eer het Israëlitische volk onder de leiding van Jozua de gewijde grond van het “beloofde land” mochten betreden. Er leefden anderzijds naast de Jahweh-cultus alleen de laagste cultussen van een in verval verkerende geestelijkheid op het Filistijnse gebied.

Met het algemene begrip “karma” kan men nog niet veel opschieten. Pas wanneer men het karma als een weefsel van het samenwerken van vele wetmatigheden op vele zijnsgebieden opvat, heeft men met de werkelijkheid te maken. En tot de in het karma samengevatte wetten van de werkelijkheid hoort ook de bovengenoemde wet van het gewijde oord.

Vanaf het leven van Abraham viel Palestina onder deze wet. En de trektocht van Abraham op het Filistijnse gebied had juist de betekenis om dit gebied tot een gewijde oord te maken. Want eeuwen geleden werd dit gebied ertoe voorbestemd de grond te zijn die de voeten van Christus Jezus hoorde te betreden.

Maar niet enkel door trektochten alleen gebeurde de impregnatie van de toekomstkiem in het Filistijnse gebied. Abraham groef bronnen (Gen. 26:18), richtte altaren op (Gen. 12:7; 13:18), plantte bomen en riep “den Naam des HEEREN, des eeuwigen Gods, aan.” (Gen. 21:33). Met andere woorden: Abraham stichtte op zijn trektochten centrums van Jahweh-kennis en Jahweh-cultussen. Zijn trektochten hadden ook de betekenis van een verspreiding van een nieuwe mysteriënstroming, namelijk de Jahweh-stroming binnen het gebied van zijn trektochten.

Op deze weg groeide de “stam”, wiens vorst Abraham was. Hij schaarde mensen om zich heen van verschillende stammen en volkeren die echter allemaal een ding gemeenschappelijk hadden: begrip voor de nieuwe openbaring. De preek van Abraham was de grondslag voor de vorming van een nieuw volksdom. Het Jahweh-mysterie was het magneet dat mensen aantrok die geroepen waren de kiem van een nieuw volk te vormen.

Door het woord verbond dus Abraham de mensen van het Filistijnse gebied met de opgave van de toekomst. Toch was het prediken niet de enige toekomstvoorbereidende werkzaamheid van Abraham. Hij volbracht bovendien daden die ook op de drie natuurrijken van het land betrekking hadden. Want de altaren die hij bouwde waren bestemd voor dieroffers, terwijl de bomen die hij plantte en de waterputten die hij groef, daden betekende die in hun werking zich tot het plantenrijk en het mineraalrijk (water) uitstrekten. Op zijn trektochten had Abraham door vier middelen toekomstopgave voorbereidt: spreken, offeren, planten en bronnen graven – en deze vier middelen hadden betrekking op het menselijke, het dier-, het planten- en het mineraalrijk.

Deze daden dient men niet als ceremoniale uiterlijkheden voor te stellen. Het waren mysteriehandelingen die hij volbracht. De zin van deze handelingen begrijpt men wanneer men bedenkt dat de geestelijke wereld in de fysieke wereld door karma werkt.  De krachten van de geestelijke wereld kunnen alleen in het geval op het fysieke plan werkzaam zijn, wanneer menselijke wil hun toegang verschaft. Menselijke daden die met volbewustzijn volbracht worden, zijn poorten voor de werkzaamheid van Goden op Aarde. Zo was bv. het graven van een bron aan een oord waar een spirituele inspiratie was ervaren een mysteriehandeling die de aanwezigheid van deze inspiratiekracht aan dit oord ook voor de toekomst mogelijk maakte. Men gelove niet dat het gesprek van Christus-Jezus met de Samaritaanse vrouw toevallig aan de bron plaatsvond die Jacob gegraven had. De vrouw die uit deze bron water putte, kon Christus zielsmatig vernemen, omdat het gesprek aan de put plaatsvond die in een ver verleden uit mysteriebeweegredenen was gegraven.
Men zal ook de betekenis van de geplante boom niet onderschatten, wanneer men zich van de verklaring van het feit bewust maakt, dat Paulus alleen op het gebied werkzaam kon zijn waar de olijvenboom groeide, zoals Rudolf Steiner in de cyclus “Christus en de spirituele wereld” heeft uitgelegd. (GA 149). 

Wanneer men de levensloop van Abraham beschouwt, dan zijn het vier gebeurtenissen die in zijn leven van uitzonderlijke betekenis waren: De ontmoeting met Melchisedek, de ontmoeting in het bosje Mamre, de geboorte van Isaak en het offer van Isaak – dat zijn de belangrijkste gebeurtenissen in het leven van Abraham, die niet alleen persoonlijke maar toekomstbepalende objectieve betekenis hebben.

Over de ontmoeting met Melchisedek en over de mysterieuze wezenheid die onder deze naam in de Bijbel is bedoeld, heeft Rudolf Steiner in de cyclus over het Mattheüsevangelie het nodige meegedeeld. Maar onder een verder gezichtspunt dient deze ontmoeting nog beschouwd te worden, namelijk onder het gezichtspunt van het begin van de profetentraditie van Israël, die met Abraham begon en met Maleachi eindigde. Want deze traditie begon op het ogenblik dat Melchisedek Abraham zegende. Hij droeg hem diegene vaardigheid over die later door de gehele geschiedenis van Israël door zegen of zalving overgedragen werd. Aldus zegende Isaak Jacob, Mozes zegende Jozua, Samuel zalfde David en zegende Nathan etc. De ontmoeting van Abraham met Melchisedek is daarom het oerbeeld van de geestelijke traditie van het Israëlitische profetendom. Het “ambt van Melchisedek” was een plicht die elke profeet tegenover zijn opvolger moest vervullen.

Met de ontmoeting van Melchisedek begon de historische uitoefening van dit ambt, d.w.z. de geschiedenis van Israël begon in de ware zin van het woord. Want de geschiedenis van Israël is de weg die van het profetische avondmaal van Melchisedek tot het werkelijke avondmaal van Christus-Jezus leidde. Aan het begin van de geschiedenis van Israël schonk de hoge zonne-ingewijde brood en wijn; aan het einde schonk de zonnewezenheid zelf brood en wijn. Van het avondmaal van de wijsheid naar het avondmaal van de liefde – dat is de geschiedenis van Israël.

Waarin bestaat de profetengave die op de aangeduide wijze overdragen werd?
In het verkeer met de geestelijke wereld onderscheidt zich de kennis van de openbaring, zoals de eigen ervaring zich van een gehoorde beschrijving van de fysieke wereld onderscheidt. Zoals men in de fysieke wereld bv. zelf reizen dan wel naar reisberichten van andere mensen luisteren kan, zo kan men in de geestelijke wereld zelf onderzoek verrichten dan wel openbaringen van geestelijke wezenheden ontvangen. 

In het eerste geval zijn eigene inspanningen van de mens actief, in het tweede geval is de genade van de geestelijke wezenheden werkzaam. Bij de eigen kennis onderzoekt de mens; bij de openbaring spreekt de geestelijke wereld.

De profetengave bestond voornamelijk in de vaardigheid om openbaringen te ontvangen. De profeten, in de strengste zin van het woord, deden geen onderzoekingen in de geestelijke wereld, maar spraken namens de geestelijke wereld. Op grond daarvan was bv. de algemene wet van reïncarnatie in de scholen van de profeten onbekend. Het werd hen niet geopenbaard. Men wist alleen dat profeten wedergeboren werden; dat het echter een feit is dat voor alle mensen geldt, wist men niet.

Toch waren niet alle persoonlijkheden van het Oude Testament, die tegenwoordig als profeten gelden, profeten in deze zin. Zo was bv. Daniel geen profeet in de gebruikelijke zin van het woord. Hij was een ingewijde die door eigen inspanningen in de geestelijke wereld onderzoek deed. Hij las in de geestelijke wereld, waarbij hij van eigen vragen uitging. Daarom kenmerkten de wezenheden van de geestelijke wereld hem als de “man van de wil”. Ook koning David was geen profeet, maar een mens die zijn bovenzinnelijke ervaringen aan zijn eigen inspanningen dankte. Evenzo de zoon van Jacob die met de karmische vaardigheid van het “duiden van dromen”, d.w.z. het lezen van de letters van de geestelijke wereld werd geboren.

De persoonlijkheden echter die “gezegend” werden, werden daardoor tot profeten. Dit “zegen” dient men zich niet enkel als uitdrukking van welwillendheid voor te stellen, maar als een werking die bepaalde organen van het etherlichaam, een “lotusbloem” in beweging bracht. Aldus werd een bepaalde orgaan in het etherlichaam (het had ook een fysieke uitdrukking) van Abraham door de zegen van Melchisedek in werking gesteld. Daardoor werd Abraham de eerste profeet van Israël en de grondlegger van de profetentraditie.

Men mag echter daaruit niet de conclusie trekken dat de profeten van mindere betekenis waren dan geestesonderzoekers. Dat is daadwerkelijk niet het geval. Want de openbaring die door de profeten aan de mensheid overgedragen werd, was in vele gevallen voor de mensheid van grotere betekenis dan de resultaten van het eigen onderzoek van individuele onderzoekers. Ja, sterker nog: soms namen ingewijden afstand van het verrichten van eigen onderzoek ten einde hogere openbaringen aan de mensheid overdragen te kunnen. Zij zagen af van eigen kennis, opdat de geestelijke wereld door hen kon spreken.

Op die manier heeft de mensheid de openbaringen die haar door Jesaja toekwamen te danken aan een zodanig afzien. In het geval van Jesaja hebben we met een van de hoogste ingewijden van de oude mysteriën te maken die als profeet in Israël verscheen. Rudolf Steiner deelde het beduidende feit mee dat een aantal ingewijden van de mysteriën in Israël als profeten verschenen. Tot deze ingewijden behoorde ook Jesaja.
Anderzijds dient men ook niet te concluderen dat eigen kennis en openbaring binnen een leven elkaar uitsluiten. In werkelijkheid kwam het voor dat er binnen een leven periodes van openbaring en kennis waren. 

Er kunnen echter ook nog gecompliceerdere wisselwerkingen van beide gedragswijzen jegens de geestelijke wereld voorkomen. De bespreking van zulke gecompliceerde gevallen zou echter van onze directe opgave te ver afleiden. Over het algemeen is het waar dat profeten, in de boven gekarakteriseerde zin, in wezen overdragers van openbaringen waren.

Sinds de ontmoeting van Abraham met Melchisedek begon dus de lijn der openbaring in het lot van Israël. Het was een zelfstandige lijn van verkeer met de geestelijke wereld, die zich van degene der oude mysteriën grondig onderscheidde. Want in de mysteriën van Egypte bv. ging het om de mens uit zijn fysiek lichaam los te weken tijdens de driedaagse tempelslaap; in Israël ging het echter om een neerdalen van geestelijke wezenheden tot aan het fysieke lichaam toe.

Het was het astraallichaam in de mysteriën dat het van het fysieke lichaam losgemaakte etherlichaam zijn bovenzinnelijke indrukken tijdens de tijd van de tempelslaap inprentte; daarentegen werden in de Israëlitische geestesstroming door het etherlichaam indrukken aan het in het fysieke lichaam aanwezige Ik overgedragen.

Aldus begon de traditie van Israël doordat Melchisedek, die het etherlichaam van Seth in zich droeg, Abraham brood en wijn aanreikte en hem zegende, d.w.z. een sterke impuls in het etherlichaam van Abraham deed instromen. Daarom was het het etherlichaam van de grote Zarathoestra, dat Mozes aangenomen had, om nieuwe geweldige openbaringen in het Israëlitische geestesleven te laten instromen.
Men kenmerkte de kennis die door het astraallichaam mogelijk werd gemaakt als de “kennis van water” en het nieuwe bewustzijn dat daardoor gewekt werd als de “geboorte uit het water”.


Nu werd echter de lijn van de oude mysteriëninwijding, die in de nachtdonkere tempelslaap plaatsvond, afgesloten door de in heldere daglicht voltrokken Lazarusopwekking door Christus. Daar trad Christus op als de hoogste inwijdende van de stroming van lichtkennis. Evenzo was het Christus die de lijn van waterkennis afsloot, doordat hij in de holst van de nacht de uit het fysieke lichaam losgeweekte Nicodemus inwijdde. Toen klonken woorden van de noodzaak van de vereniging beider stromingen – de mens moest uit water en lucht wedergeboren worden. En zoals Christus de mysteriëninwijding vanuit het nachtdonker het daglicht inleidde, zo leidde Hij de israëlitische inwijding uit het daglicht het nachtbewustzijn in.
Abraham en Nicodemus – dat zijn de namen die de lijn van de Israëlitische inwijding afgrenzen. Maar Nicodemus is tegelijk een ingewijde van de nieuwe nachtinwijding waartoe de oude daginwijding was geworden.

De methode die als het “Ambt van Melchisedek” werd gekenmerkt, werd derhalve afgesloten in het bovenzinnelijke feit van het geestesgesprek van Christus met Nicodemus. Ze bereikte daarmee haar doel – ze had naar Christus geleid. Maar wat met de abstracte uitdrukking “methode” is gezegd, betekent in werkelijkheid lot, het lot van Israël dat Abraham inaugureerde.

Zoals de openbaringslijn van Israël naar Christus leidt, zo was ook de inhoud ervan de belofte van de geboorte van de zoon. En de belofte van een zoon op zijn hoge leeftijd was datgene wat Abraham bij de tweede grote gebeurtenis van zijn leven, bij de ontmoeting in het bosje van Mamre beleefde. Over de betekenis van deze ontmoeting werd reeds in de eerste beschouwing gesproken in samenhang met het feit van het permanente samenwerken van drie ingewijden. Hier gaat het er alleen om het feit naar voren te brengen dat Abraham en Sarah de belofte van de geboorte van de zoon ontvingen.

Het is moeilijk om over deze dingen in scherp omlijnde begrippen te spreken. Het ligt in de bedoeling van de schrijver om uiteraard alleen op een dergelijke manier te spreken, want dat is de plicht van de huidige tijd. Maar er bestaan toch onderwerpen waar het dermate moeilijk is, dat men gevaar loopt schijnbaar vaag te spreken. Deze vaagheid is dan niet een zodanige van gedachten, maar een zodanige van de onvolkomenheid van het instrument dat ze tot uitdrukking brengt. In het onderhavige geval komt het erop neer de waarheid duidelijk uit te spreken dat de belofte van de zoon van Abraham tegelijk de belofte van de geboorte van de eeuwige zoon mede inhield. De zoon van Abraham betekende voor hem – en ook objectief voor de mensheid – niet alleen een gebeurtenis van zijn persoonlijk leven, maar een openbaring door een werkelijk bijzonder gebeuren. De geboorte van Isaak was op zich een openbaring die in de ziel van Abraham begrip voor het geheim van de verhouding van de eeuwige Vader tot de eeuwige Zoon opwekte.

Hoe was dit mogelijk?

De afdaling van de ziel naar de aardse geboorte gebeurt stapsgewijs. Het normale profane bewustzijn heeft eigenlijk slechts met de laatste etappe van deze afdaling te maken. Het wordt namelijk alleen voor het feit van de geboorte op het fysieke vlak gesteld. Dit feit is echter alleen het onderste deel van de ketting van het geboren worden. Want eer de ziel de wereld van feiten bereikt, daalt ze door de wereld van Imaginatie, Inspiratie en Intuïtie naar beneden. Deze afdaling bleef in het verleden niet altijd voor het bewustzijn van de ouders verborgen; ze zal het ook in de toekomst niet altijd blijven. In het verleden was men in staat het geboorteproces bewust te beleven, eer dit proces de fysieke wereld bereikt had. Men kende in de bovenzinnelijke wereld het neerdalende wezen. Daarom kon men ook de nieuwe aardemens een werkelijke naam geven. De naam drukte de kennis uit die in de bovenzinnelijke wereld door het neerdalende wezen geopenbaard werd.

In de toekomst zal – vooral in het Oosten – deze vaardigheid weer verschijnen. Het eugenetische occultisme zal zich in de vorm verspreiden dat er steeds meer mensen zullen zijn die in het geboorteproces niet alleen de onderste maar ook de bovenzinnelijke etappen kunnen waarnemen. Men zal niet alleen weten dat een mens wordt geboren, maar ook waartoe hij geboren wordt. De missie, het innerlijke woord van de neerdalende ziel, zal men kunnen horen. En men zal wederom naar namen zoeken die met dit woord overeenstemmen. Het zal een kennis van het karma zijn.

Nu is echter het karma van tweevoudige aard. Enerzijds is het een boete doen voor de vroegere schuld. Dit is het aardse karma dat met de zondeval begon. Maar er bestaat nog een hemels karma, een eeuwig karma dat de oergedachte van elke mensenziel optekent. Want elke ziel is een gedachte van de Vader die door alle incarnaties heen als een eeuwige ster straalt. En de zin van het bestaan van het aardse karma, bestaat nu eenmaal uit de eenwording van het tijdelijke, aardse karma met het eeuwige, hemelse karma.

Wordt de geboorte van een ziel op Aarde volbewust verwacht, dan kan ze, door intuïtie en inspiratie zich in haar eeuwige gedachte openbaren, eer ze zich als karakter, temperament en lichamelijke gestalte openbaart. Aldus kende Abraham door het Ik van Isaak de gedachte van het offer van de zoon. Het mysterie van de geboorte van de eeuwige zoon op Aarde en zijn offer was datgene wat Abraham aan de geboorte van Isaak kende. De ster van Isaak openbaarde hem het geheim van het offer van de zoon. Een deze openbaring werd tot wezenskern van de gehele geschiedenis van Israël.

De analogie tussen de dood en de inwijding wordt vaak genoemd. Het ja ook gemakkelijk in te zien dat de sferen die de mens na de dood doorloopt dezelfde zijn als die welke de mens door initiatie betreedt. Dat echter ook de geboorte een initiatieproces kan zijn, wordt zelden gezien. Zoals de etappen van de menselijke kennisweg met de etappen van de opstijging na dood overeenstemmen, zo stemmen de etappen van de afdaling van de openbaring van de geestelijke wereld met de etappen van de afdaling naar de geboorte.

Daar het nu in de profetentraditie op de openbaring aankwam, beleefde men die aan de hand van de geboorte, niet aan de dood. De dood had geen grote betekenis voor het Israëlitische geestesleven; alleen door de poort van de geboorte straalde het licht van de geestelijke wereld. Men zal daarom in de Bijbel tevergeefs naar diegene wijsheid zoeken die door de poort des doods straalt; men zal echter in geen andere oorkonde van de mensheid zo stralend helder de openbaring van de geestelijke wereld door de poort van de geboorte vinden dan in de Bijbel.

Aldus openbaarde zich ook aan Abraham het geheim van de zoon door de geboorte van Isaak. Die betekende voor hem een initiatieproces dat voor de gehele geschiedenis van Israël doorslaggevend was.
Maar van grotere betekenis voor de toekomst was datgene bijzondere gebeuren in de levensloop van Abraham toen hij bereid was zijn zoon op het altaar te offeren. Dit gebeuren is de profetische samenvatting van de gedachte van Israël. Het is een uiterlijk historisch voorgestelde imaginatie van deze gedachte. Generaties keken nadien naar het beeld van de zijn zoon offerende vader en bereidden daardoor hun zielen voor om het mysterie van Golgotha te bevatten.

Om dit gebeuren echter te begrijpen – niet alleen in zijn profetische betekenis, maar ook als menselijke daad – is het noodzakelijk nog eens de goddelijke triniteit te beschouwen, en wel in haar verhouding tot de menselijke vrijheid.

De triniteit is voor het concrete occultisme geen “begrijp” of “principe”, maar het samenwerken van drie kosmische sferen. Boven is de sfeer van de Vader werkzaam, waar de verwekking van de oergedachten plaatsvindt; in het midden is de sfeer van de Zoon werkzaam, waar de uit de Vadersfeer neerdalende gedachten leven ingeblazen wordt; het is de sfeer van het oerleven. Onder de Zoonsfeer is de sfeer van de Geest werkzaam, waar de uit de Zoonsfeer neerdalende verlevendigde Vadergedachten gestalte aannemen, d.w.z. tot oerbeelden worden.

Men kan dus ook van de sfeer van oergedachten, van oerleven en van oerbeelden spreken.
Het kennisproces van de mens is echter het tegenovergestelde van het goddelijke scheppingsproces. Dus is het de kracht van de gedachte die voor de mens de sfeer van de Geest kenbaar maakt; terwijl het gevoel tot aan de sfeer van de Zoon opstijgen kan, en alleen de wil is in staat om door intuïtie tot aan de sfeer van de Vader door te dringen. Voor de concrete aanschouwing doet zich de sfeer van de Geest voor als een in alle kleuren van de regenboog glinsterende en stralende omtrek – de regenboog is ja de tot aan de zintuigelijke waarneming neergedaalde imaginatie van de sfeer van de Geest. De sfeer van de Zoon stelle men zich echter als wit-blauwe wolkenvorming voor. Want deze sfeer behelst geen vormen. Het is een klinkende wolkenachtigheid.

De oude Indiërs bereikten in hun kennis de Zoonsfeer, d.w.z. de sfeer der vormloosheid, de sfeer des doods van de vormen; ze konden zich echter niet tot de sfeer van de Vader, d.w.z. tot de sfeer van de opstanding verheffen. Dit is alleen in het christendom het geval – nadat Christus door de dood naar de Vader ging, opdat “waar Hij is ook mensen mogen zijn.”

Tot deze drie sferen staat het menselijke bewustzijn in een verschillende verhouding. Zo was bv. in de derde na-Atlantische cultuurperiode alleen in de sfeer van de Geest vrijheid mogelijk. Alleen in gedachten kon de mens vrij zijn. De sferen van de Zoon en de Vader waren daarentegen voor de menselijke vrijheid gesloten. Pas in de Nieuwtestamentische tijd, d.w.z. na het mysterie van Golgotha, is ook de sfeer van de Zoon voor de menselijke vrijheid toegankelijk geworden, doordat Christus tot Heer van het karma werd. In de toekomst gebeurt het ook met de sfeer van de Vader; in de Oudtestamentische tijd kwam echter alleen de sfeer van de Geest voor de menselijke vrijheid in aanmerking.

Nu was Abraham een persoonlijkheid die tot aan de intuïtie van de Vadersfeer opsteeg. Dit gebeurde op het beduidende moment dat hij zich met Isaak op de heuvel begaf om daar zijn zoon te offeren. Abraham was in een bewustzijnstoestand waarin de intuïtie van de wil zijn hele wezen beheerste. Met zijn bewustzijn handelde hij vanuit de Vadersfeer. Terwijl hij zijn hand ophief om Isaak te offeren was het niet hij die zijn hand ophief, maar de eeuwige oergrond van de wereld – de Vader. Want in de sfeer van de Vader bestaat er geen vrijheid, geen keuze.

Een zoals Abraham als eeuwige Vader zijn hand om te offeren ophief, zo was Isaak in dat ogenblik de eeuwige Zoon. Want hij weigerde niet om geofferd te worden. Hij was door de inspiratie van de Zoon vervuld. Zijn bewustzijn was in de Zoonsfeer waar er destijds evenzo nog geen vrijheid bestond.

Dus kan men zeggen: Het offeren van Isaak door Abraham was niet slechts profetisch-symbolisch, maar er waren daadwerkelijk de Vadergedachte in de wil van Abraham, en het offer van de Zoon, die zijn leven in alle eeuwigheid overgeeft, in het voelen van Isaak aanwezig. De Vader en de Zoon waren derhalve op dat ogenblik daadwerkelijk aanwezig op het fysieke vlak – als feitenprofetie van de offerdood en van de opstanding. Want het wils- en het gevoelsproces bij het offer van Isaak wijst niet alleen naar het feit van de toekomstige offerdood, maar ook naar het feit van de opstanding. Doordat het offer niet aangenomen werd, beleefde Abraham innerlijk de opstanding van zijn zoon. Want in zijn wil had Abraham Isaak reeds geofferd – dat die voor hem echter  desondanks bewaard bleef, beleefde hij als het wonder van de opstanding.

Het offeren van Isaak is het centrale gebeuren in het leven van Abraham. Daarin zijn de Vadergedachte van Abraham en het offer van de zoon van Isaak zintuiglijk zichtbaar. Daarmee was ook de profetische missie van Abraham vervuld.

Wanneer we nu de levensloop van Isaak beschouwen, dan vinden we dat Isaak vooral een doel nastreefde: het werk van zijn vader vernieuwen nadat het de vernietiging ten prooi gevallen was. Dus ging Isaak voettochten maken en groef hij de put weer op die Abraham gegraven had die echter gedempt was. De gedempte put van zijn vader vulde hij opnieuw met water – dit is een beeld dat het mogelijk maakt om de wezenheid van Isaak dieper te begrijpen. Want we kunnen ook zeggen: zoals de goddelijke Zoon de gedachten van de goddelijke Vader leven inblies, zo verlevendigde Isaak de bron van zijn vader Abraham.
“Als nu Isaak wedergekeerd was, groef hij die waterputten op, die zij ten tijde van Abraham, zijn vader, gegraven, en die de Filistijnen na Abrahams dood gedempt hadden; en hij noemde derzelver namen naar de namen, waarmede zijn vader die genoemd had. De knechten van Isaak dan groeven in dat dal, en zij vonden aldaar een bron van levend water.” (Gen. 26:18,19)

Deze “bron van levend water” is een beeld van het levenswerk van Isaak, dat het duidelijkst en diepst spreekt. Want de levensopgave van Isaak bestond daarin om datgene wat Abraham gekend had te leven. Hij had de missie om in zijn levenslichaam de impuls op te nemen die Abraham in zijn astraallichaam droeg. En omdat het levenslichaam de drager van de herinnering is, stichtte Isaak dus een levendige traditie – het “levende water”, dat door generaties gedronken werd. Isaak gaf de weer opgegraven putten van zijn vader weer de oude namen – hij bewaarde het verleden. Maar dat was niet zijn enige opgave. Hij vond in het heden de bron van levend water. Want dit was de zin van de ware traditie: niet alleen het dichtgegooide weer opgraven, maar ook in het heden te graven om “bronnen van levend water” te vinden.

Het Israëlitische geestesleven bestond ja niet alleen daarin om de openbaring, die door Abraham was gegeven, opgeschreven werd om dan van generatie tot generatie doorgegeven te worden, maar het bestond ook daarin dat vele profeten optraden die, elk te zijner tijd “bronnen van levend water” van inspiratie vonden. Want de waarheid is in wording; de bron moet steeds nieuw water doen uitstromen, anders stagneert het water en is het niet meer levend. Dat laatste gebeurde met diegene stroming van het Israëlitische geestesleven, die door de Schriftgeleerden en Farizeeërs vertegenwoordigd werd. De Schriftgeleerden en Farizeeërs waren nu juist lieden die de stromende, levende waarheid door dode traditie vervingen. Ze hadden de karmische missie om het kruis in het Israëlitische geestesleven te vormen waaraan Christus gekruisigd diende te worden, doordat ze de stroom van de waarheid in de tijd tot verstarring brachten en de ruimte voor de morele fantasie door uiterlijke rechtschapenheid beperkten.

Want het houten kruis op Golgotha was slechts de uiterlijke uitdrukking voor het geestelijke feit dat Israël allang een kruis voor de Messias gereed hield – in de vorm van verstarde kennis en van verstard moraal.
Vergelijkt men de levenslopen van Abraham en Isaak, dan kan men een grondtrek vaststellen die beide levenslopen gemeen hebben – namelijk dat zowel Abraham als Isaak in uitmuntende mate gehoorzaam waren tegenover de geestelijke wereld. Ze waren niet de verkondigers van de vrijheid – wat ze in de wereld plaatsten was gehoorzaamheid. Dit is ook begrijpelijk wanneer men – in de zin van de voorafgaande uiteenzettingen – in aanmerking neemt dat ze vertegenwoordigers van de Vader en de Zoon waren. Als vertegenwoordigers van de Vader en Zoon konden ze in de tijd van de derde na-Atlantische cultuurperiode niet vrij zijn. Anders was het echter bij Jacob. In tegenstelling tot Abraham en Isaak was Jacob de boodschapper van de vrijheidsimpuls in de geschiedenis van Israël. Want hij vertegenwoordigde de Geest waarin vrijheid was.

De concrete verhouding van Abraham tot de geestelijke wereld was het tegenovergestelde van die van Jacob. Bij Abraham was het de wil die vanuit de Vadersfeer geïmpulseerd werd en van waaruit de openbaringstroom in zijn denken insloeg. Vanuit de wil in het denken – dat is de weg van de openbaring die Abraham ten deel viel.

Bij Jacob was het echter het denken  dat tot aan het willen neersteeg. Daar echter in het denken – uit redenen waarvan hier nog sprake zal zijn – vrijheid mogelijk was, was dus ook het door dit denken wakker geroepen willen van Jacob vrij.

De weg van Abraham leidde van de Geest tot de Vader. Zijn missie vervulde Abraham op het moment waarop hij zich volledig aan de Vader overgegeven had. Dit ogenblik was de hoogste etappe van zijn levensweg.

De weg van Jacob leidde daarentegen van de Vader naar de Geest. Het hoogste moment van zijn levensweg was bereikt toen hij de uiterste vrijheid bereikte, doordat hij na de nacht van de geestesstrijd met de boodschapper van God het lot een andere wending gaf. De vrijheid in de Geest – dat was de inslag die Jacob voor de geschiedenis van Israël betekende.

Dit is door het feit begrijpelijk dat Jacob in sterkste mate de Luciferische impuls in zich had opgenomen. Niet dat hij daaraan ten prooi gevallen zou zijn – opgenomen en getransformeerd heeft hij die. Want Jacobs geestesstrijd tegen de boodschapper van God was om te beginnen een daad van verzet, een rebellie. Maar waarmee eindigde deze worsteling? “Ik zal U niet laten gaan, tenzij U mij zegent.” – in deze woorden ligt het laatste stadium van de strijd. En Gods boodschapper zegende Jacob, d.w.z. hij betuigde erkenning van het feit dat Jacob de Luciferische impuls innerlijk getransformeerd had. Want de strijd van de goddelijke hiërarchieën tegen het Luciferische bestaat niet in de bestrijding van laatstgenoemde door geweld, maar daarin dat deze zich innerlijk verwandelt.

De wezenheden van de goddelijke hiërarchieën volbrengen offerdaden die Lucifers bewonderende liefde afdwingen. Door het voorbeeld van offerdaden wordt het Luciferische “bestreden”; door de liefde die ze het afdwingen wordt het innerlijk verwandeld. “Ik zal U niet laten gaan, tenzij U mij zegent.” – dat zijn woorden van de getransformeerde Lucifer. De liefde voor de Geest die niet wijken wil tot de Geest hem aanvaardt, is het wezen van de getransformeerde Lucifer. En Jacob was het die niet uit innerlijke of uiterlijke noodzaak, maar uit vrijheid  de Geest volgde na de noodlottige nacht van de geestesstrijd bij de overgang over de Jordaan. Sindsdien was hij degene die uit liefde de Geest volgde. Daarom werd hij Israël genoemd en zijn naam werd tot de naam, d.w.z. tot de bestemming van volk waarin Jezus werd geboren.
Want de vrije liefde voor de geest was het doel van de geschiedenis van dit volk, de toekomstvrucht van de boom van de wet. Deze vrije liefde voor de Geest was het die de zielen ontvankelijk maakte voor het feit van de aanwezigheid van Christus op Aarde. Want uit de vrijheid van Israël-Jacob gebeurde het dat vissers aan het meer van Genezareth hun netten en boten lieten liggen om degene te volgen die ze niet uit het boek en uit de voorspellingen van de profeten, maar uit liefhebbende harten herkenden. Want ze vroegen niet waar hij vandaan kwam en wiens vaders en moeders zoon hij was – uit liefde kozen ze Zijn weg, want ze waren kinderen van Israël, deze vissers aan het meer van Genezareth.

In Israël-Jacob leefde de samenvatting van de Vadergedachte van Abraham en het Zoonoffer van Isaak als vrijheid in de geest: daarin verkregen de zin en het leven van Israël de kracht die alleen vrijheid geven kan. Want het is niet inspanningsvaardigheid die ware kracht in de geestelijke wereld betekent, maar wil die uit de vrijheid werkt.

Men gelove echter niet dat deze karakteristiek van Jacob in tegenspraak zijn met de overwegingen die aan het begin van het tweede hoofdstuk van deze beschouwingen te vinden zijn. Men bedenke veeleer dat Jacob de zoon van Isaak was, d.w.z. zijn vrijheid was de dochter der gehoorzaamheid jegens de goddelijke liefde die van de hoogten op Isaak neerdaalde. En eerst als zoon van Isaak kon Jacob die persoonlijke liefde voor de Geest ontplooien waarvan zojuist sprake was. Als Isaak en Abraham Jacob niet vooraf zouden zijn gegaan, dan zou Jacobs vrijheid rebellie gewezen zijn. Als Jacob de zoon van Abraham, niet de zoon van Isaak zou zijn geweest, dan zou hij tot fanaticus van de wet zijn geworden. Alleen als derde  kon Jacob datgene worden wat hij was. De gedachte van Abraham en de liefde van Isaak werden in hem eigendom van een vrije persoonlijkheid. Als eerste zou Jacob een belichaming van losbandige willekeur, als tweede een fanaticus van de wet zijn geworden; als derde werd hij tot drager van de geestelijke kracht, d.w.z. van vrijheid in de geest.

Israël-Jacob staat dus aan het begin van de geschiedenis van Israël als een gestalte die niet zonder reden zijn naam aan het volk heeft gegeven, wiens lot de inhoud van het Oude Testament optekent. Daarom zal de volgende beschouwing aan Israël-Jacob gewijd zijn.

* * *                                                                                                           


[1] Over zijn werk aan de Grondsteenmeditatie die Rudolf Steiner voor de heroprichting van de Antroposofische Vereniging samen met de statuten tijdens de Kerstbijeenkomst 1923 in Dornach, Zwitserland heeft gegeven, heeft Valentin Tomberg in 1936 een verslag uitgebracht onder de titel “Die Grundsteinmeditation Rudolf Steiners (Achamoth Verlag, 1993). Voor een Nederlands werk over de betekenis en de inhoud van deze meditatie en later principes genoemde statuten zie “Grondvest der menselijkheid – De Principes van de Algemene Antroposofische Vereniging” van Herbert Witzenmann (http://handvest-der-menselijkheid.blogspot.nl).     
[2] Zie hierover “De Jezusmysteriën” van Werner Greub (http://jezusmysterien.blogspot.nl)




 IV

DE GEESTESOVERWINNING VAN JAKOB


1.      Het ontstaan van de leugen in de mens en in de kosmos

Bij het beschouwen van de levensloop van Jakob valt als grondtrek op dat Jakob reeds bij zijn eerste ademhaling in een strijdperk werd gesteld. Strijden moest hij bij zijn geboorte om het eerstgeboorterecht tegen Ezau; strijden moest hij om zijn innerlijk recht van de eerstgeboorte  tegen het uiterlijke recht van zijn broeder; strijden moest hij om de geliefde Rachel; twintig jaren harde arbeid bij Laban moest hij verricht hebben om te mogen terugkeren naar zijn geboorteland, aan de poort waarvan hij de hoogste strijd – de strijd tegen de boodschapper van God – moest voeren. Men kan terecht zeggen dat Jakob zijn waar lot al vechtend verkrijgen moest – niets kreeg hij cadeau, alles moest hij door overwinning van hindernissen behalen. Het ware levenslot van Jakob was als door een gordel van onware omstandigheden en feiten omgeven; om tot het ware te komen, moest hij zich elke keer door een laag van het onware een weg banen.

Zo was het met zijn positie in het ouderlijke huis, waar hij in waarheid de eerstgeborene zoon was in de zin van het recht op “zegen”, als de geestelijke erfenis van zijn vader; de uiterlijke voorwaarden spraken echter deze feitelijke toestand tegen. Evenzo moest Jakob eerst op de onwaarheid stuiten toen hij dong naar de hand van Rachel; door list en bedrog werd Lea naar hem in zijn tent gevoerd. Ook moest hij lang wachten tot zijn ware vrouw hem zonen baarde waarmee hij zich innerlijk verbonden voelde. Josef en Benjamin waren zijn laatste zonen en de enigen die hij liefhad. Maar ook hier plaatste zich de scheidsmuur der onwaarheid tussen hem en zijn geliefde zonen. Josef werd naar Egypte verkocht, de vader leefde echter vele jaren in het geloof dat een wild dier hem verscheurd had. Ten slotte moest hij ook Benjamin overgeven, doordat hij aan de onwaarheid geloofde dat hij de prijs voor de redding van de hele stam was die de machtige onbekende Egyptenaar bepaald had.

Deze feiten tonen duidelijk aan dat Jakobs weg van het lot in zijn geheel een uiteenzetting met de leugen is. Alle poorten op de ware weg van zijn bestemming waren door leugens versperd; elk feit van zijn leven die met zijn bestemming overeen kwam was door een laag van onwaarheid verhuld. De kennis van het lot van Jakobs weg behoort tot de meest schokkende belevenissen die men aan de hand van de Bijbelse feiten kan hebben. Want in deze weg van het lot openbaren zich geweldige verbanden van niet alleen menselijke maar ook kosmische karmische tragiek.
De aangevoerde feiten van Jakobs levensloop leiden vanzelfsprekend naar de vraag: Waarom was het lot van Jakob zo geaard? Waardoor is dit lot karmisch gemotiveerd?

In de vorige beschouwing werd op het feit van het Luciferische karakter van Jakobs zieleleven gewezen. Jakob was in hoge mate een persoonlijkheid, en sterk persoonlijkheidsbewustzijn was in tijden voor het mysterie van Golgotha alleen bij zulke zielen mogelijk die een sterke Luciferische inslag in zich droegen. Deze inslag bestaat daarin dat het astraallichaam tegenover de omringende geestelijke wereld zelfstandig wordt. Dit gebeurt doordat een zodanig astraallichaam sterke sympathie- en antipathiegevoelens uit zijn innerlijk doet uitstromen, die het astraallichaam met een soort mist, als het ware een wolkenlaag, omringen. Deze gordel scheidt het astraallichaam van de omliggende geestelijke wereld en is de oorzaak ervan dat het daartegenover zelfstandig wordt.

Nu bestaan echter deze sympathieën en antipathieën niet uit het samenleven met de engel, maar uit het samenleven met de Luciferische engel. Laatstgenoemde inspireert de mensen op een zodanige manier dat hij zijn inspiratie niet door het poort van het menselijke Ik, maar direct in het astraallichaam doet instromen, d.w.z. hij werkt dieper naar beneden dan de normale engel. Daardoor geschiedt het dat zijn inspiratiestroom, zonder omschakeling aan de grens van beide wezensdelen, direct in het etherlichaam naar beneden stroomt, waar echter deze stroom in zijn tegendeel verkeert. Want hier geldt de wet van weerspiegelling in verhouding van de individuele wezensdelen van de mens tot elkaar. Wanneer bv. in het astraallichaam een naar boven gerichte driehoek in het bewustzijn leeft, dan zal die, mits het niet door het ingrijpen van het Ik op de juiste wijze naar beneden gedragen wordt, zich in het etherlichaam als een naar beneden gerichte driehoek weerspiegelen.

(Hier ontbreekt nog een tekening van twee tegenovergesteld driehoeken, die later toegevoegd zal worden.)

Op deze wijze geschiedt het dat de Luciferische engel de leugen veroorzaakt. Hij verzelfstandigt het astraallichaam tegenover de geestelijke omtrek om het geheel onder zijn invloed te hebben. Dan inspireert hij het astraallichaam) waarbij deze inspiratie bij het afdalen in het etherlichaam de onwaarheid veroorzaakt. Als gevolg van dit proces wordt het astraallichaam door een gordel van valse imaginaties omringt. Er wordt een sfeer omheen gevormd die de weerspiegeling van datgene optekent van wat de Luciferische engel in het astraallichaam ingeboezemd heeft.

De Luciferische engel inspireert geen onwaarheid; zijn inspiratie is geheel en al geldig binnen de astralische wereld. Maar de manier waarop hij het doet veroorzaakt onwaarheid in het etherlichaam. Deze onwaarheid verdicht zich in de vorm van de het etherlichaam omringende gordel. Laatstgenoemde is niet transparant; hij werpt een schaduw in het innerlijke van het etherlichaam. Op die manier ontstaat verduistering van bepaalde delen van het etherlichaam. En deze duisternis is juist de ruimte waar Ahriman kan ingrijpen. De Ahrimanische dubbelganger nestelt zich in diegene gedeeltes van het etherlichaam die door de Luciferische engel verduisterd zijn geworden. Aldus treedt Ahriman als het karma van Lucifer op.

De Ahrimanische dubbelganger is een vaak met geraffineerde intelligentie begaafde wezenheid die zich aan het verduisterde deel van het etherlichaam vastzuigt. Van daaruit werkt hij verduisterend op het bewustzijn van de mens. Men stelle zich echter de van de Ahrimanische dubbelganger uitgaande duisternis niet enkel als afwezigheid van licht voor. Deze duisternis is veeleer een tegenlicht of een tegen-intelligentie tegenover de intelligentie van de hiërarchieën waartoe ook de zuiver menselijke intelligentie, als de vierde hiërarchie behoort. Verhult de Luciferische engel het licht van de hiërarchieën, dan stroomt de Ahrimanische dubbelganger actieve duisternis uit. Dit dooft het bewustzijn van het geestelijke in de objectieve werkelijkheid uit en stroomt leugens uit in de fysieke objectieve omtrek. Op die manier geschiedt het dat de door de Luciferische engel veroorzaakte subjectieve onwaarheid door de Ahrimanische dubbelganger tot objectieve leugen wordt gemaakt.

Dit is het ontstaansproces van de leugen in het menselijke lot. In de kosmos is het proces een soortgelijke. Men stelle zich om te beginnen de wereld van de hiërarchieën als het uit de Godheid stromende licht voor. Nu geschiedt het binnen deze lichtwereld dat Lucifer met betrekking tot de vraag hoe de mensheid door de Goden geleid dient te worden, zich in oppositie tot de Goden stelt. Hij wil op een andere wijze de mensheid leiden dan het de Goden doen (zie de 2de beschouwing). Daardoor wordt Lucifer tot een hindernis voor het licht der Goden. Vanuit de geestelijke wereld werpt hij een schaduw naar beneden. Deze schaduw levert Ahriman het kosmische aangrijpingspunt dat het hem mogelijk maakt de evolutie binnen te treden. Want zonder Lucifers schaduw zou Ahriman geen enkele mogelijkheid hebben om in de evolutie in te grijpen – hij zou altijd overstraald en verblind zijn van het licht der hiërarchieën. Noch zou hij werkzaam kunnen zijn, want er zou geen arbeidsveld voor hem daar zijn, noch zou hij kunnen observeren, want het licht der hiërarchieën is ondoordringbaar voor Ahrimans blik. Maar doordat Lucifer een lichtloze ruimte schept, is de grond gelegd waarop Ahriman zich ontplooien kan.

Hoe kan men zich de “schaduw” die Lucifer in de kosmos veroorzaakt voorstellen?

De zon straalt niet alleen ’s middags maar ook ‘s middernachts. Haar daglicht is fysiek; haar nachtlicht is geestelijk. Het was Lucifer die het geestelijke stralen van de zon dieper naar beneden verplaatste. Aldus werd een deel van het geestelijke licht van de zon tot fysiek licht. Dit fysieke licht van de zon is echter de schaduw van de geestelijke wereld die van de zon valt. Het zichtbare licht van de zon is de Luciferische schaduw in de kosmos.

Het feit dat Lucifer zijn werkzaamheid dieper naar beneden verplaatste, had echter beduidende volgen voor het etherische organisme van de Aarde. Er vormde zich namelijk – als gevolg van de bovengenoemde wet van weerspiegeling – een etherische sfeer, een gordel om de Aarde, waar onware weerspiegelingen van de waarheid van de geestelijke wereld het etherlichaam omringen. De Luciferische sfeer omringt de Aarde (zie de voordracht van Rudolf Steiner van 7 oktober 1923 over de Paasimaginatie, GA 223/229; vertaald als “Het kringloop van het jaar”) en die is het die de schaduw van het licht van de geesteszon in het aardse bestaan werpt.

De door Lucifer geworpen schaduw maakt, zoals gezegd, het Ahriman mogelijk om echter ook in het aardse gebeuren in te grijpen. Zoals de individuele mens een Ahrimanische dubbelganger kan hebben, zo heeft de Aarde als levend wezen die ook.  De achtste sfeer die Jahweh van de Aarde afleidt is de Ahrimanische dubbelganger van de Aarde.[1] In Lucifers schaduw ontstond, als de Ahrimanische dubbelganger van de Aarde, de achtste sfeer in de kosmos.
In de 2de beschouwing was er, in samenhang met de missie van Jahweh-Elohim, sprake van de substantie en grondeigenschappen van de achtste sfeer. Hoe dient men zich echter de luciferische sfeer voor te stellen?

2.    De Luciferische sfeer

Een sfeer in de kosmos begrijpen, betekent zo veel als in staat te zijn de vraag te beantwoorden: welke moreel-geestelijke intenties liggen ten grondslag aan deze sfeer? Want de uiterlijke beschrijving van een geestelijke werkelijkheid is waardeloos als die niet een beeld van een bepaalde waarheid is. De concrete feiten zijn alleen in zo ver van betekenis als ze tot begrip van waarheden bijdragen; initiatie betekent niet vermeerdering van de kwantiteit van niet-begrepen feiten, maar inzicht in het door hen geopenbaarde geheim. 

Doordringende kennis is het doel van de initiatie, niet het louter aanschouwen van het feitenpanorama. Want de initiatieweg is een weg die tot verbinding met de kosmische intelligenties leidt, d.w.z. tot begrip voor de bedoelingen van de geestelijke hiërarchieën. Dat deze bedoelingen alleen aan de hand van symptomatische feiten van zintuiglijk en bovenzinnelijk waarneembare natuur begrepen kunnen worden is uiteraard waar; maar deze feiten hebben daarbij enkel een symptomatische betekenis, als uitdrukkingsmiddel voor bepaalde moreel-geestelijke waarheden.

Men vergelijke bv. de beschrijving van de bovenzinnelijke werelden die C. Leadbeater[2] in zijn werken (Het astrale vlak, het mentale vlak etc.) met de schildering van deze werelden door Rudolf Steiner. Terwijl Leadbeater de bovenzinnelijke werelden op zo’n manier beschrijft dat de lezer zonder inspanning van zijn intelligentie zijn geheugen door een aantal feiten verrijkt, schildert Rudolf Steiner de bovenzinnelijke werelden zodanig dat de lezer de moreel-geestelijke zin van deze werelden kan onderkennen, d.w.z. hij weet dat zijn intelligentie verrijkt is. Het begrijpen van de grote geheimen van het bestaan vormt de grondslag van het initiatieprincipe van de Rozenkruisers (Rozenkruisers in de principiële, niet de traditionele zin van het woord). Daarmee is dit principe uiteraard niet uitputtend behandeld, want de grote ingewijden leiden niet alleen een kennis- maar ook een liefdesleven en brengen offers, maar de grondslag vormt het Michaëlsprincipe van intelligentieverrijking.

Daarom is het geen intellectuele speculatie maar enkel een trouwe inachtneming van het bovengenoemde principe van onze geestelijke beweging, wanneer we de vraag te stellen naar de moreel-geestelijke intentie die aan de Luciferische sfeer ten grondslag ligt.

In het menselijke cultuurleven kunnen twee beduidende wilsrichtingen geobserveerd worden. De ene uit zich in het zoeken naar wegen en middelen om de dood uit het menselijke lot weg te cijferen. Zo heeft bv. de Amerikaan Mulford een boek geschreven met de titel “The Crime of Dying”.[3] In dit boek spreekt hij de overtuiging uit dat dat de mensheid, mits ze een andere wilsrichting inslaat, het sterven uit de wereld zou kunnen helpen. De onzin van het gescheiden-worden van het lichaam zou dan kunnen ophouden. De mensen zouden eeuwig een lichamelijk bestaan kunnen leiden. Onsterfelijkheid in het lichaam is datgene wat de ene wilsrichting nastreeft.

De andere wilsrichting streeft naar eeuwige zaligheid in het lichaamsvrije bestaan. In de Oriënt, maar ook in het kerkelijke christendom zijn er vele mensen die vol verlangen opwaarts naar de hemel kijken en plechtig vervullen wat van hun religieuze bekentenissen voorgeschreven is ten einde op te gaan in de eeuwige zaligheid. De bevrijding van het aardse tranendal, het nimmer-meer-geboren-worden is wat het innerlijke pathos van deze mensen uitmaakt.

Zou de eerste wilsrichting volledig tot ontplooiing komen, dan zou de mensheid aan het einde van de aardeontwikkeling de achtste sfeer ingaan. Want de achtste sfeer is nu eenmaal het oord in de kosmos waar men zich buiten het bereik van het menselijke karma, dat dood en geboorte omvat, bevindt. Daar hoeft de ziel het lichaam niet meer te verlaten, want ze put geen kracht meer uit het bereik van de hiërarchieën, maar put ze uit Ahriman, van wie ze een deel zal zijn geworden.

Zou daarentegen de andere wilsrichting volledig tot wasdom komen, dan zou de mensheid reeds tijdens de zesde cultuurperiode de Luciferische sfeer ingaan. Want de Luciferische sfeer is het “paradijs” van alle levenshaters die het leven niet aankonden en gek geworden zijn. Het is de sfeer van de “bevrediging” die een neerstijgen naar een nieuwe geboorte op Aarde onnodig doet schijnen.
De Luciferische is het “valse Devachan” in de kosmos; de achtste sfeer echter kan als de tegen-Kamaloka worden begrepen. Het streven om niet te sterven is eigenlijk de vlucht van het gericht van de Kamaloka-toestand; het is het willen vermeiden van de ontmoeting met het wereldgeweten. En de achtste sfeer is juist het oord waarin het wereldgeweten geen toegang heeft.[4]

De Luciferische sfeer is daarentegen een “Devachan”, van waaruit niet aan de verdere ontwikkeling van de Aarde en de voorbereiding van de toekomstige incarnaties wordt gewerkt, maar waar men de zaligheid van de bevrijd-zijn geniet. Eigenlijk is ze de morele omkering van het werkelijke Devachan. Want terwijl de blik van de wezens van het werkelijke Devachan de Aarde is toegewend, is de blik van de wezens van de Luciferische sfeer weg van de Aarde gericht. In het werkelijke Devachan wordt een ongelooflijk werk ten goede van de aardeontwikkeling verricht; zijn zaligheid is de zaligheid van het actieve dienen. In de Luciferische sfeer gaat het om de zaligheid van het rusten in tevredenheid; zijn zaligheid is die van het dromen.

Vlucht voor het geweten van de wereld – is het streven dat de richting naar de achtste sfeer inslaat; verdromen van het geweten van de wereld – is de weg naar de Luciferische sfeer.

Gezien vanuit het standpunt van de kosmische realiteit, is de Luciferische sfeer die van het objectieve kosmische fantasma; ze is het rijk der leugen (want elk fantasma is een leugen in de kosmos). Spook en leugen: dat is het wezen van de achtste sfeer en de Luciferische sfeer.

Nu wordt echter elke leugen mettertijd tot een spook.  Want in de schaduw van Lucifer houdt Ahriman huis. Daarom is het uiteindelijk het lot van de Luciferische sfeer (tenzij van de kant van de hiërarchieën niet ingegrepen wordt) om ten prooi aan Ahriman te vallen. Zo zal het in het macrokosmos geschieden, zo geschiedt het in het microkosmos, in de mens. Het behoort tot de meest schokkende observaties die men in het leven kan maken – het proces van Ahrimanisering van persoonlijkheden die hun Luciferische aanleg een langere tijdspan gebotvierd hebben. Daar vindt de geheime metamorfose plaats van het Luciferische zieleleven in een innerlijke techniek die doelen dient die met de oorspronkelijke bedoelingen van de betreffende persoonlijkheid niets meer gemeen hebben.
De Luciferische sfeer grenst direct aan de sfeer van de Heilige Geest, waarvan ze de weerspiegeling is. Om dus de sfeer van de Geest te bereiken moet het bewustzijn eerst de haar verhullende Luciferische sfeer passeren. Om tot de waarheid te komen, moet eerst de haar omringende leugen overwonnen worden. De overwinning daarvan bestaat erin dat de gewetenskracht van de ziel de weerspiegelingsnatuur van de Luciferische sfeer onderkent en daardoor tot de waarheid van het haar voorgespiegelde voortschrijdt. De omduiding van de Luciferische sfeer door de kracht van het geweten betekent het uitzicht openen op de sfeer van de Geest.

Aldus wordt de mens bv. voor de waarheid gesteld, naar boven op te stijgen dan wel af te dalen naar beneden op de Aarde. Kiest hij voor opstijging “in de regionen van de eeuwige geest”, dan treedt hij de Luciferische sfeer binnen. In werkelijkheid stijgt hij dan niet op, maar beweegt hij zich in een cirkel om de Aarde heen. De opstijging is dan niets meer dan een illusie. – Kiest hij echter de offerende afdaling doordat hij een zorgende blik op de Aarde van zijn medemensen richt, dan stijgt hij juist daardoor in de sfeer va de Heilige Geest op. Geestelijke opstijging verschijnt in deze sfeer als afdaling.

Nu is de Luciferische sfeer niet enkel een om de Aarde heen zich bewegende ring, maar ook een som van krachten die in het aardegebeuren werkzaam kunnen zijn. En deze krachten zijn altijd actief op Aarde wanneer het onware in het lot van mensen plaatsvindt. In het karma van de mens, dat zijn ware vooruitgang betekent, doet de mogelijkheid van een valse weg van het lot zich voor. Dit gebeurt als het karma van de Luciferische inslag in de mens, en hoe sterker deze inslag in het vorige leven van de mens actief was, hoe dichter omringt de ring van de onwaarheid al het ware in het lot van de betrokken mens.[5] Daardoor werd juist de mens tot vrijheid onderwezen, in dat hij de keuze moest maken tussen de in zijn lot werkzame sfeer van Lucifer en de sfeer van de Heilige Geest. En in een uitzonderlijke mate was het Jakob die op zijn levensweg voor die keuze werd gesteld. En daarom was hij het die tot de vertegenwoordiger van de vrijheidsimpuls in de Israëlitische geschiedenis werd uitverkoren.

3.     De drievoudige geestesoverwinning van Jakob

In de zin van de boven gemaakte uiteenzettingen ligt het rijk van de onwaarheid niet slechts in het menselijk innerlijke, maar is het een karmische zijstroom, zowel in het kosmische alsook in het menselijke lot. En het moest zo zijn dat Jakob in deze stroom geboren werd. Want reeds in het moederlichaam streden de tweelingen Jakob en Ezau om het eerstgeboorterecht. De onwaarheid bleef echter de overwinnaar: Ezau werd als eerste geboren. Dat zijn eerstgeboorte echter in geen verhouding tot de innerlijke waarheid stond, blijkt duidelijk zowel uit het feit dat Ezau zijn eerstgeboorterecht voor een linzenschotel verkocht, alsook uit het feit dat Jakob later tot de werkelijke voortzetter van de traditie van Israël werd. Het gehele verloop van de geschiedenis van Israël is een bewijs daarvoor dat Jakob werkelijk de eerstgeborene was.

Dit had Jakob ingezien; dat wist ook zijn moeder. Isaak echter werd blind en kon de ware feitelijke situatie niet doorzien. (Het blind worden van Isaak was een proces dat naar een bepaalde wetmatigheid van de Israëlitische openbaringsstroom wijst; namelijk dat de openbaring in de regel na een bepaalde leeftijd ophield.) Dus moest Jakob voor zijn ware positie in het ouderlijk huis strijden. Dat lukte hem; maar hij moest, om aan de wraak van zijn broeder te ontkomen, zijn ouderlijk huis verlaten en naar Mesopotamië trekken.

Dit was de eerste overwinning in Jakobs leven. Zij bestond in de zegevierende uitkomst van het conflict tussen een innerlijke overtuiging en de Maya van de uiterlijke omstandigheden. De in hem stralende gedachte bleek machtiger dan de hem omringende feiten.

Nu had echter deze overwinning bepaalde geestelijke gevolgen. Doordat Jakob zich niet in de war liet brengen door de eerste laag van de onwaarheid in zijn lot, kreeg hij een eerste inzicht in de sfeer van de waarheid, d.w.z. in de sfeer van de Heilige Geest.

Door in een deel van de Luciferische sfeer door te dringen, kreeg hij zicht op het overeenkomstige deel van de sfeer van de Heilige Geest.[6] Nu is de sfeer van de Heilige Geest die van de werkzaamheid van de derde hiërarchie: Angeloi, Archangeloi en Archai zijn werkzaam vanuit deze sfeer als vertegenwoordigers van de Geest, Zoon en de Vader binnen de sfeer van de Heilige Geest. En doordat Jakob de gedachte van zijn lot tegenover de uiterlijke feiten, die hem weerspraken, stand hield, werd de sfeer van de Angeloi voor hem geopend als het onderste deel van de geestessfeer. Dit vond plaats  toen hij op de vlucht naar Mesopotamië te Beth-El in slaap viel en de openbaring van de Angeloi-hiërarchie in het nachtbewustzijn beleefde, die in de Bijbel als “Jakobs droom van de hemelladder met opstijgende en neerdalende engelen” beschreven wordt.

“En zie, op de Aarde stond een ladder, waarvan de top de hemel raakte, en zie, de engelen van God klommen daarlangs omhoog en omlaag. En zie, de HEERE stond boven aan die ladder en zei […] ‘In u en uw nageslacht zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.’” (Gen. 28:12-14)

Doordat Jakob de onwaarheid van zijn geboorte overwonnen had, werd hem door het rijk der engelen zijn missie van de geboorte, waartoe hij beroepen was, geopenbaard, d.w.z. zijn kennis van de hiërarchie der engelen gebeurde onder het gezichtspunt van het eugenetische occultisme. De eerste stap van het eugenetische occultisme is die dat de mens in het bewuste verkeer met de wezenheden van de Angeloi-hiërarchie treedt. Het eugenetische occultisme bestaat niet daarin dat de leerling algemene wetten leert kennen, maar vooral daarin dat hij in bewust verkeer met de wezenheden treedt die de geheimen van de geboorte kennen. De ware horoscoop wordt niet via het rekenen gevonden, maar via het verkeer met bovenzinnelijke wezenheden.  Wat bv. de engelen  aan de mens meegedeeld hebben, dat is de horoscoop in de ware zin van het woord. Dit verkeer vond altijd plaats – afgezien van een karmische onderbreking in de 13de en 14de eeuw – en er bestaat daarom in het Avondland een permanent kennismatige voortschrijdende “traditie” van het eugenetische occultisme. Het zou ook niet juist zijn om aan te nemen dat deze traditie alleen binnen het duistere en twijfelachtige occultisme beoefend wordt. De tegenwoordige werkzaamheid van het goede in de geschiedenis van de mensheid dient men toch niet te ontkennen, ins bijzonder nadat Rudolf Steiner zo veel van de geestesstroming van de Rozenkruisers heeft meegedeeld, die elke eeuw een kennisvooruitgang te boeken heeft.

De kennis die Jakob in het nachtbewustzijn opdeed, kwam overeen met de stap van het eugenetische occultisme die met de kennis van de Angeloi-hiërarchie overeen kwam. Er werd aan Jakob de grondeigenschap van de Angeloi geopenbaard. Die bestaat daarin dat de beweging van de engelen een verticale is. De engel verkeert permanent in een op- een neerwaartse beweging. Zijn opgave is om de geestelijke wereld met het op Aarde levende menselijk Ik te verbinden. Hij stijgt op om de grote bedoelingen van de geestelijke wereld te vernemen; hij daalt neer om het aardse gebeuren door de bemiddeling van het menselijke Ik in de zin van deze bedoelingen te leiden. Het verticale  is de wetmatigheid van de werkzaamheid van de Angeloi-hiërarchie.

Men begrijpt de werkzaamheid van de engel door zich een lijn voor te stellen die het hart van de mens met zijn boven het hoofd stralende ster verbindt. Deze lijn komt overeen met de beweging van de engel die ervoor zorgt om de verbinding tussen boven en beneden in stand te houden. Begrijpt men op intieme wijze deze lijn, dan begrijpt men ook de tragiek van de Angeloi-hiërarchie. Want met de toename van het materialisme werden de twee eindpunten van deze lijn steeds meer tot tegenstellingen. Steeds moeilijker wordt het de engelwezens om beide polen van hun bestaansgebied tot een eenheid te smeden. Steeds meer dreigt de onderpool zo te worden dat hij niets gemeenschappelijk meer met de bovenpool te maken heeft. Verscheurdheid tussen de twee onverenigbare bestaansgebieden is de aard van het grote lijden van de engelen, hun bittere pijn. Een onvermijdelijk zou dit smart, dit lijden van de engelen tot onthechting van de hoge wereld, d.w.z. tot verduistering van de engelen dan wel tot afkeer van de dieptewereld, d.w.z. tot het verlaten van de mensen hebben geleid, wanneer geen hulp zou zijn gekomen.

Deze hulp vond echter plaats door het offer van het aartsengelwezen dat, innerlijk door de Christuswezenheid doordrongen, in de Engelenhiërarchie neersteeg. Doordat de Jezuswezenheid (de Nathanische Jezus) in de Engelenhiërarchie neerdaalde, zonder zijn aartsengel-eigenschap op te geven – wat zij dankzij de haar vervullende Christusimpuls vermocht -  ontstond er een nieuwe mogelijkheid in het rijk der Angeloi. Deze mogelijkheid werd door het ontstaan van het kruis binnen de Engelensfeer gegeven. Tot de verticale lijn van de tegenstelling boven – beneden kwam er de horizontale lijn van het “Ik en jij” bij. Het grote feit van het kruis in de kruisiging was de mogelijkheid  van de verlossing van de engelenhiërarchie, het feit dat de Nathanische Jezus voor de engelenhiërarchie plaatste. De Christusimpuls openbaarde zich aan de engelen door de verlossende offerdaad van de Nathanische Jezus.

Men begrijpt deze offerdaad, d.w.z. het ontstaan van het kruis in het rijk der engelen, wanneer men de grondeigenschap van de werkzaamheid van de aartsengelen, de Archangeloi-hiërarchie, beschouwt. In tegenstelling tot de engelen wier basisbeweging verticaal is, is die van de aartsengelen horizontaal. De aartsengelen zijn geen wezenheden die in de ruimte op een zodanige manier werkzaam zijn dat mensen in ruimtelijke gemeenschappen (volkeren) verbonden worden. En doordat de Archangeloi elkander de hand reiken, vormen ze een ketting rondom de Aarde die de volle inspiratiekringloop van de Christusopenbaring voor de mensheid mogelijk maakt. Want alleen de harmonie van alle volksgeesten is de volledige openbaring van de Christusimpuls.

Op die manier stroomt de Christusinspiratie door de rei der aartsengelen van oost naar west rondom de hele Aarde en brengt het bewustzijn van algemene broederlijkheid teweeg. Het scheidende, dat barricaden tussen de volkeren opricht (zoals taal, politieke grenzen etc.), stamt niet van de ware volksgeesten, maar van de Luciferische Aartsengelen.

Wanneer men zich nu voorstelt dat deze horizontale broederlijkheidslijn, die de grondeigenschap der aartsengelenhiërarchie is, door een Aartsengel in de Engelenhiërarchie, wier grondeigenschap de verticale lijn is, naar beneden is gebracht, dan ontstaan binnen de engelenhiërarchie twee gelijktijdige bewegingen: die van de verbinding van twee vlaktes en die van de verbinding van wezenheden op een vlakte door liefde. Aldus ontstond het kruis, d.w.z. de openbaring van de Christusimpuls binnen de engelenhiërarchie als gevolg van het offer van de Nathanische Jezus.

Als we nu naar de Jakobs “droom” terugkeren, dan zien we dat deze “droom” niet alleen de grondtegenstelling  van de engelenhiërarchie, die zich in een tragisch ingeschakeld-zijn tussen werelden naar boven en beneden beweegt, maar ook het feit van de verlossing van de engelen door de Christusimpuls openbaart. Met andere woorden: de engelen dalen af naar het ondereinde van de ladder en stijgen op naar het boveneinde van de ladder; maar de wezenheid wier aangezicht Jahweh-Elohim was, is niet boven ook niet beneden – ze is in het midden: daar waar zich de beide lijnen, de horizontale en de verticale, kruizen.

Een wat openbaart deze wezenheid? Ze openbaart het feit van de toekomstige verlossing van het menselijke geslacht door het komende in het geslacht van Jakob, die de mensheid evenzo uit de tweeheid van de onoverbrugbare tegenstelling van geest en lichaam zal verlossen, zoals Hij het voor de engelen heeft gedaan. Het kruis zal aan de mensheid evenzo gegeven worden, als het aan de engelen gegeven worden is – dat is de grote openbaring die Jakob ten deel viel. Een hij werd er verder van bewust dat een hoog geestelijk wezen neerdalen moet, opdat het kruis ook aan de aardemensheid kan worden gegeven; maar noodzakelijk is een lange voorbereiding door de geslachten heen, zodat een dienovereenkomstig passend lichaam voorhanden zal zijn.

Na deze geweldige openbaring leidde Jakobs levensweg voor de tweede laag van de onwaarheid die hij in het huis van Laban te overwinnen had. Daar ging het voor Jakob erom niet slechts als individu maar als deel van een mensengemeenschap zijn ware bestemming te vinden en te vervullen. In de juiste familieverhoudingen geplaatst te worden en als lid van een juist volksdom aan een bepaalde plek op Aarde een gezin te stichten – dat was de opgave die Jakob te vervullen had.

Nu moest hij echter enorme hindernissen overwinnen die hem bij elke stap de weg versperden. Deze bestonden niet alleen daarin dat Lea door list en bedrog tussen hem en Rachel werd geplaatst, maar vooral daarin dat Laban door verschillende middelen hem aan het oord wilde binden en zijn terugkeer naar Kanaän verhinderen. Hij en zijn familie moesten lid van ander volk in een ander land worden dan het zijn bestemming was. Hij moest van het beloofde land weggehouden worden en daardoor een andere weg van het lot inslaan dan de weg die hij beroepen was te volgen. En doordat Jakob zich van deze onware gemeenschap met geweld los scheurde  en met zijn familie op de vlucht ging, overwon hij de tweede laag van de onwaarheid in zijn levenslot. Het gevoel van de ware verbondenheid tegenover de valse bleek toch sterker dan de door Laban gesmede ketting en de vrees voor de wraak van zijn broer die Jakob in zijn geboorteland verwachtte. Deze overwinning had, evenals de eerste, geestelijke gevolgen. Zoals destijds hem een inzicht in een deel van de sfeer van de Heilige Geest gegeven werd, zo werd hem ook dit keer een deel van de geestessfeer geopenbaard. Onderweg naar zijn geboorteland ontmoetten de “Heerscharen Gods” hem.

“Jakob trok verder. Plotseling verschenen er engelen van God op zijn weg.‘Een leger van God!’ riep Jakob uit toen hij hen zag, en hij noemde die plaats Machanaïm.” (Gen. 32:1,2)

Hoe valt deze  ontmoeting te begrijpen? – Boven werd getracht de grondeigenschappen van de Angeloi en Archangeloi te karakteriseren. De engelen zijn wezenheden die twee werelden verbinden, terwijl de aartsengelen in de ruimte werkzaam zijn. Ze zijn ruimte-geesten in die zin dat ze de ruimte morele kwaliteit verlenen. De ware geestelijke geografie bestaat juist in de kennis van de werkzaamheden van de aartsengelen en de ruimtelijke grenzen van deze werkzaamheden. De geestelijk kaarten van de Aarde onderscheiden zich zeer sterk van de politieke en nationale. Want de laatstgenoemde brengt slechts de werkzaamheidsgebieden van de Luciferische aartsengelen tot uitdrukking; de juiste verdeling van de ruimte blijft echter achter deze onware kaarten verborgen.

Verborgen achter de uiterlijke Maya blijft ook de ware verhouding van de aartsengelen tot elkaar. Want de aartsengelen versplinteren de mensheid niet in volkeren, maar verbinden ze tot een eenheid. Hun opgave is om verschillend geaarde mensheidsgroepen in harmonie te brengen. Deze eendracht is de inspiratie van de Christusimpuls. De Christusimpuls kan net zo min nationaal worden als bv. de wind “nationaal” kan worden. Daarom stelt men zich de normale aartsengelen juist voor door ze als verbonden heerscharen te zien die zich horizontaal op de aardevlakte  als het ware as wind van inspiratie voortbewegen. Het is een geweldige inspiratiebelevenis, wanneer de ruisende stroom van de aartsengelenschaar- als een vleug van enthousiasme voor al het goede – eenmaal in het jaar door de hele mensheid heen trekt. In de kersttijd trekt de ruisende stroom van de Archangeloi-heerscharen rondom de hele Aarde.

Deze ruisende stroom van de heerscharen Gods beleefde Jakob op weg naar zijn geboorteland. Er werd hem destijds de grote sociale inspiratie van de geestelijke broederlijkheid van de mensheid gegeven, nadat hij de valse sociale inspiratie, die door Laban was vertegenwoordigd, overwonden had. “Alle volkeren zullen in jouw zaad gezegend worden.” – deze woorden van belofte werden voor hem nu tot geestelijke realiteit. Want hij schouwde de bond der geesten van “alle volkeren” die in de mensheid verwezenlijkt dient te worden door de komst van de Beloofde.

Nog groter dan de eerste en de tweede was de derde overwinning die Jakob volbracht. Want het ging bij de derde overwinning om een strijd tegen een stroming van het lot die niet door mensen maar door Goden verwezenlijkt wordt. Deze strijdt hield Jakob stand in de nacht voor de ontmoeting met zijn broeder Ezau aan de voort van de Jabbok.

Het volledige begrip van Jakobs nachtelijke eenzame worsteling aan de voort van de Jabbok veronderstelt de kennis van feiten van het concrete occultisme die buiten de opgave van deze beschouwingen liggen.  Desalniettemin dient hier getracht te worden om de zin van deze worsteling vanuit het gezichtspunt van het karma naar voren te laten brengen. Men zal deze zin begrijpen, wanneer men het feit van de dood vanuit een bepaalde kant beschouwt, namelijk van de kant van de betrokkenheid van de geestelijke hiërarchieën bij het feit van de dood.

De dood, zowel vanuit de aardse alsook van de geestelijke kant  gezien, is het ophouden van de lichamelijke adem in de mens. Nu is de fysieke adem van de mens een weerspiegeling van de geestelijke adem. Laatstgenoemde bestaat in het harmonische samenwerken van kennis en liefde. De adem in de geestelijke wereld bestaat in de harmonische volgorde van in-zichzelf-zijn en buiten-zichzelf-zijn met betrekking tot de wezenheden van de hiërarchieën. De eerste toestand is kennis, de andere echter liefde.

In de menselijke wezenheid is het de geest van de mens die achter de adem staat. De geest van de mens is echter driegeleed. Geestzelf (Manas), levensgeest (Buddhi) en geestmens (Atma) zijn drie delen van de eeuwige geestelijke wezenskern van de mens. Het samenwerken van deze drieheid is de geestelijke oorzaak van de adem. Want Manas is de kenniswezenheid in de mens en Buddhi de wezenheid der liefde. Vanuit Atma worden Manas en Buddhi in evenwicht gehouden. Daarom ligt in het Atma de oorzaak van de adem. Atma is de oergrond van de adem.

Atma (adem)
Manas (kennis)     Buddhi (liefde)

Bij de adem van de mens zijn alle drie geestelijke hiërarchieën betrokken. Want de geestelijke wezensdelen van de mens rusten – in de regel – in de schoot van de hiërarchieën. De Manaswezenheid wordt door de derde hiërarchie vertegenwoordigd; Buddhi wordt door de tweede hiërarchie gedragen en Atma rust in de schoot van de eerste hiërarchie. Nu zijn de tijdgeesten (Archai) de vertegenwoordigers van de eerste hiërarchie (van de Vader) binnen de derde hiërarchie. Ze bepalen de adem in de tijd, d.w.z. het ogenblik van de dood van de mens. Doordat de Archai de werking van de engel en de aartsengel in de mens harmoniseren, zijn ze de wezenheden die over de duur van de adem beschikken. En het moment van de dood is de ontmoeting met de Archai-wezenheid.

Deze ontmoeting is het schouwen van het levenstableau dat dan begint als gelijktijdig beeld van de totale levensloop. Het is de kracht van de tijdgeest die de tijd van het leven op Aarde als geheel voor de ziel plaatst. En aan het verhoogde persoonlijkheidsbewustzijn dat door deze belevenis wakker wordt geroepen, dankt de mens dezelfde kracht. Want de tijdgeesten zijn tegelijkertijd geesten van de persoonlijkheid.

De ontmoeting met een geest van de persoonlijkheid beleefde Jakob in die nacht voor de ontmoeting met zijn broeder. Het was de dood waarmee hij geworsteld had in die noodlottige nacht. Hoe kan deze ontmoeting karmisch begrepen worden?

De stroom van het lot der onwaarheid in Jakobs leven was een drievoudige: het was een lichamelijke onwaarheid die hij in het ouderlijke huis overwonnen had; de zielsmatige onwaarheid overwon hij in het huis van Laban – nu stond hij voor de geestelijke onwaarheid op zijn levensweg. Die bestond in het karmische gevolg van de daad jegens zijn broeder. Want de innerlijke waarheid van zijn eerstgeboorterecht behaalde Jakob door het toepassen van de uiterlijke list en bedrog. Voor de trouw tegenover de waarheid werd hij karmisch beloond door de openbaringen die hem uit het rijk der engelen ten deel vielen; voor de list en bedrog verwachtte hij de vergelding in de gestalte des doods. Want zo werkt het karma; het beloont en bestraft gelijktijdig dezelfde daad. De waag der gerechtigheid van het karma is een exacte waag: niets blijft onvergolden, niets blijft onbeloond.

Jakob kende dit en scheidde zich derhalve van zijn familie, opdat ze verschoond zouden blijven. Hij bleef alleen achter aan zijn kant van de rivier, want hij wist dat de dood voor hem bestemd was. Toch viel hij niet het fatalisme ten prooi, maar verzette hij zich tegen de dood. Door de geestelijke onwaarheid van het fatalisme liet hij zich niet in de war brengen en plaatste tegenover de kennis van de onvermijdelijke dood de liefde. In de woorden waarmee de zegevierende uitkomst van zijn worsteling gekenmerkt wordt: “Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent.” is de kracht uitgedrukt die hem de adem heeft gered. Want als hij zich voor de kennis van de dood gebogen had, dan had zijn adem moeten ophouden. Hij zou sterven. Want het evenwicht tussen de oerprincipes van de adem – kennis en liefde – zou ten gunste van de kennis aan het wankelen gebracht zijn. Maar doordat hij de hele kracht van de liefde tegenover de kennis stelde, week bij “het aanbreken van het morgenrood” de engel des doods, de Archai, want de liefde bleek sterker dan de dood.

“En Jakob noemde de naam van die plaats Pniël: Want, zei hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest. En de zon rees voor hem op, toen hij door Pniël gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup.”(Gen. 32:30-31).

Door liefde en deemoed bracht Jakob te weeg dat de engel des doods voor de zon van de wereld, Christus week. Want terwijl Jakob de gerechtigheid van de vergelding door de dood onderkende, onderkende de engel des doods de gerechtigheid van de innerlijke verzoening door liefde en deemoed.  Jakobs zege bestond daarin dat de vergeldende gerechtigheid terugtrad voor de Zon van de verzoenende gerechtigheid. Maar de mate van de liefde was in Jakob sterker dan de kennis van de dood.  Daarom geschiedde het dat hij toch het evenwicht moest inboeten – dat hij na de worsteling “hinkte aan zijn heup”.

Door de verzoeningskracht van zijn liefde werd Jakob de mogelijkheid geboden om niet alleen te ademen, d.w.z. verder te leven, maar ook om voor zijn wangedrag tegenover zijn broeder te boeten. Het karma “vergeeft” niets, maar vervangt enkel een uiterlijke soort vergelding door een innerlijke en vrije. -  Dat was dus bij Jakob het geval. Doordat hij deemoedig zijn broer ontmoette en onder hem, als de oudere, ging staan, won hij het menselijke hart van Ezau op dezelfde manier als hij het goddelijke hart van de hiërarchieën – “de Zon die voor hem oprees” – won.

“En hij ging voorbij hun aangezicht heen, en hij boog zich zeven malen ter aarde, totdat hij bij zijn broeder kwam. Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in de arm, en viel hem om de hals, en kuste hem; en zij weenden.”(Gen. 33:3,4)

In het menselijke vond slechts de weerspiegeling plaats van datgene wat reeds voorheen in het Goddelijke plaats had gevonden. De engel des doods, die de boodschapper van de Vader is, zegende Jakob in plaats van hem de adem te nemen; Jakobs broeder die met vierhonderd bewapende mannen Jakob tegemoet ging om hem te doden, liep hem tegemoet en kuste hem. Doordat Jakob de dood in de geest overwonnen had, wendde hij hem ook in het menselijke gebeuren op Aarde van zich af.

De drievoudige zege van Jakob betekende voor hem de kennis van de geheimen van de geboorte, het leven en de dood, d.w.z. de kennis van de Angeloi, Archangeloi en Archai. De laatste stap, de ontmoeting met de Archai-hiërarchie, had hem een kennis overgedragen dat zich in de twaalf “zegeningen” van Jakob aan de twaalf stammen van Israël openbaart. Het  is de kennis van de geheimen van de tijd. Want de twaalf “zegeningen” van Jakob behelzen profetische bepalingen van het lot van elk van de twaalf stammen in de toekomst. “Daarna riep Jakob zijn zonen, en hij zei: Verzamelt u, en ik zal u verkondigen, hetgeen u in de navolgende dagen wedervaren zal.“ (Gen. 49:1)

Waarom waren het twaalf persoonlijkheden die de drie patriarchen Abraham, Isaak en Jakob opvolgden?

4.     Het wezen van de twaalf

De 3de en 4de beschouwingen waren aan Abraham, Isaak en Jakob als vertegenwoordigers van de drie oerimpulsen van de Israëlitische stroming gewijd. Deze drie stromingen zijn die van de Vader, de Zoon en de Geest. Door de drie beschouwde persoonlijkheden werden de drie impulsen in de Israëlitische volksgemeenschap ingeplant. Nu moesten ze zich ook uitwerken in de tijd nadat ze ingeplant waren. Het “uitwerken in de tijd” is echter een proces dat niet door de beschouwing van de fysieke wereld alleen begrepen kan worden. Het kan alleen begrepen worden, indien het als een samenwerking van de geestelijke, psychische, elementaire en fysieke wereld opgevat wordt. Want het ideële vlak van dit proces is op de impulsen van de zielenkrachten van het denken, voelen en willen aangewezen om de elementaire kracht te verkrijgen waarmee de techniek van de uitvoering in het aardse gebeuren beheerst kan worden. De ideeën van de geestelijke wereld (bovenste Devachan) moeten tot psychische impulsen worden (onderste Devachan) om met elementaire krachten (astrale wereld) het fysieke gebeuren vorm te geven.

Als we ons nu voorstellen dat de ideële drieheid die zich door Abraham, Isaak en Jakob openbaart in de tijd verwerkelijkt dient te worden, dan moet die in vier werelden werkzaam zijn.  De vadergedachte, het zoonoffer en de geestesoverwinning moeten in alle vier werelden werkzaam zijn om volledig verwerkelijkt te worden.

(Ook hier ontbreekt nog een illustratie.)

Uit dit samenwerken van de vier werelden resulteert het twaalftal als de wet van de volledige verwerkelijking in de tijd. Om deze reden moesten er twaalf stammen zijn, waardoor de bestemming van Israël verwerkelijkt diende te worden. Daarom is het twaalftal de sleutel tot begrip van de wegen die naar de verwerkelijking van de missie van het Oude Testament leidden. Maar het is ook de sleutel met betrekking tot de verwerkelijking van de Nieuwtestamentische impuls. Want de twaalf discipelen van Christus zijn de “vader” van de karmische twaalf “stammen” van Israël, die in de toekomst de Christusimpuls verwerkelijken zullen (zie de Apocalyps van Johannes). Sinds het mysterie van Golgotha zijn de discipelen van Christus werkzaam, elkaar afwisselend de mensheid inspirerend, in de volgorde van Judas tot Johannes. Zo bestaan er Johannestijdperken, Jakobtijdperken etc.

Wij leven tegenwoordig in een Judastijdperk. Dit feit uit zich vooral daarin dat we in een tijd leven waarin de neiging tot verraad enorm sterk is. In bijna elk mens is de mogelijkheid voorhanden om in een of andere vorm verraad te plegen. Dit uit zich bijzonder duidelijk daarin dat menselijk vertrouwen steeds zeldzamer wordt. Al het nieuwe, zij het mensen of ideeën, wordt op het eerste gezicht met mistrouwen bejegend. Het vertrouwen moet in de huidige tijd veroverd worden; het is niet meer de eerste natuurlijke ingeving van mensenharten. Het mistrouwen hoeft echter heden ten dage niet door iets bijzonders opgeroepen te worden: het doet zich meteen vanzelf voor.

Nu is echter het gebrek aan vertrouwen een onmiskenbaar teken dat in het geheim de Judasneiging voorhanden is. Want alleen diegene draagt de andere mens ongegrond mistrouwen toe die in het geheim een ongegrond mistrouwen tegen zichzelf koestert.

Door de Twaalf is de Christusimpuls werkzaam naar de toekomst toe. Dit betekent dat het menselijke bewustzijn deze impuls in Zijn aanwezigheid in de vier werelden in het denken, voelen en willen op te nemen heeft. De opgave van de mensheid is om Christus in de vier werelden te denken, te voelen en te willen. Degene die het verwezenlijkt wordt tot de dertiende. –

Met deze beschouwing is een bepaald deel van onze opgave afgesloten. Deze bestond in de karakterisering van de drieheid van het oergoede van de wereld, die zich in de drie occultismen en de gestalten Abraham, Isaak en Jakob uiten. Maar de drieheid van het goede staat tegenover de drieheid van het kwaad. Het onderwerp van de volgende beschouwing dient de drieheid van het kwaad te zijn zoals die in de Bijbel kan worden gevonden.



[1] In een voetnoot van de 2de Beschouwing werd de reden aangegeven waarom het daar niet op zijn plaats was om over de verhouding van Lucifer tot de achtste sfeer te spreken. Hier wordt nu deze verhouding begrijpelijk.
[2] Charles Webster Leadbeater (1847 - 1934). Een Britse bisschop van de Vrij-katholieke Kerk die voornamelijk bekend staat als theosoof.
[3] Prentice Mulford (1834-1891) was een invloedrijke figuur in de New Thought Movement. Het genoemde boek werd onder de titel “Unfug des Sterbens” in Duitsland uitgegeven en in  Nederlandse als "De Zwijgende Kracht".
[4] Uiteraard alleen voor een bepaalde kosmische ontwikkelingsperiode.
[5] Zoals de achtste sfeer op de omweg door bepaalde sferen van het binnenste van de aarde actief is, zo is ook de Luciferische sfeer in het lot van de aardemensheid niet direct actief, maar op de omweg over bepaalde sferen van het binnenste van de Aarde.
[6] Er is hier altijd sprake van de sfeer van de Heilige Geest, zoals die vóór het mysterie van Golgotha was. Na het mysterie van Golgotha is een tweede sfeer van de Heilige Geest ontstaan, en wel aan deze, aardse kant van de Luciferische sfeer. Deze tweede sfeer is het begin van de metamorfose van de Aarde in een nieuwe Zon.


* * *


V

HET KWAAD IN HET WERELDKARMA AAN DE HAND VAN DE BIJBEL

1.     De eigenaardigheid van de geestelijke kennis van Daniël

In de voorafgaande beschouwingen werd het kwaad, zoals het door Luciferische wezenheden en door Ahrimanische macht tot uitdrukking komt, onder een bepaald aspect besproken. Daar kwam het vooral op neer om alleen zo veel en op zulke wijze het kwaad onder de aandacht te brengen als nodig was om de wezenheid van Jahweh-Elohim en de geestelijke grondimpulsen van Abraham, Isaak en Jakob te begrijpen. Nu gaat het er om de kennis van het kwaad, zoals die in de Bijbel voorhanden is, in diegene begrippen te vertalen die de mensheid aan Rudolf Steiner te danken heeft. Vanzelfsprekend kan deze opgave alleen opgelost worden binnen bepaalde grenzen, die zowel van de inhoud als van de omvang van het onderwerp afhankelijk zijn.

In het algemeen is de Bijbel een boek van feiten. Er worden gebeurtenissen en daden geschilderd waarvan het begrip meestal aan de lezer zelf wordt overgelaten. Er zijn echter ook delen van de Bijbel waarin een bepaalde kennis aan toekomstige generaties meegedeeld wordt. Enkele van deze mededelingen zijn alleen van betekenis voor de tijd waarin ze opgeschreven werden; andere hebben betrekking op een toekomst die reeds verleden tijd is geworden; er zijn echter ook mededelingen die op de gehele toekomst van de aardeontwikkeling betrekking hebben en daarom ook vandaag de dag nog niet louter historisch beschouwd dienen te worden, maar als geschriften waaruit diepgaande uitsluitsel over de raadselen van het wereldkarma geput kan worden.

De delen van het Oude Testament, die apocalyptisch karakter hebben, zijn voornamelijk in de boeken van de profeten te vinden. Bij bijna alle profeten kan men apocalyptische passages vinden, maar de grootste apocalyptische waarde hebben, volgens de opvatting van de schrijver dezes, de boeken van de profeten Jesaja, Ezechiël en Daniël. Zoekt men uitsluitsel over het karma van het kwaad in de wereld, dan is het boek van Daniël bijzonders geschikt is om over deze kwestie de meest diepgaande uitsluitsel te geven. Om deze reden zal in wat volgt een deel van het boek van Daniël beschouwd worden.

Het boek van Daniël

Eer we met deze opgave beginnen, is het noodzakelijk om de soort kennis van het wereldkarma te beschouwen waarmee we het bij Daniël te maken hebben. Want de algemene begrippen “openbaring” of “geestelijke schouwingen” voldoen niet om het kenproces van het wereldkarma, zoals dat ons bij Daniël voordoet, concreet te begrijpen. Om dit proces concreet te begrijpen moet er rekening mee worden gehouden dat er meerdere soorten van kennis van het wereldkarma zijn. De ene soort bestaat in het opduiken van innerlijke herinneringen uit het kennisreservoir van het vorige leven. Deze herinneringen kunnen in de vorm van een som van gedachten opduiken die met de denkbaar grootste helderheid en organische consequentie volledige zekerheid over de waarheid van het onderwerp geven. Alleen in deze vorm konden bv. in de dertiende eeuw, toen er geen mogelijkheid van geestelijk schouwen bestond, de belangrijkste kennis van de mysteriewijsheid weer ontstaan en overgedragen worden. Destijds werd het volledige wijsheidsgoed gered doordat twaalf persoonlijkheden alle wijsheid van de zeven Atlantische perioden en de vijf na-Atlantische beschavingen door de methode van innerlijke opduiken van de herinnering weer lieten ontstaan en het aan een dertiende doorgaven, waar vanuit dan de samenvattende wijsheid der Rozenkruisers uitging (zie de voordrachten van Rudolf Steiner, gehouden in Neuchâtel, Zwitserland op 27 en 28 september 1911, in GA 130, “Het Esoterische Christendom”).

Een andere soort kennis van het wereldkarma is het lezen (d.w.z. schouwen en ontcijferen) van de Akashakroniek. Dit kennisvermogen veronderstelt een inwijdingsgraad die door de weinigste individualiteiten bereikt is. Slechts de hoogste ingewijden van de mensheid (waarvan bv. in de eerste beschouwing in verband met de drie occultismen sprake was) kunnen het.

Er bestaat echter nog een derde soort kennis van de geheimen van het wereldkarma, die ook voor zulke mensen mogelijk is die een lagere inwijdingsgraad bezitten en niet in de Akashakroniek kunnen lezen. Aan zo’n mens kunnen in het verkeer met de wezenheden van de geestelijke hiërarchieën door Imaginatie en Inspiratie mededelingen over het wereldkarma gemaakt worden. Wezenheden van de hiërarchieën tonen dan door Imaginatie en leggen door Inspiratie bepaalde geheimen van het karma uit aan de mens, die zij aan hem of door hem van zins zijn de mensheid mee te delen.

Beschouwt men nu het Boek van Daniël met het oog op de kenniswijze waaruit het ontsproten is, dan kan men zich ervan overtuigen dat het de derde soort kennis is die Daniël eigen was. Want de beelden bv. van het “rijk” van het kwaad werden door de aartsengel Gabriel voor hem geduid (zie Daniël 8:15,16) en de laatste openbaringen van zijn boek heeft Daniël te danken aan een Elohimwezenheid, waarmee de “vorst” van het Israëlitische volk, Michaël, de ontmoeting mogelijk had gemaakt (zie Daniël 10:13,14).

Aan Daniël werden dus beelden getoond en duidingen gegeven door wezenheden van de Elohim- en Archangeloi-hiërarchie; de Archai echter waren het die het onderwerp van de openbaringen optekenden. Want het waren de geheimen van de tijd waarnaar Daniël vroeg; de “dagen” van het wereldkarma probeerde hij te begrijpen. Maar hij stelde zijn vragen aan de geestelijke wereld niet vanuit zichzelf, als enkeling, maar namens het gehele Israëlitische volk. Dit vond plaats ten gevolg van een bepaalde ontwikkelingsstadium van het verantwoordelijkheidsbewustzijn dat destijds met het geweten overeen kwam.

Voelde zich bv. een mens alleen voor zichzelf en zijn eigen daden verantwoordelijk, dan stond hij met de engel in verbinding. Verhoogde zich echter zijn verantwoordelijkheidsgevoel tot het lot van een volk, dan had dit  het verkeer met een aartsengel ten gevolg. Dat laatste was bij Daniël het geval. Derhalve komt in het 9de hoofdstuk van zijn boek een boetgebed aan de orde. In dit gebed wendt zich Daniël aan de hoogste wezenheid die hij kende, niet namens zichzelf, maar namens het volk: “Wij hebben gezondigd…Wij liggen voor U met ons gebed…” zijn zinnen uit dit gebed dat voor de innerlijke houding van Daniël kenmerkend zijn.

Daar nu Daniël in naam van het volk vroeg, waren ook de antwoorden die hij ontving, openbaringen over de toekomst van dit volk. Nu was dit een bijzonder volk. Het was “uitverkoren”, d.w.z. het omvatte een karmische gemeenschap van mensen die sinds oeroude tijden op een bijzondere wijze met de Christusimpuls verbonden waren. Daarom werd hem niet alleen de toekomst van Israël, maar ook het lot van de karmische gemeenschap van het eeuwige Israël, d.w.z. de volledige werkzaamheid van de Christusimpuls in het karma van de mensheid geopenbaard. Deze openbaringen zijn mededelingen van een Elohim-wezenheid uit de Jahwehschaar (Daniël 10:5,6); daar echter Daniël vanuit het volksbewustzijn vroeg, waren het aartsengelen die deze mededelingen voor hem zowel interpreteerden alsook door het scheppen van dienovereenkomstige voorwaarden in de ruimte daadwerkelijk mogelijk maakte. Het onderwerp van de mededelingen tekenden echter de toekomstige daden van de Archai-wezenheden op, die nooit zelf spreken, want de Vader spreekt niet. De Archai kunnen alleen geschouwd worden in de tijd – tegen de mensheid zwijgen ze.

De vragen die Daniël stelde waren waarlijk niet theoretisch. Het was hem bitter ernst om deze vragen. Zo ging bv. aan die openbaring die in hoofdstuk 10 geschilderd wordt een zware worsteling vooraf. “In deze tijd was ik, Daniël, drie weken lang treurig. Ik at geen lekker voedsel, vlees en wijn kwam niet in mijn mond en ik zalfde mij ook niet totdat de drie weken voorbij waren”, zegt Daniël over zijn gemoedstoestand die de geestelijke wereld tot de mededelingen had bewogen die in het 10de hoofdstuk opgeschreven zijn. Over onpersoonlijke wereldaangelegenheden uit smart en zorg persoonlijk vragen te stellen – dat was de noodzakelijke voorbereiding voor de openbaringen die Daniël ten deel vielen.

Zulke vragen te stellen is ook vandaag de dag onontbeerlijk, want de geestelijke wereld wordt tot zwijgen gedwongen indien ze niet bevraagd wordt. En de mensheid heeft enorm veel aan Rudolf Steiner te danken, doordat hij door de mededeling van geestelijke feiten zulke vragen in de mensheid heeft aangespoord, die zonder die mededelingen niet zouden ontwaken. De antroposofie van Rudolf Steiner is een weg die niet alleen reeds voorhanden vragen beantwoordt, maar ook nieuwe, grotere vragen voor de ziel plaatst. Omdat dat zo is, zal de geestelijke wereld niet zwijgen – de uit haar stromende waarheid zal niet opdrogen.
Een zodanige vraag is ook die naar het wereldkarma van het kwaad. Die vraag leefde in Daniëls ziel; die leidde hem tot belangwekkende uitsluitsels. Deze uitsluitsels weer te hebben, is de opgave die getracht zal worden in wat volgt op te lossen.


2.     De drieheid van het kwaad in de wereld

De waarheid van de door Rudolf Steiner uitgesproken zin: ”Ahriman is het karma van Lucifer” werd in de voorafgaande beschouwingen zowel van de kosmische alsook van de menselijke kant beschouwd. Er werd daarbij getracht om duidelijk naar voren te brengen hoe Lucifer het ingrijpen van Ahriman zowel in de kosmische evolutie alsook in het menselijke levenslot veroorzaakt heeft. Nu stelt zich echter de vraag: “Wat is het lot van de wezenheden van de Luciferische hiërarchie?”
Beschouwt men de kosmische evolutie als een samenwerking van geestelijke hiërarchieën, dan kan men gewaar worden dat binnen deze evolutie een permanente opstijging en afdaling van wezens plaatsvindt. Zowel de opstijging alsook de afdaling is echter van tweeërlei aard. De afdaling kan een offer betekenen; het kan echter ook als gevolg van een degeneratie gebeuren. Anderzijds kan de opstijging ten gevolg van rijpheid voor een hogere activiteit plaatsvinden; het kan echter ook een verschijning van een regeneratieproces zijn. In die zin verkeert bv. de Luciferische hiërarchie in zowel een degeneratie alsook een regeneratie. Er vond als gevolg van het mysterie van Golgotha een geestelijk gebeuren van enorme reikwijdte plaats, namelijk datgene van de innerlijke omkeer van Lucifer. Lucifer had Christus lief en besefte zijn onrecht tegen Hem. Het mysterie van Golgotha overtuigde Lucifer dat hij ongelijk had. Dit gebeuren is in de Evangeliën daardoor aangeduid dat een van de twee gekruisigde misdadigers schuld bekende en de onschuld van de derde gekruisigde inzag. Het was het geweten van Lucifer dat zich door deze misdadiger openbaarde.

Sindsdien is het Luciferische in de mens werkzaam als gevolg van de verleden werking van Lucifer. De Luciferische engelen smachten echter naar bevrijding door de mensen. Ze zijn gebonden aan de gevolgen van hun verleden activiteit; ze kunnen niet anders werkzaam zijn dan ze vroeger werkzaam waren. De mens kan echter zijn Luciferische engel bevrijden. Dit vindt plaats wanneer hij de Christusimpuls in zich opneemt. Dan wordt de Luciferische engel bevrijd en wordt hij tot dienaar van de engel. Evenzo deemoedig stelt hij zich dan in dienst van de engel, als hij te zijner tijd zich hoogmoedig tegen hem verzette.

Het gezegde geldt voor Lucifer, die een wezenheid van de tweede hiërarchie is, en voor de Luciferische engelen. Lucifer erkende Christus direct; de Luciferische engelen echter erkennen Hem door de mensen waarmee ze individueel verbonden zijn. Anders gesteld is het echter met de Luciferische wezenheden van de andere hiërarchieën, bv. de aartsengelen en Archai. Daaronder zijn er zodanige die zich niet veranderd hebben. Ze hebben de vroegere instelling behouden. Sterker nog: er zijn onder hen zulke wezenheden die een bond met Ahriman gesloten hebben. Deze “bond” begrijpt men goed, wanneer men die niet als verdrag, maar ook als gedeeltelijke Ahrimanisering van de innerlijke aard van deze wezens opvat. Ze werden tot wezenheden van Ahrimanisch-Luciferische natuur.

Waarom dit gebeurde, kan men begrijpen wanneer men bedenkt dat het karma van de Luciferische hiërarchie volledig daarin bestaat om eenmaal als zodanig te verdwijnen. Want ze kan niet haar bestaan in alle eeuwigheid volhouden, doordat ze enerzijds de Goden afzegt, anderzijds echter de radicale bestrijding van de geestelijke wereld door Ahriman ontkent. Er zijn slechts twee wegen die de Luciferische wezens kunnen inslaan: omkeren en zich bij de scharen van Christus aansluiten dan wel in hun oppositie tegen de Goden tot aan de laatste consequentie voortschrijden, d.w.z. zich bij Ahriman aansluiten. De ene weg is die van regeneratie, de andere die van degeneratie. Voordat echter een Luciferisch wezen tot een Ahrimanisch wezen degenereert, d.w.z. voordat het door Ahriman verslonden wordt – want Ahriman verslindt wezenheden; hij laat geen veelheid van wezenheden naast zich bestaan – is een overgangsstadium voorhanden waarin beide naturen, zowel de Luciferische alsook de Ahrimanische, verbonden worden. In dit stadium bevinden zich diegene Luciferische wezenheden die met Ahriman verenigd zijn. Eigenlijk zijn het geen Luciferische wezenheden meer, maar een hiërarchie op zich.

Op die manier zijn dus tegenwoordig drie hiërarchieën van het kwaad werkzaam: de Luciferische, de Luciferisch-Ahrimanische en de Ahrimanische hiërarchie (de laatste moet men zich louter als een opsomming van de delen van de Ahriman-wezenheid voorstellen. Wil men dus de tegenwoordige gebeurtenissen volledig begrijpen, dan moet er rekening mee worden gehouden dat in de huidige tijd niet alleen Luciferische en Ahrimanische impulsen werkzaam zijn die naar buiten als zijnde Luciferisch actief zijn, waarachter echter iets van Ahrimanische aard verborgen is, d.w.z. waar Luciferisch enthousiasme Ahrimanische bedoelingen dient.

Nu is echter met het degeneratieproces van de Luciferische wezens tot het peil van de Ahrimanische wezenheid het karma van het kwaad nog niet uitgeput. Zoals het tot de laatste consequentie doorgevoerde Luciferische onvermijdelijk tot buit van Ahriman wordt, zo wordt het tot de laatste consequentie doorgevoerde Ahrimanische tot de buit van een derde wezenheid in de kosmos. Deze derde wezenheid kenmerkte Rudolf Steiner met het woord Adzura of Azura. Dit is de derde graad – wanneer men van de overgangsfase van het Luciferische naar het Ahrimanische afziet – van het kwaad van de wereld. Want zoals Ahriman het karma van Lucifer is, zo is Adzura het karma van Ahriman.

Over de wezenheid van Adzura kan maar bar weinig gezegd worden. De mogelijkheden om de wezenheid van Adzura te karakteriseren zijn beperkt. Maar desalniettemin moet – ook al binnen deze grenzen – tevens over Adzura duidelijk gesproken worden. Want dit is een plicht van de tegenwoordige tijd: men geeft of een duidelijke vorstelling van een onderwerp dan wel helemaal geen. Vaagheid moet vandaag de dag met alle middelen vermeden worden.

Om zicht op de wezenheid van de Adzura te krijgen is het noodzakelijk de vier wezensdelen van de mens met betrekking tot hun begrip van het kwaad van de wereld te beschouwen. – De ontmoeting van het menselijke Ik met het kwaad geschiedt in de drie lichamelijke wezensdelen van de mens; zou het Ik niet in het astraal-, ether- en fysieke lichaam neerdalen, dan zou het geen contact met het kwaad hebben. Dit geschiedt pas in het astraallichaam, waar het Ik de ontmoeting met het Luciferische beleeft. De ontmoeting met het Ahrimanische vindt echter plaats in het etherlichaam. Want de Luciferische dubbelganger is van astralische natuur, de Ahrimanische natuur is echter etherisch. De uiteenzetting van het Ik met die twee dubbelgangers omvat het complete drama van het overgeleverd-zijn van de mens aan het kwaad in het verleden en het heden. In de toekomst echter staat de mens echter een derde ontmoeting met het kwaad te wachten. Een deze ontmoeting zal in het fysieke lichaam plaatsvinden. Dan beging de uiteenzetting met het Adzurische.

Deze uiteenzetting is nog niet begonnen. De strijd tussen goed en kwaad in het innerlijk van de menselijke wezenheid strekt tegenwoordig slechts tot onderaan het etherlichaam. Want de drie ontmoetingen met het oergoede van de wereld, die de mens tussen geboorte en dood beleeft, vinden alleen tot aan het etherlichaam plaats. In het Ik beleeft de mens de nachtelijke ontmoeting met de Heilige Geest, wier licht hem door de engel overgedragen wordt; in de kersttijd beleeft de mens in zijn astraallichaam de Zoon, wiens warmte hem door de aartsengel overgedragen wordt; eenmaal in leven of in het uur van de dood ontmoet hij in het etherlichaam de Vader die door de Archai-wezenheid vertegenwoordigd wordt.

De ontmoetingen zowel met het goede alsook met het kwaad vinden nog buiten – boven – de innerlijke wezenheid van de mens in zijn fysiek lichaam plaats. Met andere woorden: de strijd tussen goed en kwaad is nog niet in het fysieke lichaam neergedaald. Alleen de gevolgen van deze strijd weerspiegelen zich in het fysieke lichaam, voor zo ver het fysieke lichaam van de processen in de hogere wezensdelen van de mens afhankelijk is. Wanneer bv. de galblaas of de lever als gevolg van deze strijd ziek wordt, dan is het niet een proces waarvan de oorzaken binnen het fysieke lichaam te zoeken is, maar alleen de weerspiegeling van een proces op het astraal-etherisch gebied.

Nu is het fysieke lichaam het gebied van de werkzaamheid van de Vader, zoals het etherlichaam dat voor de Zoon is, terwijl in het astraallichaam zich de Heilige Geest openbaart. Het astraallichaam is derhalve het strijdtoneel van de Heilige Geest tegen Lucifer, in het etherlichaam echter vindt de strijd tegen Ahriman plaats. Het feit dat het fysieke lichaam nog geen strijdtoneel is, wijst op het beduidende kosmische feit dat er nog geen wezen in de wereld is die zich heden sterk genoeg weet om het te wagen tegen de Vader op te nemen. Ahriman doet het niet; hij heeft respect voor de Vader. Hij bestrijdt alleen de Zoon in de hoop dat het verloop van het wereldkarma hem voor de Vader gelijk zal geven tegenover de Zoon. Het is niet de bestrijding van de Vader wat Ahriman nastreeft, maar het creëren van een zodanige kosmische situatie waar hij tegen de Vader zou kunnen zeggen: Kijk, Gij hebt de wezens het bestaan geschonken, opdat ze vrij mogen zijn. Ze hebben echter niet Uw zoon maar mij gekozen.

Nog minder dan Ahriman was Lucifer geneigd om het tegen de Vader op te nemen. Lucifer heeft ook niet direct tegen de Zoon geageerd. Het was de Heilige Geest die hij bestreed. Zijn bedoeling was om de mensheid op zo’n manier te leiden dat ze tot de liefde zonder de waarheid van de Heilige Geest zouden komen. Overtuigd had hem de Christusdaad juist vanwege het feit dat het een openbaring van de liefde was die in volledige harmonie met de waarheid van de Geest geschiedde. Lucifer erkende dat de openbaring van de ware liefde onmogelijk is, wanneer die de mensheid de kennis van de waarheid wil besparen. Daarom veranderde hij zijn instelling en werd hij tot Parakleet,  die innerlijke bijstand aan de mensen verleent die de Christusimpuls opgenomen hebben.

Opdat een wezenheid in de kosmos in staat is in de kosmos zich in oppositie tegen de Vader te stellen, moet de stroming van het kwaad in de kosmos zo ver gerijpt zijn dat een karmisch gebied voorhanden is waarop deze wezenheid voet kan vatten. Dit gebied is nog niet voorhanden, maar staat op het punt zich te vormen. Het vormt zich uit de fysieke gevolgen van de Ahrimanische werkzaamheid; fysieke gevolgen – niet in de zin van ziektes, die een karmische evenwicht betekenen, maar in de zin van de Ahrimanische gezondheid, d.w.z. van het creëren van een fysiek lichaam dat niet meer op de toevoer van krachten uit het gebied van de eerste hiërarchie aangewezen is voor het behoud van zijn bestaan, maar die uit een andere bron kan betrekken. Zal het fysieke lichaam tot een zodanige toestand zijn gebracht – als gevolg van zijn Ahrimanisering – dan zal het tijdpunt aangebroken zijn waarop de Adzurische wezenheid ingrijpen kan.

Deze toestand van het fysieke lichaam zal slechts dan kunnen ontstaan, wanneer in de huidige verhouding van het astraal- en etherlichaam (dat zich in de feiten van slaap en dood zich uitdrukt) allang een verandering verwezenlijkt zal zijn die uit de slapeloosheid en doodloosheid van het etherlichaam zal bestaan. Wanneer het Ik die onderste twee wezensdelen van de mens nooit zal verlaten – in slaap, noch in de dood – zal de mogelijkheid van de toestroom van geestelijke krachten uit het bereik van de eerste hiërarchie geheel ophouden. Dit zal dan in de toestand resulteren die het aangrijpingspunt voor Adzura kan leveren.
De werking van de derde kracht van het kwaad zal zich van die van Lucifer en Ahriman met name daardoor onderscheiden dat ze een andere zijn zal met betrekking tot de werking ervan niet alleen tot lichamelijke wezensdelen van de mens, maar ook tot het menselijke Ik zelf.

Terwijl het Luciferische, doordat het door het astraallichaam werkt, het menselijke Ik verleidt, d.w.z. het losscheurt van zijn verbinding met de geestelijke hiërarchieën, terwijl Ahriman door de werking in het etherlichaam het menselijke Ik knecht, wordt Adzura het door Lucifer van de geestelijke wereld losgeweekte en door Ahriman geknechte Ik volkomen in stukken breken en in zijn eigen wezenheid opnemen.

Brengt Lucifer het Ik uit de waaktoestand in de toestand van het dromen, brengt Ahriman de droomtoestand  in de toestand van het slapen, brengt Adzura het menselijke Ik de dood. De geestelijke dood van de Ik-wezenheid is het gevaar van de derde graad van het kwaad voor de mensheid.  

Over de karmische wegen van de drie graden van het kwaad en de gevaren die ze voor de mensheid beteken, heeft Rudolf Steiner in de voordracht, gehouden in Berlijn op 22 maart 1909 (GA 107), gesproken. Over deze wegen en gevaren spreekt ook de Bijbel, met name in de beschrijving die Daniël voor de toekomstige generaties van de mensheid van de vier dieren nagelaten heeft.


3.     Het karma van het kwaad in de wereld 
aan de hand van de profeet Daniël

De bedoeling van de profeet Daniël was om enkele belangrijke inzichten in het wereldkarma voor de toekomst te bewaren. Zijn optekeningen heeft hij – een advies van de geestelijke wereld volgend – in “tekens, symbolen” gezet, opdat ze in een tijd ontcijferd kunnen worden, waarin men niet enkel in staat is in de dingen te geloven, maar ze ook in te zien. De inhoud van zijn optekeningen vormt de openbaring van een reeks beduidende gebeurtenissen in het wereldkarma van het goede en het kwaad. De waardebepaling van het volledige door Daniël nagelaten wijsheidsgoed moet nog de toekomst voorbehouden worden; hier gaat het alleen om een deel – namelijk dat deel dat het karma van het kwaad in de zin van de vorige alinea’s behandelt.
De in het 7de hoofdstuk van het boek van Daniël opgetekende geestelijke openbaring biedt ons datgene wat we voor onze opgave nodig hebben. Want in dit hoofdstuk wordt in grote lijnen het karma van het kwaad geschilderd. De schildering begint met het beeld van de “vier winden” die tegen elkaar stormden op de grote zee. Dit beeld toont ons de kosmische schouwplaats van de strijd tussen het goede en het kwaad. Want de ruimte met zijn vier richtingen – noord, zuid, oost en west – is noch enkel een van de drie abstracte “categorieën” van de Kantiaanse filosofie, noch enkel de afstand die men te belopen heeft om van hier naar daar te komen, maar een zee van statische krachten die door vier werkzame krachten in beweging worden gehouden.  Deze vier werkzame krachten zijn de geestelijke werkingsstromen binnen de elementaire wereld. Het zijn de “winden” die de elementaire wereld beheersen. De stromingen, die de vier “winden” in de elementaire wereld te weeg brengen, leveren de vier elementen die door de vier rijken van de elementenwezens – salamanders, sylfen, undines en gnomen – doordrongen zijn.
Nu zijn echter de vier groepen elementenwezens slechts de onderste uitdrukking van de “vier winden”. Hun oorsprong ontstaat in de eeuwige triniteit, waarvan de “noord”, “zuid”, ‘oost”, “west” genoemde kosmische impulsen uitgaan. Door de kosmische impuls van het noorden en het zuiden is de Vaderwezenheid werkzaam; door de impulsen van het oosten en het westen zijn de Zoon en de Heilige Geest werkzaam. Het samenwerken van deze impulsen is het goede van de wereld; het tegenwerken van de “vier winden” is het kwaad in de wereld; Daarom begint de beschrijving van het nachtelijke gezicht van Daniël met het beeld van de vier winden die tegen elkaar stormden. Deze “tegen elkaar stormende winden” zijn de vier richtingen van het kwaad in de wereld; ze worden niet vanuit de hemel gedirigeerd, maar uit de dieptes van de “zee”. In de vier dieren die uit de dieptes van de zee verschijnen is hun oorsprong te zoeken.
“En vier geweldige dieren stegen op uit de zee, elk van de ander verschillend.” (Daniël 7:3)

Het eerste dier
Het eerste dier wordt als een met adelaarsvleugels bevleugelde leeuw opgetekend. Het is die richting van het kwaad die boven, in de luchten werkzaam is. Die ontstaat doordat de moed van de leeuw, wanneer hij bevleugeld wordt, tot overmoed en hoogmoed wordt. Lucifer is een wezen voor wie de belevenis van vrees totaal vreemd is. Vrees zal Lucifer pas leren kennen, wanneer hij voor de gerijpte karmische gevolgen van zijn rebellie gesteld zal worden. Dan zal hij het Ahrimanische element van vrees in zichzelf moeten beleven. Op deze manier zal hij het karma van zijn daad in zijn innerlijk, als een soort Kamaloka, door moeten maken. Dit Kamaloka van Lucifer, het door het gruwelen heen gaan voor de mogelijke gevolgen van zijn daad en de vrees dat dit niet meer goed te maken is, verandert Lucifer in een deemoedig wezen. Zijn hoogmoed verdwijnt volledig. Dit is bij Daniël op imaginatieve wijze geschilderd doordat hij zegt: “Ik sloeg gade tot hem de vleugels werden uitgerukt.” 

In deze context ontstaat natuurlijk de vraag: In de tweede beschouwing werd de “val van de engelen”, d.w.z. de Luciferische rebellie als gevolg van een gepassioneerd medelijden opgetekend; hier wordt als oorzaak van dit gebeuren de hoogmoed of de zelfoverschatting neergezet – hoe kunnen deze twee verklaringen met elkaar verenigd worden? De Duitse taal heeft geen overeenkomstig woord. Ook bij de Engelse en Franse taal ontbreekt dit woord. De Russische taal heeft echter een woord dat een exacte voorstelling van de beweegreden van de Luciferische opstand weergeeft. Dit is het woord shalostj. Het betekent: beklag over een wezen dat men als te zwak acht om vanuit zichzelf iets in de zin van de bevrijding uit een treurige situatie te kunnen doen. Dit gevoel onderscheidt zich van medelijden (Russisch – ssostradanie) daardoor dat men ook medelijden kan hebben met een wezen dat men respecteert, terwijl het hier bedoelde gevoel een disrespectvol medelijden betekent. Het behelst een verborgen haat jegens het wezen waarvoor men op deze wijze medeleven heeft. Men kan zowel dit gevoel alsook de ideologie die het oproepen kan in de belangrijkste mensheidsaangelegenheden het best begrijpen, wanneer men het hoofdstuk over de grootinquisiteur uit de roman van Feodor Dostoevsky “De gebroeders Karamazow” leest. Daar wordt zo duidelijk als nergens anders het onderscheid tussen de liefde van Christus Jezus en die van de grootinquisiteur opgetekend. Terwijl Christus Jezus het denkbaar grootste respect jegens de mensheid door Zijn daad tegemoet brengt, doordat Hij niet door kracht en wonderen (de verzoekingen in de woestijn), maar door het offer werkt, is de grootinquisiteur de overtuiging toegedaan dat de mensheid niet in staat is uit vrijheid tot Christus te komen – de vergissing van Christus zou door diegenen goedgemaakt moeten worden die bereid zijn om het kruis van de voogdij van de mensen te dragen, doordat zij de volledige verantwoording voor de mensheid alleen overnemen. De grootinquisiteur heeft de mensheid niet lief met de liefde waarmee Christus liefheeft; hij koestert een brandend maar disrespectvol medelijden jegens de mensheid. De vrijheid dient – volgens zijn overtuiging – aan weinige uitverkorenen voorbehouden te blijven; de massa’s der mensheid dienen echter geleid te worden. En zou Christus weer verschijnen, dan zou het de plicht van de grootinquisiteur zijn – ook wanneer hij Hem herkend zou hebben – Hem als gevaarlijke ketter op te sluiten, want Zijn komst zou de gemoederen van de bevoogde massa der mensheid in de war brengen – de spook van de vrijheid zou weer ontstaan en het werk van het medelijden vernietigen.
Deze passage uit Dostojevski's werk maakt een diepgaand begrip vanuit het hart mogelijk voor de redenen van de Luciferische oppositie tegen de goddelijke bedoelingen. En vanuit dit begrip kan men ervaren dat het Luciferische medelijden in wezen niets anders is dan hoogmoed, zelfoverschatting. Want het is gebaseerd op minachting van de mensheid die bevoogd dient te worden. Daarom is het geen tegenspraak door te zeggen: Lucifer rebelleert tegen de Goden uit hoogmoed, doordat hij zich om de mensheid beklaagde. Wat zielsmatig als Luciferisch medelijden wordt beleefd, is geestelijke zelfoverschatting.
Dat Lucifer tot een deemoedig wezen wordt dat de noodzakelijkheid van de aardse werkelijkheid voor de ontwikkeling van de mensheid, zoals die door de Goden gedacht is, inziet, brengt Daniël door het volgende beeld tot uitdrukking: “En het [het eerste dier] stond op twee voeten als een mens; en hem werd een menselijk hart gegeven”, d.w.z. een hart dat door dwaling en vrees de toegang tot de liefde heeft gevonden. De “voeten” zijn twee wilsrichtingen die nu naar beneden zijn gericht.
Het karma van Lucifer bestaat immers daarin om de “adelaarsvleugels” in ”voeten” te veranderen, d.w.z. om zijn wil helpend naar beneden op Aarde te laten stromen.

Het tweede dier
Anders is volgens de schildering van Daniël het lot van het tweede dier. Dit dier is geen gevleugeld wezen, maar “op een kant staande”, lijkend op een beer. Dit beeld is veelzeggend. O.m. is daarin kennis van het feit voorhanden dat het wezen van Ahriman niet beperkt is tot het aardse gebeuren. Op Aarde is slechts een deel van de wezenheid van Ahriman werkzaam. Het andere, grotere deel, is actief in de achtste sfeer, die tussen de Aarde en de Maan haar middelpunt heeft. Derhalve is het juist om te zeggen dat Ahriman “slechts op een kant staat”, want de ander kant is niet op de Aarde te vinden, die “staat” nu eenmaal niet. Dat is ook de rede waarom de mensheid tegenwoordig – en in nog grotere mate in het verleden – Ahriman als totale wezenheid niet zien kan. Het is wel mogelijk om de wezenheid van Lucifer te ontmoeten; wat echter Ahriman aangaat, daar kan altijd slechts van een ontmoeting met een deel van de Ahrimanische wezenheid sprake zijn. De volledige wezenheid van Ahriman kan niet gezien worden; delen daarvan kunnen echter in verschillende gestaltes beleefd worden. De gestalte waarin ze in de regel gezien worden is een karikatuur van de menselijke vorm. Ook de gestalte van de Ahrimanische dubbelganger is een individuele karikatuur van de mens. waartoe de betreffende dubbelganger behoort. Daniël had echter een imaginatieve waarneming van het waarneembare deel van de Ahrimanische wezenheid, als de geheel menselijke dubbelganger. Daarom spreekt hij van een gestalte die “op een beer lijkt”, d.w.z. die een karikatuur van de menselijke vorm is.
Nu bestaat de werking van Ahriman op de mensheid daarin dat hij voortdurend ernaar streeft om haar te verslinden. Het gevolg van de Luciferische invloed bestaat daarin dat in de mensheid illusies en hartstocht ontstaan, d.w.z. Lucifer verrijkt de mensheid, vanuit het aritmetische gezichtspunt gezien. Ahrimans streven echter is om de mensen tot op het nulpunt van hun eigenzijn te brengen; hij subtraheert krachten van de menselijke wezenheid en maakt ze zich eigen.
Dit merkt men in het leven van de individuele mens om die rede niet, daar de door Ahriman overgenomen krachten bij de mens tot aan het moment van de dood verblijven. Pas na het moment van de dood zou men gewaar kunnen worden in welke mate de betreffende ziel verarmd is. Tijdens zijn aardeleven echter worden die door Ahriman gestolen krachten tot vaardigheden van zijn Ahrimanische dubbelganger; die bedient zich daarmee in de mens op zo’n manier dat de observatie van buiten zich bij de betrokken mens geen leemte voordoet. Zou men echter de dubbelganger verwijderen, dan zou het verlies ook uiterlijk zichtbaar worden. Een briljant begaafde journalist of advocaat zou plotseling een middelmatige, onbeduidende prutser worden. Hij zou zich plotseling hulpeloos voelen voor de taken die hij vroeger op geniale wijze vervulde, doordat hij de feiten altijd wist te draaien, te buigen en te rekken al naar gelang het doel dat hij volgde. Nu zou hij echter hulpeloos tegenover de feiten komen te staan, want zijn capaciteit om ze te verdraaien en om te buigen zijn verdwenen.
Het verslinden van de menselijke krachten door Ahriman geschiedt in de geschiedenis van de mensheid niet chaotisch maar systematisch. Deze planmatige verwezenlijking van Ahrimanische bedoelingen geschiedt met de middelen van datgene occultisme dat in de Atlantische tijd – met name in het oer-Turanische tijdperk – in het lot van de mensheid binnengetreden is en dat niet eerder uit het lot van de mensheid zal wijken, totdat het door de mensheid zelf overwonnen zal worden. Dit duistere occultisme is het werktuig van Ahriman met behulp waarvan het verslinden van de mensheid verwerkelijkt wordt. Nu is dit occultisme eveneens driegeleed; het is het samenwerken van het duistere eugenetisch occultisme, het duistere hygiënisch occultisme en het duistere mechanisch occultisme.
Zoals het niet objectief is om te geloven dat er geen drie occultismen van het goede bestaan en altijd hebben bestaan, zo is het eveneens niet objectief om te geloven dat er slechts een of twee occultismen van het kwaad bestaan, bv. het mechanische en hygiënische. Er bestaan nu eenmaal drie occultismen van het kwaad die het machtsmiddel van Ahriman in de mensheidsgeschiedenis zijn.
Het is niet de opgave van deze beschouwing om deze occultismen te karakteriseren; het gaat er hier alleen om de tekens van Daniël te lezen. En we lezen de tekens van het tweede dier, wanneer we de opdracht die het gegeven wordt: “Sta op, vreet veel vlees!” zo begrijpen dat daarmee de grondtendentie, het verslinden, tot uitdrukking wordt gebracht, en dat het beeld: “het andere dier had in zijn bek onder zijn tanden drie grote lange tanden” op de drie werktuigen wijst met behulp waarvan het te verslindende gepakt wordt, d.w.z. de drie occultismen.

Het derde dier
Nadat Lucifer en Ahriman in het wereldkarma-gebeuren zijn binnengetreden, ontstaat als gevolg van de compromissen van beide richtingen een derde richting van het kwaad, die van Luciferisch-Ahrimanische aard is. Van de wezenheden van deze richting kan gezegd worden dat ze een verbinding van de Luciferische vliegvaardigheid met de Ahrimanische calculerende kopvaardigheid hebben; de vleugels zijn aan de koppen gehecht. Nu is echter de kopkennis van deze wezenheden niet op de drie-eenheid van de Geest, maar op de vierdeling van de stoffelijk-elementaire wereld gericht. Daarom zegt Daniël van hen, wanneer hij van het derde dier spreekt: “…En ziet, een ander dier, lijkend op een luipaard, dat vier vogelvleugels had op zijn rug en het dier had vier koppen…” (Daniël 7:6)
De vier koppen tekenen het tot aan de orgaan vormende consequentie doorgevoerde analytisch denkvermogen op; de kennis van de vier elementen is volkomen gescheiden; ze worden louter door praktische intenties, d.w.z. door de wil bijeengehouden – op zich zijn ze echter vier zelfstandige gebieden, vier gescheiden koppen. En elke van deze koppen is aan een vleugel gekoppeld als de hem dragende enthousiasmerende vaardigheid.

Het vierde dier
Van het vierde dier, dat als laatste in het wereldkarma optreedt, zegt Daniël: “het was schrikwekkend, gruwelijk, en uitzonderlijk sterk. Het had grote ijzeren tanden. Het at en verbrijzelde, en de rest vertrapte het met zijn poten...” (Daniël 7:7) In dit beeld kunnen we diegene eigenschap van de Adzura-wezenheid herkennen, waarvan boven sprake was, namelijk de macht om de Ik-wezenheid van de mens zelfs in stukken te breken of te “verbrijzelen”, zoals Daniël zegt. Nu vormt echter de Ik-wezenheid de draad die het verleden, heden en de toekomst verbindt. Deze continuïteit van het bewustzijn in de tijd als de karmische samenhang van gisteren, vandaag en morgen, heeft de mens aan de kern van zijn wezenheid te danken, zijn Ik dat door slaap en wakkerzijn, door doden en geboortes schrijdt. De tijd als eenheid van het verleden, heden en toekomst, zal in de wet (Karma) op Aarde zolang door de Archai of tijdgeesten in stand gehouden kunnen worden, als de menselijke Ikken het gebied van karma (van de “wet” volgens Daniël) niet verlaten hebben. Zouden ze het echter gedaan hebben – in de zin van de Ahrimanische onsterfelijkheid, waarvan boven gesproken werd – dan zou de continuïteit van de tijd gevaar lopen om in het aardse gebeuren vernietigd te moeten worden.
Ahriman, wiens wezensaard de zuiverste uitdrukking in de machine heeft, mechaniseert de tijd, d.w.z. sluit daarvan het moreel-creatieve uit, maar hij verbrijzelt de tijd niet. In de machine wordt de tijd weliswaar amoreel, maar hij blijft toch bestaan. Evenzo is het ook met de Ik-wezenheid van een mens die zich volkomen aan Ahriman overgegeven heeft. Het Ik van deze mens slaapt in droomloze slaap; het is dan in de soortgelijke bewustzijnstoestand als de oude Zon, d.w.z. in de toestand van het plantenbewustzijn. Het is niet in staat welke moreel-creatieve activiteit dan ook te ontplooien en is als een machine werkzaam vanuit de noodzakelijkheid, maar het blijft toch als potentiële eigenschap bestaan.
Het gevaar dat Adzura voor de mensheid betekent, bestaat in het daadwerkelijke verbrijzelen van de hechtdraad die het verleden, heden en de toekomst tot een eenheid verbindt. Men stelle zich voor dat elk ogenblik iets anders zonder enig verband met het vorige en volgende zou brengen, dat er bv. geen ritmes van het jaar zouden bestaan, ook geen mechanische ritmes meer. Daar zou alles aritmisch zijn – als de polsslag van een in agonie verkerende zieke.
“Woorden tegen de Allerhoogste zal hij spreken, de heiligen van de Allerhoogste zal hij te gronde richten. Hij zal erop uit zijn bepaalde tijden en de wet te veranderen,” zegt Daniël over de heerser van het laatste “Rijk” van het kwaad. Met andere woorden: de tijd als eenheid en ritme zal vernietigd en de karmische wetmatigheid zal afgelost worden.

De laatste wezenheid van het kwaad zal zich in oppositie tot de Vader zelf stellen. Terwijl Lucifer ernaar streefde om een andere verhouding van de mens tot de geestelijke wereld te creëren, terwijl Ahriman Christus daardoor bestrijdt dat hij de mensheid in een mechaniseerde ruimte tot eenheid smeedt – in tegenstelling tot de eenheid van de mensheid door de aartsengelen van Christus – zal Adzura ernaar streven om de ketting van de Archai, die de vertegenwoordigers van de Vader zijn, te breken.

De Oude van dagen

Daniël spreekt echter ook van de karmisch voorbestemde uitkomst van deze poging. In majestueuze beelden schildert hij het gerechtshof dat de Oude van dagen zal houden: “Zijn gewaad was wit als de sneeuw en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol. Zijn troon waren vuurvlammen en de wielen ervan waren laaiend vuur. Een rivier van vuur stroomde en ging voor Zijn aangezicht uit. Duizendmaal duizenden dienden Hem en tienduizend maal tienduizenden stonden voor Zijn aangezicht. Het gerechtshof hield zitting en de boeken werden geopend… Ik keek toe totdat het dier gedood en zijn lichaam vernietigd werd, en aan het laaiend vuur werd prijsgegeven…Ik keek toe in de nachtvisioenen, en zie, er kwam met de wolken van de hemel Iemand als een Mensenzoon. Hij kwam tot de Oude van dagen en men deed Hem voor Zijn aangezicht naderbij komen. Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap, en alle volken, naties en talen moesten Hem vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden, en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan. Ik, Daniël, was tot in het diepst van mijn geest geraakt, en de visioenen die mij voor ogen kwamen, verschrikten mij.”

De weergegeven zinnen zijn buitengewoon rijk aan inhoud. Ze bevatten o.m. niet alleen de beschrijving van de uitkomst van de Adzurische opstand, maar ook de redenen waarom zijn nederlaag onvermijdelijk is. Want wanneer het kosmische uur geslagen zal zijn, waar “de boeken geopend zullen worden voor het gerecht” dan zal reeds de offerdaad geschied zijn van diegene die “Iemand als een Mensenzoon is”. Doordat Christus mens werd, schiep hij een karmische stroom die de uitkomst van het laatste gericht bepaalt. Door de overwinning op Ahriman zal als gevolg van deze overwinning ook de consequentie van de werking van Ahriman in de kosmos – het optreden van Adzura – overwonnen worden. In het vuur van de toorn van de Vader zal de wezenheid van Adzura vernietigd worden. Zo zal degene die de wezens vernietiging wilde brengen, zelf dit lot ondergaan.


Het mysterie van Golgotha

Aldus heeft het mysterie van Golgotha drie gevolgen in het wereldkarma: de innerlijke omkeer van Lucifer, de overwinning op Ahriman en de vernietiging van Adzura. Dit geschiedt niet door geweld, maar door het gericht. Want het mysterie van Golgotha is een gebeuren binnen het karma en valt op de weegschaal van vrijspraak van de mensheid voor de rechterstoel van de karmische gerechtigheid. Daarom moest nu eenmaal Christus mens worden om in het gebied van het mensheidskarma zijn intrede te doen en het te wenden. En de gevolgen van deze wending schildert Daniël door de beelden van het gericht dat de Vader zal houden.

De kennis van de drieheid van het kwaad is in het boek van Daniël voorhanden. Maar niet alleen de kennis van de drieheid van het kwaad, maar ook de eeuwige Triniteit van het Goede. Want in het besproken hoofdstuk is het imaginatieve schouwen van de Vaderwezenheid, de inspiratieve kennis van de Zoon en het intuïtieve verbintenis met de Heilige Geest, die Daniël had, geschilderd. De Vaderwezenheid kon Daniël alleen imaginatief schouwen, want de mens kan de Vaderwezenheid niet dichterbij treden dan het in de Imaginatie het geval is. Hij zou bv. de Intuïtie van de Vader niet verdragen kunnen, want de Intuïtie betekent een innerlijke opname in het eigen wezen. De wezenheid die op “de wolken van de hemel” – d.w.z. door de Zoonsfeer – verschijnt, kon Daniel een stap dichterbij komen; hij herkende haar in de Inspiratie. Het werd aan hem door “iemand die daar stond” de betekenis van zijn gezicht van de toekomstige heerschappij van de Zoon overgedragen. De Geest echter beleefde Daniël in zichzelf; hij was met haar verbonden in de directe intuïtie. – “Ik, Daniël, was tot in het diepst van mijn geest geraakt,“ zegt Daniël.

Beschouwt men echter het gehele boek van Daniël, dan kan men begrijpen op welke wijze Daniël de Vaderwezenheid herkende. Hij schouwde haar als de Oude van dagen, d.w.z. die wezenheid die zich door alle tijdgeesten (Archai) openbaart. En Daniël schouwde de reeks "dagen" in eindeloos perspectief: De beelden van de “dagen” van de kosmos speelden zich af voor zijn geestesoog. Tijdperk na tijdperk volgden elkaar in een ononderbroken reeks, maar door de beelden van de toekomstige en verleden dagen van de wereld heen openbaarde zich aan hem het aangezicht van de Oude van dagen, de oer-wezenheid van de wereld, die elke dag slechts zich als klein deel van zichzelf openbaart. De brandende raderen van het wereldgebeuren draaien voortdurend, maar op de vlammentroon die ze dragen rust de oer-wezenheid van de wereld.

Een wanneer het werelduur slaat, dan stuurt ze een straal de wereld in, en de wereld staat dan stil om berecht te worden. En de boeken van het wereldgeheugen worden dan geopend, en de Vader zal recht spreken over alle wezen van Zijn schepping die dan als vrije wezens voor Hem staan.

Uit zulke belevenissen ontstond de kunst; uit zulke belevenissen zal ze weer ontstaan. In de toekomst zal men zich niet permitteren om uit de fantasie te scheppen; de ernst van het kosmische gebeuren zal de fantasie tot zwijgen brengen voor de tekens die aan de hemel van het eeuwige Zijn zichtbaar worden. De geest van een zodanige kunst ademt aan meerdere passages de Bijbel; deze geest zal herrijzen – deze hoop mogen we koesteren.

Er werd in deze beschouwing getracht om het wereldkarma zoals het door Daniël herkend werd te schilderen. Zo veel hoopt de schrijver dezes bereikt te hebben dat de lezer een gevoel heeft meegekregen dat de Bijbel niet louter een deel van de geschiedenis van de mensheid bevat, maar ook diepgaande inzichten van het kosmische gebeuren. Vele geheimen van het wereldkarma kunnen in de Bijbel gevonden worden. Stap voor stap zal men in de toekomst de Bijbel leren lezen.

Nadat we aan hand van de Bijbel een hoofdstuk van het wereldkarma beschouwd hebben, is het logisch om tot de beschouwing van het menselijke karma, zoals het in de Bijbel herkend kan worden, over te gaan.

Kunnen diepere inzichten in het menselijke karma en reïncarnatie in de Bijbel gevonden worden? – Dit is de vraag die het onderwerp van de volgende beschouwing zal zijn. 

* * *



VI

Geestelijke leiding in de Oudtestamentische geschiedenis

1.  De geboorte van het geweten in de mensheid.

In de voorafgaande beschouwingen werd het Oude Testament als het boek  van het eugenetisch occultisme aangeduid en behandeld. Dit is inzichtelijk voor zo ver in het gehele Oude Testament het mysterie van de geboorte van de Messias centraal staat. Anderzijds geldt, dat het gebied van het eugenetisch occultisme niet beperkt is tot de geheimen van de lichamelijke geboorte. Het omvat iedere geboorte; ook de geboorte van een nieuw bewustzijn. Ook de geboorte van een nieuw bewustzijn is onderhevig aan zekere wetmatigheden; ook hier gelden voorbereidingen van lichamelijke en zielkundige aard om dit mogelijk te maken.  Iedere vorm van belichaming, waarbij iets geestelijks afdaalt, of het nu een ziel of een nieuw bewustzijn betreft, of de openbaring van een nieuw idee op het fysieke plan, behoort tot het gebied van het eugenetisch occultisme. Want de wetten van de geboorte zijn steeds gelijk; alleen in de afzonderlijke gevallen is de toepassing daarvan verschillend.

Deze “wetten” zijn vanzelfsprekend niet abstract formuleerbaar of beter gezegd, ze zouden op duizenden manieren kunnen worden geformuleerd, waarbij er honderde onderling in tegenspraak zouden zijn. Ze worden door geestelijke vormen en figuren gevat, en er zouden beschrijvingen van vele kanten nodig zijn om door al deze beschrijvingen de innerlijke figuur, de “wetmatigheid in het bewustzijn te laten opduiken. Dat is de reden waarom Rudolf Steiner bij verschillende gelegenheden wees op het feit, dat de bestudering van de geesteswetenschap op zich al een weg is die tot schouwen leidt. Door geesteswetenschappelijke feiten in het bewustzijn op te nemen openbaart zich door die geestelijke feiten, zoals bij een taal, de innerlijke figuur die ze tot een eenheid smeedt. De ontwikkelingsstadia van Saturnus, Zon, Maan en Aarde te kennen, betekent dan ook niet een schema van de werking van de Hiërarchieën op te stellen, maar veeleer door de beschrijving van deze werkzaamheid  zich tot een innerlijk aanschouwen van de wet op te laten zwingen, d.w.z. van een innerlijke figuur dat niet uit lijnen bestaat, maar uit kosmische bedoelingen. Dit geschiedt doordat het voorstellende denken, dat in het hoofd plaatsvindt, afdaalt in het gebied van de adem. Het verliest daarbij niets aan helderheid en precisie; het verkrijgt alleen de eigenschap om de kosmische gedachtelijnen (of stromingen) die de mens doortrekken met bewustzijn te volgen en die uiteindelijk heldere en overzichtelijke figuren worden.

Dit is de activiteit van het kenvermogen, waarvan de stromingen in het middelpunt van de keel hun centrum hebben. Dit is de kracht die de mens de mogelijkheid geeft om antroposofische waarheden direct te kennen. Deze afdaling van het bewustzijn uit het hoofd naar de keel is wat Dr. Carl Unger bedoelde toen hij zei: “Het ademen in het reine denken is het begin van helderziendheid.” (“Aus der Sprache der Bewusstseinsseele”). Een zodanig “ademen in reine denken“ ligt aan de grondslag van de zekere hoop dat de geesteswetenschap in de wereld zal worden opgenomen. Want door wetenschappelijke experimenten zou weliswaar kunnen worden aangetoond dat er etherische vormkrachten bestaan; door filologisch en historisch onderzoek zou kunnen worden aangetoond dat er bv. een Atlantische cultuur moet zijn geweest. Maar noch door experimenten, noch door filologisch en historisch onderzoek kan men  bewijzen dat bv. de Thronen, de Cherubim en Serafijnen de rechtvaardige gevolgen van het aardse leven van de mens voor zijn volgende levens vormen. En toch betreft het hier niet een kwestie van “geloof” maar men kan het te weten komen, wanneer men de kennismoed heeft om zich met alle kracht van het rustige denken zich in deze bovenzinnelijke feiten te verdiepen. Het komt daarbij aan op de moed om direct op geestelijke feiten in te gaan, zonder “grondslagen” en “bewijzen” te verlangen. Want zuivere geesteswetenschap kan door niets anders dan door zichzelf worden gegrondvest. En dit is ook het grootse in het levenswerk van Rudolf Steiner dat het op zichzelf is gebaseerd en dat het alles bevat, wat nodig is om zelf tot een eerlijke en zelfstandige overtuiging te komen. En tot een eerlijke en zelfstandige overtuiging komt men, wanneer men door de mededelingen van de geesteswetenschap wordt aangespoord om direct op de innerlijke waarheid in te gaan.

Een dergelijk rechtstreeks ingaan op de innerlijke waarheid is wat nodig is om door de onvermijdelijk eenzijdige beschouwingen over het Oude Testament te worden aangespoord tot een innerlijk begrip van zekere wetmatigheden. Één van deze wetmatigheden betreft die van de geboorte die het gehele Oude Testament doordesemd. Maar – zoals gezegd - deze betreft iedere vorm van geboorte, niet alleen de lichamelijke. Om deze reden begrijpen we van het Oude Testament vollediger, wanneer wij aan het voorafgaande toevoegen, dat het Oude Testament weliswaar de voorbereiding van een geboorte beschrijft, maar niet alleen van een lichaam, maar ook van een nieuw bewustzijn.

Deze andere kant van het Oude Testament is de voorbereiding van het geweten in de menselijke ziel. Wanneer de profeet Jeremia zegt:
“Zie, de tijd komt, zo spreekt de Heer, dat ik met het huis Israëls en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten; anders als het verbond dat ik met hun vaderen heb gesloten, toen ik hen bij de hand nam en ze uit Egypte leidde, waaraan zij zich niet hebben gehouden en waartoe ik hen moest dwingen; dit zal een verbond zijn dat ik vanaf nu zal sluiten met het huis Israëls, zo spreekt de Heer: ik wil mijn wet in hun innerlijk leggen en in hun harten schrijven.” (Jer. 31:31-34)
dan treft hij met  deze woorden de wezenskern van de andere kant van de oudtestamentische opgave, namelijk de voorbereiding van de geboorte van het geweten als de “wet die in het hart geschreven staat.”
De geboorte van een menselijk organisme, waarin het volmaakte geweten geboren kan worden - 
dat is een meer volledige formulering van de missie van het Oude Testament.

Indien nu de oudtestamentische ontwikkeling de verschijning van de Christus moest voorbereiden, dan kan men zich in verband met wat hierboven gezegd is afvragen:  Wat was er nodig opdat Christus kon verschijnen?  Het antwoord is in de eerste plaats dat een zodanig georganiseerd lichaam nodig was, waarin Christus zou kunnen leven en waardoor Hij zou kunnen werken.

Dit antwoord is echter in zoverre ontoereikend, daar het hierbij niet alleen gaat om een fysiek lichaam, maar ook om een etherlichaam en astraallichaam. Het laatste moet men zich daarbij niet voorstellen als louter substantie en structuur –eigenlijk geldt dit ook voor het fysieke lichaam –  maar als mogelijkheden om aan bepaalde waarheden van geestelijke en morele aard zielen- en levenskracht in het fysieke bestaansgebied te verlenen. Het gehele organisme dat Christus nodig had om op aarde te kunnen leven, moest derhalve een uitdrukking zijn van krachten, waar Christus kon aanknopen. Deze dienden de poort te zijn, door welke Hij in het aardse gebeuren kon binnentreden. De menselijke organisatie moest zodanig geschapen zijn, dat deze een innerlijke verwantschap had met het wezenselement van Christus.

Wat nu is deze poort waardoor Christus kon binnentreden in de aardse gebeuren? Waaruit bestond  de bodem die Hij als uitgangspunt voor Zijn aanstaande verbinding met de aarde kon betreden? De poort waardoor Hij naar de aarde kon neerdalen was het geweten dat zo was machtig was, dat het lichaamsvormend kon werken.

Waartoe vuur, lucht, water en aarde alleen nooit in staat waren te doen, dat moest door diegene kracht worden opgebracht die de natuur niet kon bieden, namelijk de kracht van het geweten. Van buitenaf gezien is het juist om te zeggen: de Christus nam Zijn intrek in een menselijk lichaam, maar innerlijk gezien moet men zeggen: de Christus nam Zijn intrek in het geweten van de mensheid. Het geweten is de toegangspoort die de verbinding van de Christuswezenheid met de aardemensheid mogelijk heeft gemaakt.

Het feit dat er op aarde een geweten voorhanden was dat in de drie lichamen klaarwakker was, ja dat de drie lichamen wakker hield,  dat heeft de mensheid aan de mogelijkheid van Christus’ afdaling naar de aarde te danken. Om dit te kunnen begrijpen, dient men te bedenken dat het geweten niet louter een “gewaarwording“ is, maar – indien ten volle ontwaakt – een toestand in de menselijke wezenheid, waar de geest de waarheid weet, waar de ziel als ziel de waarheid weet en waar het lichaam als lichaam de waarheid weet. Het geweten is het samenweten van de geest, de ziel en het lichaam.

In het geweten spreekt de gehele wezenheid van de mens de waarheid uit – daar wordt zij gelijktijdig door de geest, de ziel en het lichaam uitgestraald. Mocht het Ik deze lichamen verlaten – werken ze alleen [d.w.z. zelfstandig] in de zin van de waarheid verder. Dit was de toestand van de drie lichamen van Jezus van Nazareth toen Hij, verlaten door het Zarathoestra-Ik, zich naar de Jordaan begaf om in de doop door Johannes de Christus in Zich op te nemen. Aldus schreed destijds het geweten van de mensheid naar de Jordaan, en liet zich niet door het ongeluk van enkele mensen die het ontmoette weerhouden; want het was het geweten van de mensheid, dat naar de Jordaan schreed en in naam van de gehele mensheid,  en in het bewustzijn van haar schuld om hulp riep in de hemelen – totdat van boven de woorden weerklonken: “Dit is mijn geliefde Zoon, heden heb ik Hem verwekt.”

Nadat de Christus Zijn intrek nam in de gewetenswakkere omhulsels van Jezus bij de doop in de Jordaan, was het eerste wat Hij als realiteit van het aardse bestaan tegenkwam, het element van het geweten.

De volheid van de geestelijke wereld trok zich terug, de eenzaamheid van de gewetenservaring kwam ervoor in de plaats. En in deze toestand, de volheid van de geestelijke wereld achterlatend, na veertig dagen in eenzaamheid in de woestijn te hebben doorgebracht, brak het moment aan dat Hij de drie oer-verzoekingen van het geweten op aarde moest doorstaan.

Bij deze drie verzoekingen in de woestijn kwam het niet aan op de vanuit de geestelijke wereld verkregen inzichten, ook niet op de macht over de aardse natuur, maar op de beslissende stem van het geweten. Pas nadat Hij, eenzaam en verlaten, vanuit zijn innerlijk de verzoekingen had doorstaan, “traden de Engelen naderbij en dienden Hem,” d.w.z. de geestelijke wereld opende zich weer en omringde hem wederom.

De veertig dagen in de woestijn zijn de tijd waarin de Christus het geweten met Zijn wezenheid doordrong. Deze tijd behelst het geheim van het Kali-Yuga, het duistere tijdperk van de geschiedenis van de mensheid. Deze tijd behelst echter ook het geheim van het individuele Kali-Yuga van afzonderlijke mensenzielen, die zolang moeten hongeren en dorsten naar de geestelijke wereld, totdat het geweten de beproevingen van de “woestijn” het hoofd kan bieden en daardoor zo versterkt is dat het de kracht kan geven die de geestelijke wereld opent, zonder dat de mens het gevaar loopt de verworven zelfstandigheid en vrijheid daardoor in te boeten.

Zo zijn er dus drie stappen die men moet zetten om het geweten te wekken, voordat men een stap kan zetten op het gebied van geestelijke ervaring. Iedere geestelijke kennis dient voorafgegaan te worden door een levende vraag die een gewetensvraag moet zijn. En pas nadat de gewetensvraag door het denken, voelen en willen heen is gegaan, verschaft de geestelijke wereld de ervaring waarbij datgene wordt geopenbaard wat zij als antwoord op de vraag te zegge heeft. Daarom is het slechts enkel figuurlijk maar exact bedoeld als Rudolf Steiner zegt: “Wanneer iemand één stap voorwaarts probeert te zetten op het gebied van kennis van geheime waarheden, moet hij drie stappen zetten in de richting van een vervolmaking van zijn karakter. (“De weg tot inzicht in hogere werelden”). De vervolmaking van het karakter naar het goede toe bestaat echter met name hierin dat het een uitdrukking wordt van het geweten.


Het opstijgen in de geestelijke wereld moest worden voorafgegaan door een geboorte van het geweten. Omdat nu, nadat het karma van de zondeval van de mensheid tot een volledige verduistering van de geestelijke wereld had geleid, het opstijgen in de geestelijke wereld alleen te danken is aan het feit, dat de Christus op aarde was, moest dus aan de mogelijkheid om op te stijgen, d.w.z. het verschijnen van Christus, de gewetensvraag over de zondeval en de vereffening ervan voorafgaan. Vóórdat de Christus  afdaalde moest er op aarde een geweten zijn, dat uiteindelijke alle kracht had geconcentreerd  op de éne vraag:
 “De mensheid is verduisterd. Ze is ziende blind en horende doof geworden. De gevolgen van de zondeval rollen  onstuitbaar verder. De vlam van de herinnering en de hunkering in hun hart zijn er nog wel, maar deze herinnering en hunkering zullen verdwijnen …de harten zullen hard worden als steen. En dan zullen de grootst denkbare openbaringen van de hoogst denkbare wijsheid nutteloos zijn, want er zal niemand meer zijn die in staat is deze op te nemen. De ondergang van de mensheid is onvermijdelijk als er niet een nieuwe kracht naar beneden daalt die zodanig zal werken, dat blinden ziende worden,  stommen zullen spreken, doven zullen horen en  verlamden zullen opstaan…De mensheid kan dit niet uit zichzelf; de elementen vuur, lucht, water en aarde kunnen het niet – alleen een hemels zonnewezen zou hiertoe in staat zijn…Zal dit wezen het doen?”
Deze vraag leefde in al haar pijnlijkheid in het wezen dat schreed naar de doop in de Jordaan. Het was zijn totale bestaanskracht – het ontwaakte geweten van de mensheid was de kracht die in Jezus ademde, die zijn ledematen bewoog, die zijn ogen gezichtsvermogen verleende en zijn oren gehoorvermogen. Hij was de volmaakte uitdrukking van het geweten. Hij was mensheidsrepresentant, zowel in de zin dat alle smart van de mensheid in Hem leefde, alsook zodanig dat Hij het volkomen heil voor de mensheid in Zich opnam.

Dit moet in de denkbaar concreetste zin opgevat worden. Want ook Zijn uiterlijk kan men zich pas voorstellen, wanneer men het opvat als de zichtbaar geworden uitdrukking van het geweten van de mensheid. Het had niet de klassieke schoonheid van een Apollo, ook niet de boven de wereld verheven rust van een Jupiter; het gelaat drukte smart uit, de smart die ontstaat wanneer het bewustzijn door alle gevolgen van de zondeval is ontwaakt. En nadat dit gelaat van zelfloze smart na de doop in de Jordaan de trekken van de grootsheid en rust kreeg, die het door de tegenwoordigheid van het oerwezen van de Liefde werd verleend,  nam het die vorm aan wier trekken men kan opmaken, wanneer men de mensheidsrepresentant van de uit hout gesneden Groep in het Goetheanum beschouwt.

Wat Rudolf Steiner daar voor de toekomstige generaties heeft neergezet, is niet klassieke schoonheid, maar het beeld van het volmaakte geweten van de mensheid hetwelk van zichzelf weet dat eens is met de wil van de Godheid. Zo staat dit beeld van het geweten van de mensheid als een appèl om de weg te bewandelen, die door de pijn naar rust leidt. Rond eromheen echter zoeken de mensen naar wegen die zonder pijn naar rust leiden.

Het Oude Testament is de geschiedenis van de voorbereiding van een zodanig menselijk organisme, dat men kan aanduiden als “gewetensorganisme.” Want alleen in een dergelijk organisme kon de Christus leven. De voorbereiding van de geboorte van het volkomen geweten vond plaats op verschillende en gecompliceerde wegen over een lange periode. Op deze wegen zal nu in het volgende hoofdstuk worden ingegaan.

2.     Boeddha, Elia, Jezus

In de voordrachtscyclus “Der Christusimpuls und die Entwickelung des Ichbewusstseins“ (Berlijn 1909/1910, GA 116, vertaald als “Het Geweten”) zegt Rudolf Steiner dat de goddelijk-geestelijke leiders van de mensheid in het verloop van de ontwikkeling voor het feit werden gesteld, dat er iets was in de mensheid dat hun onbekend was, namelijk het geweten. Om dit te leren kennen, moesten zij naar de aarde afdalen en incarneren, want vanuit de geestelijke wereld was het geweten voor hun niet kenbaar.

Nu zou men op grond hiervan kunnen concluderen, dat er bij de wezenheden van de geestelijke wereld geen geweten bestaat en dat het geweten uitsluitend op aarde en door de aardemensheid kan worden ontwikkeld. Deze opvatting is in zoverre gerechtvaardigd, voor zover men het menselijk geweten bedoelt in positieve zin, maar dit is ontoereikend als men de eigenschap van het geweten bij de hiërarchische wezenheden ontkent. In werkelijkheid hebben alle wezenheden van de wereld een geweten, d.w.z. de kracht van de morele fantasie, zoals deze uitdrukking in de “Filosofie van de vrijheid” (GA 4) door Rudolf Steiner is geformuleerd  

Ieder wezen draagt het geheim van zijn individualiteit in zich, want het geweten, als een innerlijke scheppende bron, is nu juist datgene, wat wezens – ook de hiërarchische wezensheden –  tot individualiteiten maakt. Een individualiteit kan als zodanig alleen bestaan, wanneer ze iets toe te voegen vermag aan het haar omgevende gebeuren, iets dat enkel en alleen vanuit en door haar kan ontstaan. De hiërarchieën van het goede in de wereld zijn geen automaten, ook wanneer de keuze tussen goed en kwaad voor hen niet in aanmerking komt. Zij dienen het goede door vanuit hun geweten voortdurend zoeken naar nieuwe en meer volkomen offerdaden. De morele fantasie van het goede is onbegrensd; de wezenheden die het goede dienen onderscheiden zichzelf door de keuze van offerdaden die zij verrichten. Zij zien in vrijheid af van rechten die zij in de kosmos hebben om door een offer iets te volbrengen, dat nog grootser is dan datgene waartoe zij tot in staat zouden zijn als zij bij hun rechten zouden zijn gebleven.

Iets dergelijks geldt ook voor een bepaalde groep mensenzielen, die in de lichaamsvrije bestaansvorm in het Devachan beslissingen nemen over het verloop van hun aanstaande aardelevens. Zo kan bv. een mensenziel het karmische recht hebben op een harmonisch en zonnig bestaan, omgeven door vrienden in een omgeving die past bij hun aard. Dat is nu het recht van deze ziel. Maar het kan ook gebeuren, dat een dergelijke ziel in het licht van haar geweten het aanstaande aardse leven toetst en vrijelijk afziet van het lot dat haar door het karma is aangeboden. Het geweten van een dergelijke ziel kan bij zichzelf zeggen:

“Jij staat nu voor de mogelijkheid van een harmonisch leven op aarde. Jij staat niet voor de noodzaak je krachten te verbruiken in strijd en leed. De mensheid zal echter ondertussen onderhevig zijn aan beproevingen waar jij niet actief mee betrokken zal zijn. Jouw hulp in de strijd om de waarheid is meer van node voor de mensheid dan jouw geluk.” Aldus kan een ziel een missie verkiezen, die in een geheel andere levensloop uitmondt als waartoe zij recht op had. Dientengevolge kan het zijn dat de desbetreffende ziel door het lot op aarde middenin een strijd wordt geplaatst, die tijdens haar leven ook zonder succes kan aflopen.

In dit geval gaat het niet om de keuze tussen goed en kwaad maar om goed en beter. En de vaardigheid om tussen goed en beter te beslissen, is het geweten van de geestelijke wezensheden die niet geïncarneerd zijn.  

Het is dus niet het feit van het geweten als zodanig dat een raadsel is voor de geestelijke wezens bij de mensheid, maar het feit dat menselijk geweten geplaatst is in de keuze tussen goed en kwaad. Want op die manier geplaatst zijn tussen goed en kwaad is enkel mogelijk in een menselijk organisme, omdat de mens niet alleen geplaatst is voor het kwaad maar het ook in zichzelf opgenomen heeft. De mensen ervaren goed en kwaad innerlijk, wat zij hebben die in zich opgenomen.

De geestelijke wezenheden kunnen het kwaad niet in zichzelf opnemen - zij kunnen voor het kwaad staan, kunnen ook de werking ervan kennen, maar innerlijk ervaren kunnen ze het niet. Want als een geestelijk wezen het kwaad in zich zou opnemen, dan zou het onvermijdelijk een kwaad wezen worden. Geestelijke wezens zijn gehele wezens, alleen de mens vermag een dubbelnatuur in zichzelf te verbinden.

Dit is het gevolg van de zondeval, die een nieuwe situatie in de kosmos veroorzaakte: de aanwezigheid van wezens die het goede maar ook het kwade innerlijk kunnen ervaren. De mensheid is nu eenmaal daadwerkelijk zondig, want zij heeft het kwaad in zichzelf opgenomen. Maar daardoor heeft de mens een mogelijkheid die andere wezens niet hebben, namelijk de intuïtie van het kwaad naast de intuïtie van het goede.

Dit feit bevat een ongehoord kosmisch risico, het kan immers gebeuren dat de mensheid gesteld raakt op het kwaad. Opdat dit niet moge gebeuren, d.w.z. opdat het evenwicht in het menselijke organisme niet ten gunste van het kwaad zou overslaan, werd vanuit de geestelijke wereld sinds oeroude tijden de mensheid hulp aangeboden. Deze hulp bestond hierin, dat voortdurend nieuwe krachten van boven naar beneden gingen stromen, om het goede in de mensheid te versterken. Met dit doel daalden hogere wezens af, daarbij afziend van hun hogere rechten, om zich direct met de mensheid te verbinden. Tot zulke wezenheden behoren die drie wezenheden, waaraan de mensheid veel te danken heeft, en die in de occulte wereldgeschiedenis werden aangeduid met de namen Boeddha, Elia en Jezus.

Jezus

De Jezuswezenheid, die in de Nathanische Jezus deels was geïncarneerd, werkte vanaf de Lemurische tijd harmoniserend in op het menselijk organisme. Zij is een Aartsengelwezenheid die afdaalde tot de hiërarchie van de Engelen om daardoor meer rechtstreeks met de mensheid in verbinding te kunnen staan. Rudolf Steiner beschrijft de gevolgen van de drievoudige doordringing van de Jezuswezenheid door Christus – in de Lemurische tijd, in het eerste derde deel van de Atlantische tijd en in het laatste derde deel ervan – als de harmonisering van de zintuigen (Lemurische tijd), van de levensprocessen (in het begin van de Atlantische tijd) en van de zielekrachten (aan het einde van de Atlantische tijd).

Door de Jezuswezenheid werden de twaalf zintuigen zodanig geharmoniseerd, dat ze zich innerlijk in evenwicht hielden, hetgeen bv. bij dieren niet het geval is.

De zeven levensprocessen werden eveneens in evenwicht gebracht, waardoor het zieleleven van de mens in zichzelf kon beleven zonder in de afzonderlijke levensprocessen geheel op te gaan. Als gevolg daarvan ontstond de vaardigheid om zich in vocalen uit te drukken door de taal.

Tenslotte werden  de drie zielenkrachten van het astraallichaam – denken, voelen en willen – zodanig geharmoniseerd, dat een Ik-belevenis tot stand kon komen. Het Ik dook niet meer geheel onder in deze drie zielenkrachten, maar kon zichzelf onafhankelijk hiervan beleven. Daardoor ontstond de menselijke taal, waarbij door vocalen en consonanten objectieve dingen tot uitdrukking konden komen.

In het vierde na-Atlantische tijdperk vond de vierde doordringing van de Jezuswezenheid door de Christus plaats. Hierbij ging het om de harmonisering van het Ik, zoals voorheen respectievelijk het fysieke, ether- en astraal lichaam werden geharmoniseerd. Nu is het zo dat het Ik zich uitdrukt door deze drie lichamen als de krachten van de gewaarwordingsziel, de verstandsziel en de  bewustzijnsziel en wel zodanig dat de tot het fysieke lichaam afdalende Ik-kracht als bewustzijnsziel, terwijl de Ik-werkzaamheid die zich uitstrekt tot het etherlichaam als verstandsziel wordt en het in het astraallichaam werkzame Ik als de gewaarwordingsziel worden ervaren. De harmonisering van deze zielengeledingen vindt plaats door de kracht van de liefde, want in de liefde wordt de mens één geheel, waarbij intenties, gevoelens en daden met elkaar in overeenstemming zijn. De opvattingen en de daden van de mens worden alleen door liefde met elkaar in overeenstemming gebracht; kennis alleen vermag dit niet. De harmonisering van de Ik-krachten vindt plaats door de liefdesimpuls, die door Christus Jezus in de aardeontwikkeling werd geplant.


Opdat echter de verschijning van de Christus mogelijk kon zijn, moest er een langdurige voorbereiding van de  opwekking van het geweten aan vooraf gaan. Het geweten van de drie zielegeledingen moest volledig ontwaakt zijn, opdat de liefde kon worden geboren. En er waren in de voorchristelijke tijd geestelijke wezenheden werkzaam in de zin van de opwekking van het geweten in de menselijke gewaarwordingsziel, de verstandsziel en de bewustzijnsziel om de incarnatie van Christus mogelijk te maken. Deze werkzaamheid had de sterkste werking bij drie zulke wezens die uit de hiërarchie van de Engelen het menselijk innerlijk voorbereidend omvormden.

Guatama Boeddha

Een van deze wezenheden werkte al sinds lange periodes door individuele mensen totdat hij in de zesde voorchristelijke eeuw naar beneden daalde ter incarnatie en de wereldhistorische doorbraak van “het ontwaken van de Boeddha” realiseerde. Bij Gautama Boeddha hebben wij te maken met een wezen uit de derde hiërarchie, dat een menselijk organisme volledig doordrong, d.w.z. tot en met het fysieke lichaam. Willen wij ons een objectieve voorstelling maken van het wordingsproces van de Boeddha door prins Siddharta, zoon van koning Soeddhodana, dan dienen wij ons deze wording voor te stellen als een ontwaken door de kracht van het geweten. Want vóór de verlichting onder de Boddhiboom was de Boeddha een mens, voor wie de geestelijke wereld gesloten was. De aanblik van ziekte, ouderdom en dood werkte in hem met een geweldige kracht die een bovenmenselijk wezen eigen is, en die de vraag naar het lijden van de mensheid en naar de oorzaak ervan wakker riep. Het hiërarchische wezen openbaarde zich hierbij niet middels een weten maar door de kracht waarmee vragen in hem oprezen. Wat de Boeddha van de menselijke ingewijden in die tijd onderscheidde, was niet zozeer zijn overtreffende kennis – want hij wist minder dan de anderen, hij ging in de leer bij Brahmanen en boetelingen –  maar zijn bovenmenselijke kracht waarmee hij vragen stelde. Het bovenmenselijke openbaarde zich in hem middels de kracht van het geweten. Deze kracht van het geweten leidde hem tot het ontwaken van het Boeddha-bewustzijn, waarbij hem dan een hogere wijsheid geopenbaard werd.

Aldus kunnen wij zeggen: in de Boeddha zien we een menselijk bewustzijn, waarbij aan het menselijke vragen een bovenmenselijke gewetenskracht werd verleend. Wanneer wij echter tegelijkertijd bedenken dat het fysieke organisme van de Boeddha door een hiërarchisch wezen werd aangeraakt, dan kunnen wij het Boeddha-gebeuren als het ontstaan van het voorbeeldige geweten van de bewustzijnsziel opvatten. Want de bewustzijnsziel is dat deel van de Ik-wezenheid dat in het fysieke lichaam tot uitdrukking komt.

Door dit feit is het ook te verklaren wat de grondeigenschap van het Boeddha-geweten is, namelijk dat het een individueel geweten is. Want de bewustzijnsziel is op zichzelf niet sociaal; doordat zij zich uitleeft in het fysieke lichaam, beleeft zij zichzelf als een afgescheiden, op zichzelf aangewezen wezen, dat niet door een gemeenschappelijke adem gebonden is aan de menselijke gemeenschap. Daarom stelt prins Siddhartha, bv. bij de aanblik van een lijk de vraag: “Zal ik ook sterven?” Zijn vragen betreffen het lot van het individu, hetgeen nu eenmaal kenmerkend is voor de bewustzijnsziel. Maar hij richt zich later uiteraard tot de mensheid doordat hij de “vier heilige waarheden” – het lijden, de oorzaak van het lijden, de bevrijding van het lijden en de weg die naar deze bevrijding leidt – predikt, maar zowel de inhoud van zijn leer alsook zijn houding zijn zodanig dat hij zich eigenlijk alleen aan enkele individualiteiten wendt.

Het feit van de Boeddha-wording is er ter wille van de gehele mensheid; de leer van de Boeddha kon nooit  een algemeen-menselijk betekenis verkrijgen. Want in zover de gehele mensheid eenmaal de bewustzijnsziel ontwikkeld moet hebben, komt in zover de voorbeeldige bewustzijnsziel van de Boeddha in aanmerking voor de gehele mensheid; in zover echter de weg die Boeddha leert, die tot voorchristelijk doelen leidt, is in zover deze alleen voor een aantal individualiteiten weggelegd.

Derhalve zette de wezenheid die zich als de Boeddha belichaamde het ontwaakte individuele geweten van de bewustzijnsziel neer voor de mensheid.

Elia
Geheel anders was de werkzaamheid van een andere wezenheid die voor het ontwaken van het geweten van de gewaarwordingsziel moest worden verricht. Daarvoor was het niet noodzakelijk om helemaal tot in het fysieke lichaam af te dalen; zij werkte aan de Ik-krachten van het astraallichaam. Preciezer zou het uiteraard zijn om te zeggen: zoals de Boeddha werkzaam was in het door het etherlichaam doortrokken fysieke lichaam, zo werkte deze wezenheid, in de Bijbel bekend als Elia, in het door het etherlichaam werkzame astraallichaam. Want de werkzaamheid van Elia, zoals die in de Bijbel beschreven wordt, uit zich namelijk daarin, dat die een mens overschaduwt, zonder er geheel in op te gaan, tegelijk hem een elementaire kracht verlenend. De Elia-wezenheid incarneert zich niet, maar werkt door de Ik-organisatie van het astraallichaam, dit omhullend en omzwevend. Als een wolk omringt zij de mens door wie zij werkt, zonder evenwel geheel in de betrokken mens af te dalen.

Omhullend geweld” -  dit is de indruk die men krijgt als men de gestalten in Bijbel bekijkt door wie zij werkzaam was. Toch is het natuurgeweld waarmee de Elia-kracht werkte, en die tot uiting komt in diverse wonderdaden, die in het Oude Testament geschilderd zijn, niet het wezenlijke waar het op neer komt om een de Elia-wezenheid te begrijpen. Meer wezenlijk nog dan de macht over de elementaire krachten is haar morele werking. Dit laatste bestaat namelijk niet in het opwekken van het individuele, maar het volksgeweten van de Israëlitische volksgemeenschap.

Zo was bv. de profeet Naboth-Elia, toen hij tegenover de schare van de Baälpriesters stond, niet slechts een mens, maar ook de stem en de kracht van de wezenheid die het volksgeweten vertegenwoordigde. En doordat hij het natte hout op het altaar door bliksem deed ontsteken, verkondigde hij door dit teken dat, hoewel de harten van Israël door de Baälsdienst van de Jahweh-leiding uiterst vervreemd waren, ze toch als met natuurgeweld door een vuur geraakt konden worden, zoals het natte hout door het vuur kon worden geraakt. Want indien de geestelijk-morele kracht van Jahweh de macht had om in de buitenmenselijke natuur iets onbrandbaars te doen ontvlammen, zou het dan ook niet de kracht hebben om in de menselijke natuur de vervreemde harten te doen ontvlammen?


In deze samenhang is het aangebracht om enkele noodzakelijke dingen over de verhouding van de Eliawezenheid tot Jahweh te zeggen. De geestelijke leiding van het volk Israël was in werkelijkheid veel gecompliceerder dan uit de uiteraard juiste maar vage voorstelling “van het voor Jahweh uitverkoren volk” blijkt. Wil men deze leiding wat preciezer voorstellen, dan zijn het – afgezien van de leidende menselijke individualiteiten – namelijk vier geestelijke wezenheden (een vijfde wezenheid werkte op een zeer verborgen wijze) die de leiding van het Israëlitische volk “in handen” hadden. Deze wezenheden zijn dermate diep met elkaar verweven dat men een hoger wezen waar zij zich ondergeschikt aan stelden, en dat door hen heen werkt, kan waarnemen. Zo was het “Ik-ben”- wezen, dat door Jahweh-Elohim heen tot Mozes sprak, de Christuswezenheid Zelf. Christus werkte door Jahweh; waarbij Jahweh als het ware het aangezicht van Christus was vanaf het begin van de oudtestamentische geschiedenis. Zoals de maan het zonlicht ’s nachts indirect doorgeeft, zo geeft Jahweh het Christuslicht van het Ik-ben door.

Het Hebreeuwse volk was dan wel een uitverkoren volk maar toch een volk, d.w.z. het had ook een volksgeest. Deze volksgeest moest een universele impuls voor de mensheid in één volk zien te realiseren. Dit was de Aartsengel Michaël die werkte als het aangezicht van Jahweh. De Aartsengel Michaël was de volksgeest van Israël, omdat hij bijzonder geschikt was om de algemeen menselijke oogmerken die door dit volk dienden te worden verwerkelijkt als volksgeest te vertegenwoordigen.

Volkeren hebben echter niet alleen volksgeesten maar ook volkszielen. De volksziel mag men zich niet alleen als een wolkachtige aura om een volk heen voorstellen, als de som van de afzonderlijke zielen, maar als een concreet geestelijk wezen, in de regel een Angeloi. Men dient daarbij te bedenken, dat de ontwikkeling die van een individuele beschermengel leidt tot een volksgeest of Aartsengel niet sprongsgewijs plaatsvindt maar in bepaalde fasen verloopt. Voordat een Engel opstijgt tot de waardigheid van een Aartsengel, doorloopt hij het overgangsstadium van de volksziel. De volksgeest werkt anders dan de volksziel, die weer anders werkt dan de individuele beschermengel. Het onderscheid met de beschermengel is haar omvattende werkzaamheid binnen een volk. Het onderscheid echter met de volksgeest is dat hij meer op een engelachtige dan een aartsengelwijze werkt.

Daar komt nog aan toe, dat ook niet alle Aartsengelen volksgeesten zijn, maar dat er onder de Aartsengelen ook zodanige zijn die zich in een overgangsstadium naar de Archai bevinden. Er zijn er bv. zeven Aartsengelen die gedurende korte perioden van drie à vier eeuwen als een soort tijdgeest werken. De Archai zijn geesten van gehele cultuurperioden van ongeveer 2200 jaar;  binnen deze periode zijn er zeven elkaar afwisselende perioden die worden beheerd door de tot de rangorde van Archai opstijgende Aartsengelen. Iets vergelijkbaars geldt ook voor de overige hiërarchieën. Deze terloopse opmerking is in zover nodig omdat ze aansporen kan de hiërarchieën niet schematisch voor te stellen, maar ze ook in hun individuele menigvuldigheid op waarde te schatten.

Een dergelijke menigvuldigheid te erkennen is bijzonder belangrijk met betrekking tot de Engelenhiërarchie, die juist boven de mens staat. Daar dient men zich in het begin tenminste drie groepen van Engelwezenheden voor te stellen: de individuele schutsengel, de Engelen met een bijzondere missie die voor karmische mensengroepen werken en de als volksziel werkzame Engelen. Deze laatste zijn, zoals gezegd, het voorstadium van de Aartsengelenhiërarchie.

Om de soort werkzaamheid van de volkszielen concreet te begrijpen, moet men die met de soort werkzaamheid van de schutsengel en degene van de volksgeest vergelijken. De schutsengelen inspireren namelijk het Ik van de mens als dit tijdens de slaap in de geestelijke wereld vertoeft. De Aartsengelen inspireren daarentegen het astraallichaam van de mens eenmaal per jaar in de kersttijd. De volksziel inspireert het in het astraallichaam aanwezige Ik en werkt op de gewaarwordingsziel.

Terwijl de mens de Engel tijdens de slaap ontmoet, dus als het Ik en het astraallichaam los zijn van het etherlichaam en het fysieke lichaam, ontmoet de volksziel de mens aan de grens van het astraallichaam en het etherlichaam, waar het etherlichaam reeds met het astraallichaam verbonden, maar nog niet afgedaald is in het fysieke lichaam – daar waar dromen ontstaan. Daarom uit de volksziel zich namelijk door de waardromen van een volk, door sagen en sprookjes, die daardoor ontstaan. Want niet alleen de individuele mens droomt; volkeren dromen eveneens. En door zulke volksdromen probeert de volksziel de inspiraties van de volksgeest voor het bewustzijn van de mensen te interpreteren. De volksziel is de duider van de oogmerken van de volksgeest met name door het beeldend-symbolische element bij het ontstaan van sagen en sprookjes. Zij draagt de waardromen van de volkeren over die leven in de gewaarwordingsziel. Voor de verstandsziel hebben deze sagen en sprookjes maar weinig betekenis en voor de bewustzijnsziel eigenlijk helemaal geen; maar in de gewaarwordingsziel leven ze sterk en tekenen ze het geweten van het volk op. Want zoals het individuele geweten in het voelen, denken en willen een innerlijke herinnering is aan datgene wat de mens in de slaaptoestand door de ontmoeting met de Engel heeft ontvangen, zijn de sagen en sprookjes voor de volkeren datgene ontstaan wat ze voor het bewustzijn heb onthouden van de ontmoeting met de de volksgeest duidende volksziel. En het is in deze samenhang van belang te vermelden, dat om geen andere gestalte in het Oude Testament zich meer sagen in het Joodse volk gevormd hebben en bewaard zijn gebleven dan om de gestalte van Elia. Zelfs in de Bijbel vertoont Elia mythische karaktertrekken. Hij is immers de enige gestalte in het Oude Testament die levend op een vurige paard ten hemel steeg.

Daarmee is het feit uitgesproken dat Elia de volksziel van het Hebreeuwse volk was. De opgave van de Elia-wezenheid was namelijk om het gemeenschapsgeweten van de Israëlitische volksgemeenschap te wekken. Maar zij kweet zich van deze taak met een grotere macht dan van een gewone volkszielwezenheid kan uitgaan. Want de Eliawezenheid was geen tot de rangorde van volksziel opgestegen Engel, maar een abnormale Engel, die met Aartsengelkrachten begaafd was afgedaald tot de rangorde van volksziel.

Dat is de reden dat Elia een macht had die uitging boven die van normale volkszielen. Hij was een Engel die door de Ik-ben-kracht van de Elohim werkte. Daarom had hij de macht van de tweede Hiërarchie, d.w.z. hij beschikte over de elementaire krachten van vuur, lucht, water en aarde.

Binnen de menselijk wezenheid werkte Elia eveneens sterker dan een gewone volksziel. Want terwijl een normale volksziel werkt middels het ontstaan van sagen en sprookje, werkte Elia zodanig, dat hij niet enkel beelden deed opriep in het bewustzijn van de gewaarwordingsziel: veeleer verleende hij deze beelden objectieve elementaire macht, zodat ze tot gebeurtenissen, “wonderen” werden. Daardoor moesten  schokken van de mensenzielen opgeroepen worden om ze weer wakker te schudden worden voor de roeping van Israël. Elia werkt als donder en bliksem in op de mensen; de verschrikte gemoederen werden met een bliksemachtige schok wakker voor het vergeten verbond met Jahweh. Ze bekeerden zich, zij kwamen tot inkeer. – Deze bijzondere geaardheid van Elia’s optreden leefde lang voort in de herinnering van de mensheid. Zo hebben nog de Russische boeren vóór de revolutie in de donder van de natuur altijd nog de hand van Elia gezien: “Elia is boos” pleegde men bij onweer te zeggen.

De betekenis van deze uitspraak reikt verder dan men op het eerste gezicht zou denken. Want de kracht van Elia, die de mensenzielen aan het schrikken bracht, was eigenlijk de kracht van de heilige toorn van de geestelijke wereld. In Elia openbaarde zich de voorbode van het toekomstige wereldgericht, de dag van het laatste oordeel voor de aarde en haar mensheid. De scheppingskrachtenbaan  van de Elia-wezenheid steeg helemaal op tot de sfeer van de Vader; in de Vadersfeer dient de hoogste bron van de Eliaskrachten te worden gezocht. Want Jahweh-Elohim, die achter Elia stond, was niet alleen het aangezicht van Christus, maar ook de richtende hand van de Vader.

Toen Jahweh Israël onder Zijn hoede nam, betekende dit niet alleen dat de blik van de Zoon op dit volk rustte, maar ook dat de hand van de Vader Zich zowel behoedend als bestraffend uitstrekte over de lotgevallen van dit volk. Nu is het zo dat de mensheid de liefde van de Vader in het geheel niet vatten kan; de hoogst mogelijke kennis van het wezen van de liefde die tijdens het leven mogelijk is, is de kennis van de liefde van de Zoon. De Vaderliefde beleeft de mensheid in de vorm van de heilige toorn: dat is de hoogste macht in de kosmos. En deze macht werkte ook in Elia toen hij middels een in de gewaarwordingsziel opgewekte schrik het volksrouw en de volksboete opriep.


Terwijl de Boeddha door innerlijk inzicht het voorbeeldige individuele geweten voor de mensheid plaatste. terwijl Elia door schrik van buitenaf het gemeenschapsgeweten wakker schudde, werkte er nog een derde wezenheid aan de voorbereiding van het volmaakte geweten en wel zodanig, dat zij beide werkingen verenigde. Voor een goed begrip van de werkzaamheid van de Nathanische Jezus (ter onderscheid van Zarathustra) in de tijd dat de Christus hem voor de vierde keer doordrong, moet in de eerste plaats worden gewezen op het feit, dat terwijl zij zich aan het voorbereiden was op haar missie - de harmonisering van de ik-krachten – hij ook in deze voorbereidingstijd al harmoniserend, vereffenend werkzaam was.

Dit was namelijk mogelijk omdat de gemoeds - of verstandsziel op zichzelf al de verbindende schakel vormt tussen de naar buiten gerichte gemoedsziel en de naar binnen gerichte bewustzijnsziel. Ook om deze reden heeft Rudolf Steiner deze zielegeleding wel aangeduid als de “gemoeds- of verstandsziel.” Deze zielegeleding heeft een dubbelnatuur: het gemoed als het deel dat meer tendeert naar de gewaarwording en het verstand dat meer tendeert naar het bewustzijn.

Deze twee polen van de verstandsziel kunnen ook worden opgevat als de polen van de kunstzinnige fantasie en de logica. Doordat nu de Jezuswezenheid op de verstandsziel inwerkte, het geweten van de verstandsziel opwekkend, deed zij dat in twee richtingen: enerzijds, doordat zij door middel van indrukken van buitenaf gemoedsbewegingen opriep, die zich later metamorfoseerden tot denkvaardigheden; anderzijds doordat zij innerlijk inzicht door gedachten opwekte, die later tot daden vanuit bewustzijn diende te leiden.

De eerste richting van de werkzaamheid van de Jezuswezenheid is namelijk in de geestelijke stroming te ontdekken, die de gestalten van Apollo en de “zoon van Apollo” Orpheus heeft overgeleverd. De geweldige muzikale werking die de muziek op de gemoederen van Europese mensen voor de toekomstige gedachteontwikkeling had voorbereid, waarvan Rudolf Steiner in verschillende verbanden heeft gesproken, was een uitdrukking van deze werkzaamheid. De kunstimpuls, die aan het rijke gedachtenleven van het Hellenisme voorafging, kan tot de inspiratiebron van de Jezuswezenheid worden herleid.

De andere richting van de werkzaamheid van de Jezuswezenheid kan begrepen worden door de gestalte van Krishna,  zoals die bv. overgeleverd is in de Bhagavad Gita. In de Bhagavad Gita, het boek over Krishna gaat het niet om de kunst maar om een leer, die een opsomming van richtinggevende gedachten overdraagt. Deze gedachten zijn echter geen doel op zichzelf, ze hebben de opgave om een bepaalde bewustzijnsverandering in degene die ze opneemt te bewerkstelligen. Doordat Krishna aan Ardjuna de leer van de drie Guna’s, de drie toestanden, uitlegt, en naar een vierde toestand verwijst, waar de ziel zich vrij verheft als Ik over de drie Guna’s, die de mens met de natuur gemeen heeft, wil hij het individuele geweten voorbereiden, doordat de individuele mens zich losrukt van zijn binding aan de groepsziel. Want om deze bevrijding van het groepenzielsverband kwam het namelijk bij Ardjuna op neer, toen hij twijfelend aan de spits van een leger een leger tegenover stond, waar zijn verwanten en naasten als vijanden optraden. En pas nadat hij de gehele leer van Krishna had ontvangen, die van de Jezuswezenheid was geïnspireerd, besloot hij ten strijde te trekken. Het individuele inzicht toonde zich sterker dan de bindende kracht van het groepszielsverband – dit is een beslissende gebeurtenis van de geestesgeschiedenis van de mensheid dat op het slagveld van Kurukschetra plaatsvond. Het innerlijk inzicht in het gebod van karma, dharma was de voorbereiding op het individuele geweten, als een innerlijke kennis dat door Krishna verwezenlijkt werd.

Zo werkte de Jezuswezenheid enerzijds op het gemoed om de gemeenschappelijke gewetenservaring voor te bereiden en anderzijds op het verstand om de individuele gewetenservaring voor te bereiden – zij stond dus in haar werkzaamheid tussen grote twee polariteiten : Elia en Boeddha.

Op die manier werkten dus drie wezenheden samen om de gebeurtenis van de geboorte van het geweten voor te bereiden, waardoor Christus op aarde kon neerdalen.

Want het geweten dat Christus in Zich diende op te nemen, moest volledig ontwaakt zijn in de gewaarwordingsziel, in de verstandziel en in de bewustzijnsziel.

Wat betekent het echter dat het geweten van de drie zielegeledingen volledig ontwaakt is? Dit betekent dat het Manas-, Boeddhi- en Atmabewustzijn actueel is geworden! En we zullen het schokkende beeld van de naar de doop in de Jordaan schrijdende drie omhullingen van de Nathanische Jezus nooit tot in zijn ware diepgang op waarde  kunnen schatten, indien wij niet beseffen, dat het de Atma-kracht, het Buddhi-leven en het Manas-licht waren, die in het fysieke lichaam, het etherlichaam en het astraallichaam van de naar de doop in de Jordaan schrijdende werkzaam waren. En dit wakker-zijn van het eeuwige drie-enig geweten was het resultaat van een samenwerking van drie genoemde wezenheden die de voorbereidingen voor deze wonderbaarlijke verschijning door een lange tijdsspanne schiepen. Want de stralen van de Boeddha waren erin werkzaam, de kracht van Elia bereidden er de weg voor en het leven van Jezus deed het in vervulling gaan. Alle heilige melodieën van Orpheus, alle verlichtingen van de Boeddha, de alles wegschenkende offervaardigheid van Jezus – ja ook de rijpste ervaringsvruchten van de grote Zarathoestra – leefden in de gestalte van het naar de Jordaan schrijdende wakkere geweten van de mensheid.

De wegen van de voorbereiding en de geboorte van dit geweten waren gecompliceerd; ze waren in werkelijkheid nog veel gecompliceerder dan de processen die in deze beschouwing gepoogd werden te beschrijven.  Maar hoe dan ook – een ding hadden ze aan het einde gemeen: De geboorte van het geweten die moest voorafgaan aan de belichaming van Christus was, zoals iedere geboorte, niet zonder smart. Dit is een wetmatigheid van iedere geboorte na de zondeval van de mensheid, of het nu een lichamelijke geboorte betreft of de geboorte van een nieuw bewustzijn – de ruimte voor het nieuwe dat in de wereld dient te komen, moet door smart geschapen worden. Want de wereld is na de zondeval altijd “bezet;” er is geen ruimte voor het nieuwe; al het nieuwe moet door een offer worden opgekocht.

Daarom is de weg die naar geestelijke kennis en naar geestelijke openbaring leidt een weg die door smart naar het verheven geluk van het zonverwante geweten leidt. Vreugde is de belofte die aan de mensheid door de goddelijke leiding is geschonken; maar deze vreugde kan pas worden geboren wanneer haar door smart de toegang is verleend.

Het geweten is het hoogste goed van de mensheid; de mensheid neemt het slechts eenzijdig waar als bron van innerlijke onrust, als “gewetenswroeging”, maar de mens zal geleidelijk leren dat het een onuitputtelijke bron van vreugde kan zijn. Het is de innerlijke zon, die alle het duistere van het leven kan overstralen.

Voor het licht van deze zon viel Paulus ter aarde op weg naar Damascus. Deze zon bedoelde hij ook toen hij zei: “Niet ik, maar Christus in mij.”

* * * 


VII
                                                                                                           

HET KARMA VAN HET ISRAËLITISCHE VOLK


In de voorafgaande beschouwing werd een poging ondernomen om de innerlijke structuur van de werking van geestelijke krachten te schetsen, die aan het werk waren om een menselijk organisme te vormen dat in staat was om de Christus op te nemen. Het moest uit de overwegingen van de vorige beschouwing eveneens blijken dat deze werkzaamheid zich niet beperkte tot de Israëlitische volksgemeenschap, maar dat zij alle voortschrijdende geestelijke stromingen van de mensheid omvatte, die dan uiteindelijk uitmondde in het brandpunt van de gebeurtenissen van de doop in de Jordaan.

Deze arbeid is daarbij slechts één aspect van het gehele gebeuren van de geschiedenis van Israël en wel op het vlak van geestelijke leiding door bovenmenselijke wezens. De keerzijde hiervan betreft de bij deze arbeid ingezette menselijke krachten, die in de pas liepen met deze arbeid dan wel er zich tegen teweer stelden. Uit het samenwerken van beide stromingen resulteert de gehele realiteit van het in de Bijbel beschreven gebeuren, d.w.z. daaruit komt het karma van de Israëlische volksgemeenschap voort.

Het is daarbij erg voor de hand liggend om zich dit karma op de volgende wijze voor te stellen; van boven werkt de geestelijke leiding; beneden zijn er menselijke krachten aan het werk die al dan niet voldoen aan de uitvoering van de door de geestelijke leiding beoogde doelen. De werkzaamheden van de mens die niet voldoen aan deze doelen moeten het daarbij afleggen tegen de geestelijke leiding. Het eerste geschiedt wanneer ze niet tegen deze intenties opgewassen zijn, het tweede echter indien ze dat wel zijn. – Met andere woorden: men kan geloven  dat het hier alleen om goddelijke en menselijke krachten gaat. Maar in werkelijkheid is er nog een derde vorm van krachten aan het werk, die goddelijk noch menselijk zijn. Dit zijn de krachten van het kwaad van de wereld, die eveneens streven om de menselijke natuur te beïnvloeden, maar niet zoals de Hiërarchieën van het goede vanuit de geestelijke sferen, maar vanuit de sferen in het binnenste van de aarde. Daarom moet men er nog een derde invloed bij betrekken om de menselijke verhouding tot de geestelijke leiding te begrijpen; de invloed van de tegenleiding van de mensheid vanuit het binnenste van de aarde.

Om het binnenste van de aarde voor de in deze beschouwing gestelde opgave voldoende te begrijpen,  is het noodzakelijk om Rudolf Steiners cyclus voordracht van 4 september 1906 in de cyclus “Vor dem Tore der Theosophie” (GA 95) ter hand te nemen.. Hierin worden de eigenschappen van de negen sferen van de binnenste van de aarde aangeduid. Omdat wij ervan uitgaan dat deze cyclus bij alle lezers van de “Beschouwingen” bekend is, zal hier zonder in herhaling te vallen gelijk de volgende vraag gesteld worden: Wat is de betekenis van deze negen sferen voor het karma van mens en mensheid?

Indien wij ons de werking van de negen hemelse Hiërarchieën voorstellen, dan kunnen wij deze werking opvatten als de verwerkelijking van het goddelijke oerbeeld van de negenvoudig gelede mens.

De ideale mens, d.w.z. een wezenheid, wier fysiek lichaam, etherlichaam, astraallichaam, wier gewaarwordingsziel, verstandsziel en bewustzijnsziel tot een volmaakte uitdrukking van de geestesmens, levensgeest en geestzelf zijn geworden,  dat is het doel dat deze Hiërarchieën nastreven. In de geestelijke wereld zijn dus de negen oerbeelden van deze menselijke wezensdelen aanwezig. En de verwerkelijking van deze oerbeelden is het ultieme doel van de gezamenlijk geestelijke wereld.

De ultieme bedoeling van het kwaad van de wereld bestaat daarentegen erin om de negen wezensdelen van de mens in tegenovergestelde zin te vormen. Daarom stelt zij de oerbeelden van het goede tegenover de negen tegenbeelden. Deze negen oerbeelden van het kwaad moet men zich niet louter als ideële tegenbeelden van de goddelijke oerbeelden voorstellen, maar uit krachten en substanties die in de negen sferen van het binnenste van de Aarde voorhanden zijn. De negen sferen van het binnenste van de Aarde  zijn de kosmische voorraadschuren van deze krachten en substanties, van waaruit de door de kwade machten beoogde negengelede kwade mens geschapen zou moeten worden.

Op die manier is de minerale laag diegene sfeer die aan het kwade tegen-oerbeeld van het fysieke lichaam substantie en krachten levert. En doordat wij mensen minerale substanties in ons lichaam opnemen hebben, zijn wij eigenlijk al in deze eerste sfeer van het kwaad verwikkeld.

Het is als gevolg van de zondeval dat de mens zijn fysiek lichaam  aan een mineraallichaam heeft gebonden. Het ware fysiek lichaam is het wilsorganisme, (niet op te vatten als persoonlijke wil, maar als wilsorganisatie) van de mens en dat deze wilsorganisatie, door Rudolf Steiner aangeduid als “fantoom” (zie de voordrachtscyclus “Von Jesus zu Christus” GA 131), aan minerale substantie is gebonden, is enerzijds toe te schrijven aan de menselijke zwakte, die zijn kerker steeds met zich mee moet dragen, en anderzijds het onderpand van de toekomstige zege van de kracht van de geest over de traagheid van de stof.

De tweede laag van het binnenste van de (“vloeibare aarde” genaamd), bevat de tegenkrachten van het etherlichaam, terwijl de derde laag (“lucht-aarde”)  de tegenkrachten van het astraallichaam bevat.

De volgende drie “lagen” (“vorm-aarde,” “vrucht-aarde” en “vuur-aarde”) bevatten de tegenkrachten van de gewaarwordingsziel, de verstandsziel en de bewustzijnsziel.

De zesde, die het tegendeel van de bewustzijnsziel bevat, is de eigenlijke Ahrimanische laag van het binnenste van de Aarde. Vanuit deze laag worden tegenwoordig de gevaarlijkste impulsen van het kwaad naar het aardoppervlak gezonden.

De volgende drie lagen van het binnenste van de Aarde zullen pas in de toekomst hun activiteit in de menselijke geschiedenis ontplooien. Zij bevatten de kwade  tegenbeelden van de Manas-, Boeddhi- en Atma-wezenheid.

De negende laag van het binnenste van de aarde (de “aardekern”) bevat aldus het eigenlijk geestelijk kwaad, d.w.z. de krachten die op de ladder van het kwaad even hoog staan als de krachten van de geestmens (Atma) op de ladder van het goede.

De bovenstaande voorstellingen moesten schematisch weergegeven en als zodanig gelaten worden; gezien de hier gestelde opgave kan er niet nader op worden ingegaan. Maar het is doorgaans mogelijk om aan de hand  van de genoemde voordrachtscyclus van Rudolf Steiner deze verbanden uit hun schematisch karakter te halen.

Als we nu de volgende vraag stellen:  hoe kan het ideale oerbeeld van de mens concreet voorgesteld worden? – dan is het antwoord dat het occultisme op deze vraag verstrekt: Streef er voortdurend naar, om U Jezus Christus en Zijn werkelijkheid voor te stellen, Hem te begrijpen en te voelen, en U zult erkennen, dat het goddelijk gewilde oerbeeld van de mensheid in de gestalte van de Herrezene op aarde aanwezig was. Hij is het voorbeeld voor zowel de mensen als voor de goden. Want de goden hebben naar Hem de taak de mens te vormen; de mens echter moet streven om Hem gelijk te worden.

De negen wezensdelen van de Herrezene zijn de ideale verwezenlijking van  de negen wezensdelen van de mens. Daarom is Jezus Christus de zin van de aardeontwikkeling. En aan de hand van deze zin hebben de hiërarchieën van het kwaad een tegenzin gevormd. Dit bestaat in de verwerkelijking van de negengelede wezenheid van de Antichrist. Want de Antichrist is geen fabel, noch slechts een “principe” of een algemene impuls, maar een concrete wezenheid die de taak heeft om een absoluut voorbeeld van de ontwikkeling van de mensheid in negatieve zin te stellen. In hem dient  een menselijke wezenheid in de kosmos verschijnen die geheel door de negen lagen van het binnenste van de aarde is gevormd. Zoals Christus Jezus de concrete openbaring van de negen Hiërarchische sferen is, zo zal de Antichrist de concrete openbaring zijn van de negen geestelijke aardlagen.

Om deze reden bestaan er vanaf de Atlantische tijd twee occulte hoofdstromingen, die dan ook tot karmische stromingen zijn geworden. Er bestaat uiteraard nog een derde stroming, die men een “compromis-stroming” zou kunnen noemen, die echter in de toekomst helemaal zal verdwijnen. Want ten tijde van de scheiding van de mensheid - eerst  in twee culturen (tijdens de zesde cultuurperiode), vervolgens echter in twee rassen - zal er geen mogelijkheid meer zijn van enig compromis: alle mensen zullen dan hun beslissing moeten maken welke van de twee voorbeelden van mensheidsontwikkeling ze willen kiezen.

De aangeduide twee stromingen kwamen voor het eerst tot uitdrukking in de witte en zwarte magie van het Atlantiërdom. De mensen die onder leiding van Manu  Atlantis verlieten en een nieuwe kwekerij van de na-Atlantische culturen in Centraal-Azië stichtten behoorden tot de stroming die ernaar streeft om het goddelijk gewilde oerbeeld van de mens te verwerkelijken. Deze stroming werd voortgezet door de grote Zarathoestra gestichte Iraanse cultuur. De andere stroming leefde daarentegen verder in de vorm van de Turanische cultuur. De strijd van Iran tegen de Turaniërs was karmisch het gevolg van de Atlantische oer-tegenstelling. Dezelfde strijd werd later voortgezet als de tegenstelling tussen de Jahwehstroming en de Baälstroming. Het feit dat deze strijd – ondanks vele tijdelijke nederlagen – desondanks eindigde met de zege van de Jahwehstroming, aan dit feit heeft mensheid de verschijning van de Christus op Aarde te danken.

Maar daarmee is deze strijd nog lang niet ten einde. In het nieuwe Perzische rijk van de Sassaniden werd een sterke burcht tegen de christelijke stroming gebouwd, doordat in Gondhishapur een centrum van occulte en culturele werkzaamheid door de leidende individualiteiten van deze stroming werd gecreëerd, terwijl de andere stroming – met name vanuit Ierland – haar werkzaamheid ontplooide. Het midden echter, d.w.z. de landen rond de Middellandse Zee, werd destijds door de compromisstroming van het politieke en geestelijke Rome beheerst. Nadat de werking van Gondhishapur door de golf van de Islam in de 7de eeuw werd afgestompt (een uitdrukking van Rudolf Steiner), sijpelde deze gedurende eeuwen langzaam door eeuwen heen via de omweg van het Arabisme binnen in de Christelijke wereld, totdat zij in de 19de eeuw in de uiterlijke vorm van het materialisme van het Avondland en haar triomftocht over de aarde maakte.

Dit zijn de grote lijnen van de werking die uitgaat van de christelijke en antichristelijke inspiratie in de geschiedenis van de mensheid. Wat in de eerste beschouwing met de karmische stroming van het “eeuwige Israël” bedoeld, is niets anders dan de hier aangeduide stroming, die ernaar streeft om het door de Hiërarchieën beoogde oerbeeld van de mens van te verwerkelijken. Om deze reden zou men deze stroming ook kunnen aanduiden als het “eeuwige Iran”, maar gezien de opgave van deze beschouwingen geniet de eerste aanduiding de voorkeur.

Heeft men het feit van deze twee hoofdstromingen van de mensheidsontwikkeling erkent, dan staat men voor de vraag: hoe is het überhaupt mogelijk dat er een karmische stroming van het kwaad kan bestaan? Immers, iedere mens gaat na zijn dood door de loutering van het Kamaloka en bereidt zijn volgende incarnatie voor vanuit rijk van het goede, het Devachan; als de mens het kwaad niet van het ene leven in het volgende kan overtillen, dan wordt de draad van het kwaad iedere keer na de dood afgebroken en de mens zal in zijn volgende leven slecht de gevolgen van het kwaad van zijn vorige incarnatie moeten dragen, niet echter dit kwaad zelf.

Om deze vraag te beantwoorden moet men niet alleen datgene beschouwen wat er in de geestelijke wereld gebeurt wanneer de mens overgaat in de toestand tussen twee incarnaties, maar ook datgene wat er in die tijd zich in het binnenste van de aarde afspeelt. Want terwijl de mens in de Kamaloka-toestand de morele impulsen om het door hem begane onrecht weer goed te maken ontvangt, ontvangt zijn dubbelganger vanuit het binnenste van de aarde gelijktijdig de weerspiegelingen van deze impulsen, d.w.z. hij neemt tegengestelde inspiraties op. Als de mens dan weer opnieuw op Aarde geboren wordt, dan verschijnt hij enerzijds met de innerlijke ervaring van de geestelijke wereld van het goede, maar moet hij anderzijds deze ervaring tegenover de ervaring stellen die zijn dubbelganger intussen heeft gehad. Zo moet de mens dus het kwaad tijdens het leven tussen geboorte en dood overwinnen; hij komt er niet van “los” als hij ervan wegloopt. Want al het kwaad dat gedurende een aards leven niet is overwonnen blijft behouden, en de mens moet er zolang mee verbonden blijven, totdat hij het eenmaal het leven tussen geboorte en dood heeft overwonnen.

Vanwege dit feit is het begrijpelijk dat er een ononderbroken stroming van het kwaad bestaat – draden van het kwaad in de mens trekken van de ene incarnatie naar de volgende door de lagen van het binnenste van de aarde – net zoals de draden van het goede in de mens door incarnaties door de  hemelse sferen van het Kamaloka en Devachan trekken.

Aldus is het bv. te begrijpen, dat een mens zich in een volgende incarnatie op een ander wreekt (in de karmavoordrachten van Rudolf Steiner worden een aantal dergelijke gevallen genoemd). De wraakgedachte wordt stellig niet door de betreffende mens in het Kamaloka uitgebroed en nog minder in het Devachan, maar het kan (het hoeft niet) desondanks gebeuren dat een mens zich in een volgend leven wreekt. De draden van de wraakgedachten gaan uiteraard niet door de hemel, maar door de onderwereld van het binnenste van de aarde. Op deze wijze ontstaat de continuïteit van het kwaad in het menselijk karma, d.w.z. zo ontstaat ook de karmische stroming van het kwaad in de geschiedenis van de mensheid.

Als dat zo is, behoren dan bijna alle mensen toe aan de karmische stroming van het kwaad? – zou men zich met enige zorg dan kunnen afvragen. Het is daarbij ongelooflijk belangrijk te begrijpen dat wat mensen rechtschapen of zelf heilig noemen, niet samenvalt met “rechtschapenheid voor God.” (Men neme de woorden van Christus in gedachten: “Niemand is goed dan God alleen.”). Bij de beslissing over het toebehoren van de ene dan wel de andere karmische stroming komt het niet op menselijke uiterlijke fouten en deugden aan, maar op de innerlijke houding jegens de geestelijke wereld. Daar beslissen niet fouten, maar de verloocheningen en lastering tegen de geest. Het is nu eenmaal letterlijk waar, wat door het woord in de evangeliën wordt gesproken, dat alle zonden kunnen worden vergeven met uitzondering van de zonde tegen de geest. En dit is doorslaggevend voor de vraag over het toebehoren aan een de ene of andere karmische stroming.

Zo is het geheel onjuist om bv. Lenin enkel als een misdadiger in menselijk zin op te vatten. Hij was integendeel vrij van vele menselijke zwakheden, omdat hij zich geheel aan zijn mensvijandige zaak wijdde. Hij had zelfs minder van deze zwakheden dan veel van zijn tegenstanders vanuit de christelijke of menselijke hoek. De menselijke fouten en zonden worden door het menselijk persoonlijke karma vereffend, doordat de mens ze vrijelijk door offerdaden delgt dan wel door ze door leed te delgen heeft – de geestelijke wereld betreurt een mens daarom, maar veroordeelt hem niet. De zonde tegen de geest echter is een misdaad in de gehele kosmos – daarbij wordt de mens een vijand van de geestelijke wereld.

Doordat wij de “rechtschapenheid voor  de mensen” en de “rechtschapenheid voor God” leren onderscheiden, kunnen wij ook begrijpen waarom de “heiligen” in de Bijbel (de evangeliën inbegrepen), zo weinig “heilig” zijn. Koning David bv. wordt op veel plaatsen in het Oude Testament alsmede in de evangeliën, als voorbeeld van rechtschapenheid genoemd. Maar wanneer men zijn levensbeschrijving leest, dan moet men gelijk toegeven, dat de gebruikelijke voorstelling van een “heilige” niet op zijn gestalte van toepassing is. De sleutel voor het begrip van dit raadsel levert ons het feit dat onder “heiligen” de Bijbel iets totaal anders bedoelt dan wij ons als gevolg van de invloed van het kerkelijk christendom plegen voor te stellen. De Bijbel doelt namelijk niet op “rechtschapenheid voor de mensen,” d.w.z. op de verhouding van de ziel tot de fysieke wereld, maar op “rechtschapenheid voor God” in de verhouding van de ziel tot de geestelijke wereld. Want de ziel is tussen twee werelden geplaatst en staat in voortdurende wisselwerking tussen naar boven en naar beneden; er zijn daarom ook twee soorten verdienste en zonde. Naar beneden, in verhouding tot de wereld, kan de mens überhaupt niet “heilig” d.w.z. foutloos zijn. Maar naar boven kan de mens met de geestelijke wereld in trouw en eerbied verbonden zijn. De “rechtschapenheid voor God” is aldus de juiste verhouding van de mens tot de geestelijke wereld; het is de vervulling van de geestelijke missie van de mens op aarde.

In deze zin is ook het toebehoren aan de spirituele karmische stroming op te vatten; het maatgevende daarbij is niet de menselijke deugdelijkheid maar de spiritualiteit, d.w.z. de ware moraliteit van de mens, die niet alleen op aarde maar ook in de hemel doorklinkt. Daarom zal de ‘Filadelfische mensengemeenschap van de zesde cultuurperiode’ niet uit “heiligen” bestaan, maar uit geestgewijde mensen, net zoals de kwade mens niet uit misdadigers maar uit geestverloochende mensen zal bestaan.  Deze mensheid zal daarentegen in massawijze bereikbare standaard van “onberispelijkheid” neerzetten en verwerkelijken.

Het is derhalve de ware moraliteit, die in het verborgene kiemt en groeit, en waar het bij de keuze van de karmische stroming op aankomt. Deze resulteert alleszins als gevolg ook in uiterlijke moraliteit, d.w.z. een gewetensvolle waakzaamheid in alle afzonderlijke levensaangelegenheden; deze uiterlijke moraliteit is echter een karmisch gevolg van de innerlijke moraliteit, net zoals het verdwijnen van vele ziektesymptomen een gevolg is van een inwendige genezing van het organisme. Het is de kracht van de innerlijke moraliteit die een gezondmakende werking uitoefent op het gedachten-, gevoelens- en wilsorganisme van de mens. Want “zondaren” zijn voor de geestelijke wereld  zieken, die niet veroordeeld maar genezen moeten worden. Vanuit het standpunt van waarachtigheid zijn alle menselijke zwakten ziekteverschijnselen; ze worden niet geheeld door tegenovergestelde gezondheidssymptomen (d.w.z. menselijke deugden), maar worden overwonnen door een innerlijke genezing van het zieleleven. De geneeskrachten van de geestelijke wereld zijn het die de genezing bewerkstelligen, echter niet voorschriften, principes of oordelen. 

Wanneer men het bovengenoemde werkelijk inziet, dan wordt de vraag omtrent de gesteldheid van de mensen die tot de “witte” karmische stroming behoren, op een ander niveau getild. Want het beslissende is dan niet de gesteldheid van de door de zondeval aangetaste menselijk natuur, maar de houding van het vrije menselijke Ik. Maar hierdoor ontstaat echter een geheel andere kijk op de gang van zaken. Hierbij ontstaat namelijk het beeld van het feit dat in de grond van de zaak alle mensen tot de “witte” stroming kunnen behoren.

Daarom moet de uitdrukking “het eeuwige Israël” niet worden opgevat in de Calvinistische zin van de predestinatieleer, namelijk dat een bepaald aantal individuen voor alle eeuwigheid “uitverkoren” is. In werkelijkheid sluiten individualiteiten zichzelf aan bij de “witte” stroming, net zoals er echter ook karmische “verraders” zijn die uit deze stroming stappen en zich bij de tegenovergestelde stroming aansluiten. Beide stromingen staan open voor toetreding of uittreding; deze openheid is niet in tegenspraak met het feit, dat er een aantal (leidende) individualiteiten zijn die sedert oertijden definitief tot de een of andere van deze stromingen behoren.


De gekenschetste twee stromingen zijn de zichtbare uitdrukking van de werking van de twee inspiratiebronnen in de geschiedenis van de mensheid: van de geestelijke wereld en van het binnenste van de aarde.

De van onderop komende inspiraties zijn als het ware omgekeerde kopieën van de ware geestelijke inspiraties. Zo kan het voorkomen, dat terwijl hoog in de geestelijke wereld de goden zich uitspreken, diep onder de aarde de demonen hetzelfde in het tegendeel veranderen. En wanneer wij nu het grootse beeld van de wereldhistorische tragiek van de op de berg Sinaï van Jahweh-Elohim zijn openbaringen ontvangende Mozes en tegelijkertijd het aan de voet van dezelfde berg zich met de cultus van het gouden kalf inlatende Israëlitische volk vanuit dit gezichtspunt bekijken, dan hebben we het moment te pakken waarbij de inspiratie van onderop als volksbelevenis in het Israëlitische geestesleven van het volk insloeg. Vanaf deze tijd bestond het historische verloop van het geestesleven van Israël niet enkel uit strijd met vijandelijke krachten van de omgeving, maar ook met de andere inspiratie binnen de volksgemeenschap zelf. Deze andere inspiratie was het tegendeel van de Christusverwachting; het betrof de verwachting van de belichaming van het grootst mogelijke machtsprincipe op aarde. Nadat de Christusverwachting in vervulling is gegaan, werkt de andere inspiratie verder en deze Messiasverwachting is nog altijd actueel.

De toegangspoort voor de Baälsstroming tot het hart van het Israëlitische volk werd geopend op het moment dat het gouden kalf werd aanbeden. Dit was het moment, waarin het tragische karma van het Israëlitische volk werd geboren.

1.     Jahweh en Baäl in het lot van Israël

Indien men zich verdiept in het bovengenoemde beeld van de vanuit de hoogten door Mozes ontvangen inspiraties van de geestelijke wereld en onderaan het gouden kalf, dan kan men diep innerlijk de basisimpulsen van het lot van Israël herkennen. Het gouden kalf valt weliswaar niet onder de Baälsdienst, maar het is de toegangspoort geweest, waardoor de Baälsdienst ten tonele kon verschijnen. Want toen het volk het symbool van de stier koos als uitdrukking van het hoogste dat er te vereren was, trad een verandering op in de gerichtheid van de volkswil; de wilsstroming die op de toekomst was gericht keerde zich om naar het verleden. Want de innerlijke betekenis van de uittocht uit Egypte was nu juist een afkeer van de stier-cultus van het verleden (in de zin van de zodiakale krachten van Stier), om zich in de woestijn, waar er geen invloeden waren van verleden cultuurstromingen, op de toekomstroming (in de zin van de zodiakale krachten  van  Ram) om te stellen.
Toen het volk de wil op het verleden richtte, vervreemdde het van zijn toekomst verwerkelijkende inspiratiebron van de geestelijke wereld, waar Mozes zijn openbaringen uit putte. Het gevolg van deze vervreemding was dat er een andere bron van inspiratie werd geopend. Want dit is het onvermijdelijke gevolg van de afkeer van het voorwaarts streven naar de toekomst met alle risico’s en strijd van dien: het zich instellen op een andere toekomst dan die oorspronkelijk nagestreefd werd. Niets kan zonder toekomst zijn; keert men zich af van een toekomst die door de geestelijke wereld is gewild, dan beland men daardoor op banen die naar een vanuit het binnenste van de aarde gewilde toekomst leiden.

Men kan dit op de volgende wijze preciezer optekenen: Wanneer men zich een horizontale pijl van links naar rechts voorstelt als zijnde de toekomst verwerkelijkende geestelijke leiding en daaronder een andere pijl die de overeenkomstige naar de toekomst strevende menselijke wilsstroming voorstelt, dan heeft me het beeld voor de voorwaarden van een permanente en juiste inspiratie.



Verkeert de richting van de onderste pijl echter in de richting van het verleden, dan ontstaat daardoor een leemte, een lege ruimte in relatie tot de bovenste leiding van de wil.


Deze ruimte kan dan van onderop worden opgevuld door een kracht, die de afwezige menselijke wil vervangt.

Iets dergelijks gebeurde met het afvallige volk in de woestijn: Het kreeg een innerlijke neiging voor de Baäl-impuls. Vanaf dat moment was in het volk voortdurend de wil aanwezig om zich met deze Baäl-impuls in te laten;  de potentiële bereidheid om de Baälstroming op te nemen vormde sindsdien een permanent gevaar voor de opgave van de Israëlitische geestesstroming.

Om in staat te zijn de ernst van dit gevaar in te schatten is het nodig om het wezen van de Baälkultus als tegenstelling tot de Jahweh-cultus te begrijpen. Om dat echter te begrijpen is het noodzakelijk de waarheid in te zien dat iedere ontwikkelingsperiode in de mensheid een bepaalde opgave heeft - niet enkel op het gebied van de algemeen cultuurontwikkeling, maar ook op het gebied van het occultisme. Deze opgave zou men kunnen opvatten als de “methode,” die voor de doorsnee kandidaat voor de mysteriënwijsheid van de desbetreffende periode de juiste is. Zo bestond bv. tot 1879 de “methode” in het ontwikkelen van logische initiatiefkrachten van het hoofd, waarop de krachten van het hart een respons moesten geven. Het creëren van een circulatieproces van vraag en antwoord, tussen hoofd en hart, was de opgave van de laatste periode. In de huidige tijd is deze taak al weer anders. Die bestaat in de schouwende gedachten-kennis, die door de ontwikkeling van gewetenskrachten wordt bereikt om wilskrachtig in het scheppende woord te leven.
 
In de tijd van de oudtestamentische geschiedenis was het de taak om een directe werkzame stroming vanuit het bewustzijnscentrum van het hoofd in het wilscentrum van het stofwisselingssysteem te creëren. Wat uiterlijk als “wet” bekend is, was tegelijkertijd de juiste innerlijke ontwikkelingsmethode, want “wet” betekent innerlijk gezien eigenlijk niets anders dan dat de wil zich moest voegen naar bepaalde geopenbaarde gedachten. De hartecultuur van de vrije moraliteit bleef daarbij uit; deze werd pas in een latere ontwikkelingsperiode mogelijk. Toentertijd ging het alleen om de directe beïnvloeding van het instinctieve wilsleven door bepaalde geopenbaarde gedachteninhouden, waaraan Jahweh een bepaalde kracht gaf zodat ze het wilsleven daadwerkelijk konden beheersen. Het wezen van deze methode kan diepgaand begrepen worden wanneer men Rudolf Steiners voordrachten over het profetendom en het Sibillendom, namelijk in zijn voordrachtscyclus “Christus und die geistige Welt” (GA149, vierde voordracht) daarvoor als uitgangspunt neemt. Überhaupt kunnen deze voordrachten van Rudolf Steiner een van de belangrijkste sleutels voor een begrip van het Oude Testament aanreiken, indien daarvan de aansporing tot verder studie aangenomen wordt.

Voor iedere methode van iedere periode bestaat nu het gevaar dat deze in haar tegendeel veranderd wordt. In de Oudtestamentische tijd werd dit gevaar vertegenwoordigd door de Baäl-cultus. Bij deze cultus werd het instinctieve wilsleven direct naar boven in het hoofd gebracht en zich het voorstellings- en het gedachteleven van de mens bemachtigde. Doordat deze ongelouterde wil van onderen naar boven doorbrak, veroorzaakten de machten van het binnenste van de aarde via deze weg een pervertering van het gehele voorstellingsleven. Er ontstond daardoor een andere “wet” die de mensen de meest perverse voorstellingen inboezemden.

De voorschriften van deze “wet” schenen de betreffende mensen juist, want ze waren immers geheel vervuld van dezelfde wil die deze voorschriften had gecreëerd. Op deze wijze ontstond bv. het voorschrift volgens welke de eerstgeborenen geofferd diende te worden.

Zou nu de Baäl-methode de Jahweh-methode (de Ik-methode) verdrongen hebben - zou de stemming:  “een verterend vuur van de wil vervult mij en stuwt mij tot handelen” hebben gezegevierd over de stemming: “in eerbied buig ik mij voor de wijsheid Gods en aan Zijn wil vertrouw ik mijzelf toe” en dan zou de belichaming van de Christus op aarde onmogelijk zijn geworden en had wellicht een ander wezen zich belichaamd, hetgeen voor de mensheid noodlottig zou zijn geweest.

Wanneer wij nu in dit licht bv. de boeken van het Oude Testament beschouwen, dan worden wij gewaar met welk enorm risico de voortzetting van de Jahweh-stroming was verbonden. Vaak hing de Jahweh-stroming slechts aan een zijden draadje die op het punt stond te breken;  soms leek zij door de Baäl-stroming definitief te zijn overwonnen. Een dergelijk moment was het moment van verraad toen de Israëlieten onder leiding van Mozes in Sittim (Num. 25) vertoefden. Uitgelokt werd dit verraad door Mideanitische en Moabitische vrouwen die, op aandringen van de magiër Bileam, de zoon van Beor (Num 22:5) door de leiders van de Midianieten en Moabieten voor dit doel werden ingezet. Het doel werd daadwerkelijk bereikt: “En Israël was aanhanger geworden van Baäl-Peor, en dus ontvlamde de toorn van Jahweh tegen Israël.” (Num. 25:3).

Nu betekent “welgevallen” en “toorn” des Heren karmisch gedijen en vernietiging, leven en dood. In dit geval zou dus de dood het leeuwendeel van het de Israëlitische volksgemeenschap moeten vernietigen. Ja, het had zelfs kunnen gebeuren, dat de geschiedenis van Israël als een kleine stam van enkele duizenden mensen opnieuw had moeten beginnen bij het stadium van Abraham, Isaak en Jacob, als al diegenen die door de Baäl-cultus waren beïnvloed de dood zouden hebben gevonden. En zij hadden moeten sterven, niet alleen omdat zij er niet langer geschikt voor waren om de missie van Israël te dienen, maar vooral omdat zij deze missie in gevaar zouden brengen. Want het gevolg van de door de vijandelijke priesterkoningen bewust doorgevoerde magische werking bestond hierin, dat bij allen die in de val waren gelopen de richting van de stromingen van het etherlichaam was veranderd. De neerwaartse gerichte Jahweh-stroming werd door de opwaarts gerichte Baäl-stroming vervangen. De betrokken mensen waren daarom tot organische tegenstanders van de Jahweh-missie geworden.

Nu vond echter een bliksemachtige  wending van dit noodlot plaats. Pinehas, de kleinzoon van Aäron, volbracht een daad, die een wending met karmische gevolgen opriep. Om het geheim van deze noodlottige wending te begrijpen, moeten we nog dieper in de werkzaamheid van het wezen van Elia doordringen dan in de vorige beschouwing het geval was.

2.              De karmische missie van de Elia-wezenheid
tijdens de Oudtestamentische geschiedenis

In de vorige (VI.) beschouwing werd een poging ondernomen, om de Elia-wezenheid te karakteriseren als de volksziel van Israël, maar dan als een volksziel van abnormale aard, d.w.z. als neerdalende wezenheid, die met grotere krachten werkte dan een normale volksziel. De omvangrijkere mogelijkheid voor de Elia-wezenheid om werkzaam te zijn lag enerzijds aan de krachten die hij had, anderzijds werd die echter door een tweede belangrijk feit bepaald. En dit feit is de innerlijke verhouding die de Elia-wezenheid met menselijke individualiteiten aangeknoopt had..

Doordat zij gelijktijdig zowel als volksziel alsook schutsengel van één individueel mens werkzaam kon zijn, beschikte zij over de mogelijkheid om zo te werken, dat de daden van één mens tevens een betekenis kregen voor het gehele volk. Door de bijzondere verhouding tot het individuele konden deze daden van een individu de betekenis van volksdaden voor het karmische gebeuren van Israël krijgen. Daardoor werd de Elia-wezenheid tot de verbindende schakel tussen de geestelijke leiding van het Israëlitische volk en de menselijke wilsstroming van dit volk. Zij name zowel aan de ene alsook aan de andere zijde van het karmische totaalgebeuren deel.

Men kan zich haar imaginatief als de innerlijke bliksem van de geestelijke leiding voorstellen, die in de menselijke wil met een betekenis voor het gehele volk inslaat.

Door dit inslaan veroorzaakte de Elia-wezenheid een versterking en een metamorfose van deze volkswil in de zin van het recht.

Dit gebeurde op het moment dat Pinehas, de zoon van Eliëzer, een speer ter hand nam. Zijn hand volbracht een daad, die niet enkel een individuele maar ook een algemene betekenis had.

“De plaag die heerste over de kinderen van Israël werd afgewend. In deze plaag waren 24000 gedood. En de Heer sprak tot Mozes: Pinehas, de zoon van Eliëzer, de zoon van de priester Aäron, heeft mijn toorn van de kinderen Israëls afgewend door zich om Mij te beijveren, opdat ik in mijn ijver de kinderen Israëls niet zal verdelgen.” (Num. 25:8-11).

Met deze woorden spreekt de Bijbel het hierboven toegelicht feit uit.

Het is niet de uiterlijke daad van Pinehas, die deze werking tot stand bracht (want er werden immers, vierentwintigduizend mensen gedood, ze was dus uiterlijk gezien geen uitzondering, maar het feit, dat het de daad van de volksziel in de wil van een mens was (over de relatie van Pinehas met Elias spreekt Rudolf Steiner in zijn voordrachtscyclus over het Marcusevangelie). De genoemde daad had de macht om het lot van het volk te wenden, omdat daarin de samenwerking tussen de wil van de volksziel en een individueel-menselijke wil plaatsgevonden had. Men dient zich in te denken dat op het moment dat Pinehas ingreep er een schok door het gehele volk ging die de genezing van de innerlijke gevolgen van de Baäl-invloed met zich meebracht. De etherlichamen van de mensen werden door deze schok in die zin gemetamorfoseerd dat ze  opnieuw tot “Jahweh-etherlichamen” werden, d.w.z. de richting van hun stroomkring werd veranderd. De “vergeving” die het volk deelachtig werd, betekende in werkelijkheid genezing. (Het is überhaupt waar - ook heden ten dage – dat elke vergeving een genezing van de ziel of van het lichaam betekent. Men denke alleen al in deze samenhang aan de woorden van Christus; “Sta op en wandel – Uw zonden zijn u vergeven.”)

In de tweede periode van de geschiedenis van Israël grijpt Elia nogmaals reddend in. Tijdens de periode van de koningen (van David tot aan de Babylonische gevangenschap) was de tijd van de heerschappij van Achab en Jehesabel (Isebel)  in geestelijk opzicht de gevaarlijkste. In deze tijd werd in het rijk van Israël de Baälsdienst de officiële volks- en staatsreligie. De situatie waarin het geestesleven van het volk van die tijd verkeert wordt het duidelijkst uitgesproken door Naboth-Elia:

“Toen trad Elia voor het volk en sprak: hoe lang hinkt gij op twee benen? Is Jahweh God, zo volgt Hem, is het Baäl, zo volgt hem. En het volk antwoordde niet. Toen sprak Elia: ik ben de enige profeet van de Heer; er zijn 450 profeten van Baäl.” (1 Kon. 18:21,22)

Dit tekende de verhouding tussen beide stromingen: één profeet van Jahweh tegen vierhonderdvijftig  profeten van Baäl voor een weifelend, meelopend en compromisbereidwillig volk.

De betekenis van de daad van Naboth-Elia op de berg Karmel kwam in de vorige beschouwing ter sprake. Hier gaat het er om deze daad vanuit een ander gezichtspunt te begrijpen. Dit gezichtspunt ontstaat op natuurlijke wijze door de daad van Pinehas te vergelijken met die van Naboth-Elia. Het eerste geval was een impuls van een menselijke ziel waaraan een kracht van natuurgeweld werd verleend, waardoor de metamorfose van de verdorven etherlichamen plaats vond. In het tweede geval was het echter een natuurlijk gebeuren (bliksem van de hemel) dat een uitwerking had op de menselijke moraliteit. In de zielen van de aanwezigen werd daardoor de  beslissing voor Jahweh te weg gebracht. De eerste daad was een loutering van het etherlichaam; de tweede daad had een uitwerking op het astraallichaam; het astraallichaam werd gereinigd van de Baäl-impuls en de missie van Israël wederom gered.
 
Dat het bij het ingrijpen van Naboth-Elia namelijk om het astraallichaam van het volk ging, blijkt niet alleen uit de beschrijving in de Bijbel, maar ook uit het feit van de leeftijdsfase van het volk. Want indien tijdens de eerste levensfase van het volk (van de uittocht uit Egypte tot aan David) het etherlichaam verdorven kon worden, omdat het nog ongevormd was, kon in de periode van David tot aan de Babylonische gevangenschap het astraallichaam nadelig worden beïnvloed, omdat het in wording was. Het kwaad werkt namelijk steeds vooruit; het is voortdurend bezig om misgeboorten te veroorzaken. Daarom spande zich het kwaad in om in een tijd, dat het etherlichaam al “geboren” was, d.w.z. zelfstandig is geworden, met name het astraalorganisme aan te vallen teneinde de juiste geboorte van het astraallichaam te verhinderen  en een misgeboorte uit te lokken. Dit was de opgave van dat soort Baäldienst dat door Isebel en Achab beleden werd. In de periode, dat het volk de leeftijdsfase van de geboorte van het astraallichaam doorliep (dat overeenstemt met de leeftijd van 7 tot 14 jaar), moest het volk een astraliteit ingeënt worden, die het astraallichaam anders gevormd zou hebben dan het door de geestelijke leiding was bedoeld.

Wij begrijpen de totale werkzaamheid van zowel Naboth-Elia alsook Elia-Eliza wanneer we het als de genezing van het astraallichaam opvatten. Meer kan men hierover lezen in de vroege cyclus van Rudolf Steiner “Wendepunkte des Geisteslebens” (GA 61, Berlijn 14 dec. 1911); en hier hoeft dus  daar niet verder op te worden ingegaan. Slechts naar een detail is het echter nog nodig te verwijzen, namelijk naar het feit van de gewelddadige dood van Naboth die door Isebel en Achab veroorzaakt werd. Dit feit is in zoverre van belang, omdat het een voorbeeld levert voor de aan het begin genoemde continuïteit van het karma van het kwaad. Want door dit feit kan men tot de kennis worden geleid hoe het verleden in de toekomst wraak kan nemen. De door Elia overschaduwde Pinehas doodt de leider van de stam Simeon en een Midianitische vorstin, die de hartstocht als middel voor de Baäl-invloed misbruikte. Maar nu gebeurt het, dat de door Elia overschaduwde Naboth wordt gedood door Isebel en Achab die de Baälsdienst aanhangen. De werkzaamheid van Elia kon daardoor echter niet worden onderbroken, omdat hij door een ander persoon verder kon werken, namelijk Elisa. Niettemin was de wraakactie voltrokken. Aan de hand van dit voorbeeld kan men zien hoe impulsen uit het verleden behouden blijven en hoe ze zich in de verre toekomst kunnen uitwerken.

Een derde maal verschijnt de Elia-wezenheid op de schouwplaats van de geschiedenis van Israël  en wel in de beslissende jaren voorafgaand aan de komst van Christus op Aarde. Van de noodzakelijkheid van de verschijning van Elia en de ernst van die tijd spreekt de profeet Maleachi in aangrijpende woorden:

“Zie, ik wil u de profeet Elia zenden, nog vóór het aanbreken van de grote en schrikwekkende dag van de Heer. Hij zal het hart van de vaderen tot hun kinderen en het hart van de kinderen tot hun vaders wenden, opdat ik, wanneer ik kom, het aarderijk niet in de ban sla.” (Mal. 4: 5,6).

In de gestalte van Johannes de Doper werkte de volksziel van Israël als volksziel voor de laatste keer. Om deze reden is het juist om als Oudtestamentische geschiedenis al datgene te beschouwen wat tot aan het moment van de doop van Jezus in de Jordaan gebeurde. Daar ligt precies de grens tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Want ook de dertig jaren van het leven van Jezus tot aan het moment van de doop in de Jordan behoren tot de voorbereiding van de komst van Christus, bijgevolg tot het Oude Testament.

Deze terloopse opmerking was nodig om de beschouwing van de gestalte van Johannes de Doper in een aan het Oude Testament gewijde studie te rechtvaardigen. De missie van Johannes de Doper is inderdaad zo nauw met het Oude Testament verwoven dat ze daarvan niet gescheiden kan worden. Dit is des te gemakkelijker in te zien daar het de Elia-wezenheid was die door Johannes de Doper werkte, om de voorbereidende arbeid, d.w.z. het werk van de volledige Oudtestamentische geschiedenis af te sluiten. Waarin deze afsluiting bestond, kunnen we aan de hand van de beschouwing van het proces van de doop door Johannes begrijpen.

Deze doop was het laatste stadium van een innerlijke verandering, die Johannes’ leerlingen moesten doormaken. Want voordat zij de waterdoop konden ervaren, moest hun etherlichaam al een zekere mate van losmaking hebben bereikt, opdat het losser gemaakte etherlichaam zich op het moment van de doop gedeeltelijk van het fysieke lichaam los kon maken. Het voorbereidende losmakingsproces, dat door de natuurlijke aanleg tijdens de eerste eeuw van onze jaartelling was vergemakkelijkt, werd door de kracht van het ontwakende geweten veroorzaakt. Het woord van Johannes had de kracht om het geweten van het volk te wekken. De preek van de Doper zou men namelijk niet alleen als een soort kritiek op zijn tijd of een vorm van moraalprediking moeten voorstellen, hij bezat de eigenschap van de  bliksemkracht van de Elia-wezenheid. Deze kracht uitte zich uiteraard niet meer middels uiterlijke wonderen; want de werking ervan verhoogde zich tot het grootste wonder, het ontwaken van het geweten. Het waren wonderwerken noch profetieën, waarin zich de mysterieuze macht van Johannes de Doper openbaarde, het was zijn stem. Op de vraag wie hij nu was, zij het een profeet, d.w.z. een verkondiger van de toekomst, dan wel Elia, d.w.z. een wonderdoener van het verleden, antwoordde Johannes: neen. Hij was geen bemiddelaar van openbaringen of wonderdoener, maar hij was de stem van de roepende uit de eenzaamheid van het geweten. Al zijn kracht lag inderdaad in zijn stem. Hij sprak naar buiten zo, zoals het geweten in het innerlijk spreekt. Niemand kon zijn stem vergeten; deze drong diep door in de verborgen uithoeken van de ziel.

Hij zei niet: “Er staat geschreven dat het Rijk der Hemelen nabij is” of: “God heeft mij geopenbaard dat het Hemelrijk nabij gekomen is.” Neen. Hij zei eenvoudigweg: “Het Rijk der Hemelen is nabij gekomen” en ieder die hem hoorde kon in zijn stem de tegenwoordigheid van het Hemelrijk vernemen.

Om dit te begrijpen is het noodzakelijk om te weten dat alle vaardigheden van de mens drie rijpingsgraden doorlopen,. Deze drie graden kenmerkt Rudolf Steiner als imaginatie, inspiratie en intuïtie. Nu zijn er zeer verschillende verschijningen van deze drie graden, al naar gelang de vaardigheid van de zeven vaardigheden van de mens die in het gegeven geval actief is. Eigenlijk zijn er eenentwintig verschijningsvormen van zeven bovenzinnelijke vaardigheden. Een van deze vaardigheden is die van het woord. De vaardigheid van het woord ontwikkeld zich eveneens door drie graden.

De eerste graad van het ‘woord” bestaat erin, dat de mens iets nieuws over de geestelijke wereld dat hij zelf heeft gekend tegen zijn medemensen kan uitspeken; de tweede graad van het “woord” is echter bereikt, wanneer de geestelijke wereld door de mens heen mee spreekt; de derde en hoogste graad van de ontwikkeling van het “woord” is een taal waardoor zowel de fysieke alsook de geestelijke wereld iets nieuws openbaart. Dan spreken en luisteren de mens en de geestelijke wereld tegelijkertijd; de geestelijke wereld openbaart dan haar geheimen aan de mens, het mensdom echter openbaart zijn geheimen aan de geestelijke wereld. De mens is dan geen doorgeefluik, ook geen profeet; de mens wordt dan tot stem die vanuit en voor beide werelden gelijktijdig spreekt. Hij wordt tot een stem, die vanuit de eenzaamheid van het met de geestelijke wereld vereenzelvigd  geweten ontspringt.

Johannes sprak vanuit zichzelf in de diepste zin van dit woord en doordat hij sprak, sprak de Elia-wezenheid door hem heen. Daarom werkten in de stem van Johannes de bliksemachtige openbaringen van Elia. Zijn woorden leefden in de gemoederen en veroorzaakten een bekering, d.w.z. een ontwaken van het geweten. De gewetenskrachten, die eerst als schaamte en vrees overwinnende kennismoed werden beleefd, maakten door de schokwerking van deze overwinning het etherlichaam los. Was nu het etherlichaam op deze wijze voldoende losgemaakt, dan was men rijp voor de belevenis van de doop. In de doop ervoer men innerlijk het losgemaakte etherlichaam. Deze ervaring bestond in de beschouwing van het levenstableau, d.w.z. het ware beeld van het gehele leven. En doordat de dopeling daarbij zichzelf buiten zijn levensstroom geplaatst als een toeschouwer beleefde, betekende de doop voor hem het ontwaken van het ware Ik.

Op deze wijze bereidde Johannes-Elia de Ik-mens voor, opdat de Christus mensen zou kunnen vinden, die uit de roes van het leven waren ontwaakt. Zou Johannes deze voorbereiding niet hebben getroffen, dan zouden er geen oren zijn geweest, die Christus hadden kunnen vernemen. Door het werk van Johannes kon zich om de Christus een kring van mensen vormen, die tenminste zoveel begrip konden opbrengen voor Christus, dat Hij zich tot de mensheid ook met het woord kon richten.

Zo staat voor ons  in grote lijnen de missie van de Elia-wezenheid in het karma van het Israëlitische volk. Door de gestalten van Pinehas, Naboth, Elisa-Elia  en Johannes de Doper werkte zij tijdens de beslissende momenten van het lot van dit volk, doordat zij genezend en opwekkend stapsgewijs haar werkzaamheid verhoogde: aan het begin helend op het etherlichaam, vervolgens louterend op het astraallichaam om uiteindelijk tot de Ik-opwekkende  activiteit op te stijgen. Deze graden komen overeen met de drie leeftijdsfasen van het Israëlitische volksorganisme.


In de volgende beschouwingen zullen die drie perioden van de Oudtestamentische  ontwikkeling aan de hand van drie karakteristieke  gestalten beschouwd worden. 

* * * 

VIII.

MOZES


1.     Het wezen van de wijsheid van Mozes

De geschiedenis van het Hebreeuwse volk begint met de uittocht uit Egypte. Deze gebeurtenis kan als zijn eigenlijke geboortemoment beschouwd worden. Want vanaf dit moment begon het eigen leven van het nieuwe volk, nadat het de inbedding in Egypte achter zich had gelaten. Deze uittocht was echter gecompliceerd en pijnlijk, ook na de oversteek van de Rode Zee. Pas na het veertig jaar rondtrekken in de woestijn, die daarop volgde, vond een volledige bevrijding van het Egyptendom plaats, die met de uittocht uit Egypte slechts was begonnen. Deze bevrijding zowel in te leiden en door te voeren alsook het nieuwe volk een nieuwe culturele inhoud voor de hele toekomst te geven was de missie van de tot de kennis van Jahweh opgestegen Egyptische ingewijde Mozes.

Zoals Abraham, Isaak en Jacob de basisimpulsen gaven van het Israëlitische denken, voelen en willen, die in het onderbewustzijn als aanleg werkten,  zo berust al het dagbewuste denken en streven van dit volk op de wijsheid van Mozes. Wat in het volksbloed werkte was afkomstig van de drie patriarchen; wat echter in het volksbewustzijn als wereldbeschouwing en levensopvatting leefde, was afkomstig van Mozes. De bijdrage van Mozes aan de Oudtestamentische geschiedenis verhield zich tot de bijdragen van de aartsvaders zoals het Ik zich verhoudt tot het astraal-, ether- en fysieke lichaam. Datgene wat in deze drie lichamen als wils-, gevoels-  en gedachtenimpulsen werkte, verhief Mozes in het daglicht van de wijsheid.

Uiteraard was dit een openbaringswijsheid, overeenstemmend met het evolutionaire stadium van die tijd, want een logisch gedachteleven  was nog niet mogelijk. Deze wijsheid was echter zodanig geschapen, dat ze tot de denkzin sprak, die tot de dagzintuigen behoort. In dit verband is het nodig om te noemen dat de tijden van de geschiedenis van de mensheid die als voor-logische kunnen worden aangeduid, d.w.z. toen er nog geen logisch denken in begrippen bestond, gedachteloos of onlogisch waren.  Integendeel: grote gedachten brachten de gemoederen in hogere mate in beweging dan het nu gebeurt en de consequentie waarmee deze gedachten verwerkelijkt werden, openbaart een logisch vermogen dat de moderne tijd van empirisch experiment heeft verloren. Gedachten waren daar, grote gedachten die als lichtende sterren boven al het  menselijke streven en pogen straalden, het in alle details met een logische consequentie bepalend die bewonderenswaardig is. Alleen waren deze gedachten niet door mensen geproduceerd; het waren openbaringsgedachten die vanuit kosmische hoogte met een kosmische logica voor de denkzin van  de mensen werden geplaatst. De denkzin is echter niet hetzelfde als de vaardigheid van het oordelende logische denken. Laatstgenoemde is namelijk een activiteit van het menselijke Ik, terwijl de denkzin bij het menselijk organisme hoort. Zou men bv. vandaag de dag op de oude manier gedachten willen opnemen, dan zou men met het denkvermogen, dat zowel de waarnemingen van de denkzin alsook het oordeelsvermogen omvat, hetzelfde doen dan wanneer men de handen alleen voor het betasten van voorwerpen zou willen gebruiken zonder met deze handen te willen werken. Het tastvermogen mag zich nog zo fijngevoelig daarbij ontwikkelen, maar het arbeidsvermogen van de handen zou mettertijd atrofiëren.

Wanneer vandaag de dag gedachten slechts werden opgenomen, zonder dat deze door een zelfstandig oordeelsvermogen tot aan een eerlijk doorgevoerde laatste consequentie werden doordacht, dan ontstaat  daaruit een leven in schijngedachten. De mens is dan wel vol gedachten, die hij als waarnemingen van zijn denkzin heeft opgeborgen, maar in werkelijkheid is hij gedachteloos. Hij kan daar heel tevreden mee zijn - want deze toestand is gemakkelijk; maar zodra hij in situaties verzeild raakt, waarbij initiatieven van het eigen oordeelsvermogen vereist zijn, dan is hij hulpelozer dan menigeen die dan wel minder “weet” maar een zelfstandig denken heeft nagestreefd. In de regel worden dan deze mensen een prooi van de suggestieve kracht van de publieke opinie.

De “Oudtestamentische” verhouding tot kennis is tegenwoordig een ernstig gevaar; het is een gif dat de beste krachten in deze tijd kan verlammen. In de praktijk echter bestaat ook bij de mensen met het grootste autoriteitsgeloof in de huidige tijd toch de behoefte om zelf te oordelen, maar dit wordt echter uit het kennisgebied van aangelegenheden die de mensheid en kosmos betreffen naar beneden verdrongen in het gebied van persoonlijk-menselijke aangelegenheden. Dat uit zich dan in de vorm van een ongezond waarderen dan wel afkeuren van persoonlijkheden; de een wordt veroordeeld, de ander heilig verklaard.

Dit zijn de gevolgen van de eenzijdige manier van gedachten willen opnemen als openbaringsinhouden in de huidige tijd. Maar ten tijde van het Oude Testament was deze uitwerking wezenlijk anders. Toentertijd lichtten de gedachten door de denkzin diep in het innerlijk. De lichtkracht van de gedachten werkte direct, als het ware met een suggestieve kracht, op de mensen. En de mensen bogen zich in eerbied voor de gedachten, die als tekens voor het woord Gods doorgingen. De God van Israël heeft Zelf met eigen hand de tien geboden op de stenen tafels van Mozes geschreven, zo staat het in de bijbel. Dit is letterlijk waar, in veel diepere zin als men deze passage in de Bijbel pleegt te interpreteren.

Want terwijl in de huidige tijd de gedachten door het zenuwstelsel in het bloed worden overgedragen, werden zij toentertijd alleen in het zenuwstelsel (dus als louter waarnemingen van de denkzin)“ingegraven”. Het zenuwstelsel is echter dat deel van het menselijke organisme dat het meest mineraliserend werkt. Het leverde de “stenen tafel”, waarop God met eigen hand zijn geboden kon inschrijven. En deze geboden lichtten als gedachten (niet als de innerlijke stem van het geweten, want zo iets was er nog niet) in hun waarheidsgehalte. Want de “stenen tafel” dient men zich niet voor te stellen als bestaande uit dof steen maar uit kristal. De astraallichamen van de Israëlitische gemeenschap, wier fysieke uitdrukking het zenuwstelsel is, werden namelijk voorheen door het “hemelse Manna”, de neerdalende Mannakracht, gelouterd. Om deze reden moet het door de kracht van Manna doorlicht zenuwstelsel  niet voorgesteld worden als een stenen tafel in de zin van ondoorzichtig steen maar als een kristallijne tafel die de geboden Gods lieten doorlichten. De geboden behoefden niet “gefundeerd” te worden - men erkende hun goddelijke oorsprong door hun lichtkracht. Ook al was het innerlijk moreel gewaarworden toentertijd niet voorhanden, was er in plaats daarvan wel een sterk gevoel voor de autoriteit van de goddelijke gedachten.

Deze gedachten werden uiteraard niet opgenomen in de vorm van abstracte begrippen maar door middel van beelden. In deze tijd wordt aan beelden geen kenniswaarde toegedicht, slechts een illustratieve waarde betekenis hebben ze bewaard. Het beeld wordt louter als grondstof voor begripsvorming via de methode van abstractie, abstrahering.  Uit vele beelden of concrete voorstellingen wordt een begrip gedestilleerd. Men komt bv. tot het begrip “mens”, wanneer men alle beelden van afzonderlijke mensen van hun onderscheidende eigenschappen ontdoet.

Het proces gaat tegenwoordig  dus zo: Uit meerdere beelden verkrijgt men een begrip.

Swingt echter met de begripszin (denkzin) de imaginatiezin mee, dan is het proces juist omgekeerd. Dan worden uit een beeld meerdere begrippen gewonnen. Uit de imaginatie van de “Hof van Eden” bv. kan een reeks begrippen worden afgeleid, indien men dit beeld in de taal van begrippen wil omzetten.

De “tuin” is in het begin een toestand van de natuur, die zich onderscheidt van het “woud” doordat een tuin niet louter op natuurlijke wijze is ontstaan, maar als gevolg van intelligentie is aangelegd. Het is dus een toestand van de verhouding tussen natuur en mens, waar menselijke en natuurkrachten in elkaar verwoven zijn, waar dus het innerlijk van de mens vormend inwerkte op de natuur; en anderzijds de natuur in de mens als innerlijkheid optrad.

Een “stad” is een bestaansvorm, waar de menselijke intelligentie alles heeft bepaald en alles beheerst; een “woud” is een plaats waar de natuur zonder menselijke ingreep haar gang kan gaan; een tuin ontstaat uit de samenwerking van natuur en menselijk intelligentie. Op die manier krijgen we het eerste begrip uit het beeld “Hof van Eden”: het harmonisch samenwerken van natuur en mens. 

Deze samenwerking was echter alleen mogelijk doordat er een gezamenlijk circulatiesysteem voorhanden was. Doordat de vier stromingen van de etherische vormkrachten (levensether, toonether, lichtether en warmte-ether) van natuur en mens een gemeenschappelijk ritme hadden, was de paradijselijke toestand mogelijk. Want de vier stromingen in de Hof van Eden waren “tuin”-stromen  in de zin van hun menselijk-natuurlijke betekenis. Op deze wijze verkrijgen wij een tweede begrip van de Hof van Eden: het voor mens en natuur gezamenlijk circulatiesysteem.

Een dergelijk in elkaar stromende verbonden-zijn van het menselijke met het natuurlijke betekent, moreel gezien, de toestand van de onschuld van de mens. Dit was de vóór-karmische toestand, want pas met de eerste schuld begint het menselijke karma als ervaringsweg van de kennis van goed en kwaad.

Nu was het wereldkarma echter al aanwezig. De boom der kennis van goed en kwaad groeide middenin de tuin der onschuld. Dit wereldkarma was een aangelegenheid van de goden die in de natuur heersen (boom), niet van de mens. En het gebied van deze natuur, waarin de karmische boom van de Luciferische schuld groeide, was afgezonderd voor de mens. De mens mocht de vruchten van alle bomen eten, maar alleen niet van deze boom, d.w.z. de mens bevond zich in een in elkaar stromend verbonden-zijn met het gehele natuurbestaan, maar dat niet verwikkeld was in het Luciferische karma van de Goden. De mens leefde in een  buiten-karmisch bestaansgebied. Dat hij de grens van dit gebied overschreed, was een gevolg van een onderbewust werkende verzoeking. Want het was niet de boom der kennis zelf, die de mens in verzoeking bracht, maar het dier, de slang. Het was dus een kracht, die noch tot de natuur behoorde, noch tot het menselijke bewustzijn die het binnentreden van het karmisch gebied veroorzaakte. “Dier” is de kracht van het onderbewustzijn, van het astraallichaam, die in het bewustzijn verleidend werkte. En doordat de mens van de vrucht van de boom der kennis “at”, d.w.z. tot deze “boom” in dezelfde in-elkaar-stromende verhouding kwam te staan zoals alle overige “bomen” van het Hof van Eden, werd hij het karma deelachtig. Het menselijke karma nam een aanvang en aan de toestand van onschuld kwam een eind. De mens werd uit de “tuin” verdreven naar een bestaansgebied waar de dubbele “vloek”, d.w.z. het menselijke karma heerste; in het gebied van zweet en tranen. Arbeid en pijn zijn sindsdien het algemeen menselijke karma van het mannelijke en het vrouwelijke van de gevallen mensheid op aarde..

Maar doordat mens, die met de Goddelijke natuur verbonden was, in verbinding met de Luciferische natuur trad, viel niet alleen de mens maar de gehele natuur waarmee hij verbonden was. De mens sleurde de drie natuurrijken met zich mee in het gebied van het karma. De natuur vertrouwde de mens destijds nog en volgde hem na. De banden, die de paradijselijke mens met de natuur verbonden, sleurden de natuur mee naar beneden. In de lange, zeer lange tijdsspannen die volgden, vormde zich geleidelijk aan een andere verhouding tussen mens en natuur; de mens zonderde zich af van de natuur en werd een eenzaam wezen. Toch is deze vereenzaming van de mens t.o.v. de natuur niet enkel het gevolg van het eenzijdig terugtrekken van de mens van de natuur, maar van een op wantrouwen gebaseerd zich terugtrekken van de natuur zelf t.o.v. de mens. Ooit vertrouwde de natuur de mens en volgde hem, maar zij moest teleurstelling in de mens ondervinden. En zo komt het dat, inmiddels al langere tijd, de in de natuur levende elementaire wezens geen vertrouwen meer hebben in de mens. Het ontstellend tragische daarbij is het feit dat de verlossing van de natuur enkel door menselijk toedoen mogelijk is. De natuur hunkert naar verlossing door de mens, die zich uit liefde wederom met haar verbindt en aldus verbonden met haar samen daarheen opstijgt van waaruit zij uit liefde voor de mens ooit was gevallen.

De natuur verwacht dat de mens de haar destijds betuigde liefde nu zal beantwoorden, maar inmiddels zijn duizenden en nog eens duizenden jaren verstreken en de natuurwezens zien nog steeds geen teken dat de mens hen verlossing gewild is te brengen. In de plaats daarvan wil de mens hen knechten; hij wil steeds meer vruchten van de natuur hebben dan wat zij hem vrij aanbiedt. Hij neemt er geen genoegen mee met wat zij hem schenkt; hij wil haar alles wat zij heeft afdwingen en zijn egoïstische doelen volkomen onderwerpen.


Men gelove niet dat het witte mechanisch occultisme van de toekomst zal bestaan uit de ontwikkeling van nieuwe krachten, waardoor de natuur tot hogere prestaties kan worden gemanipuleerd; het waarachtige mechanisch occultisme zal ernaar streven om bij de elementaire wezens het vertrouwen in de mens te herwinnen door deze wezens vanuit vrijheid te dienen. De witte magie beveelt niet uit; het betreft een wederzijdse liefdesdienst tussen mens en natuur. Wanneer de ziel van de natuurwezens weer gericht zal zijn op de mens, wanneer de natuur zal bemerken dat in de menselijke stem de stem van Hem - die eens op aarde met een menselijke stem sprak, en die zij nooit zal kunnen vergeten - mee zal klinken, dan zal er een mechanisch occultisme kunnen komen dat de moderne techniek zal kunnen aflossen. En de “mechanica” van dit mechanisch occultisme zal bestaan uit het herstel van de liefdevolle vertrouwensband.

Dan zal de verhouding tussen mens en natuur niet meer zijn gebaseerd op het beeld van de “Hof” zoals in het begin. Want dan zal de natuur zich helemaal aan de mens hebben overgegeven en zal het de mens zijn die het aanzien van de natuur zal bestemmen. Wanneer aan het begin van de geschiedenis van de verhouding tussen mens en natuur van de “tuin” staat, dan staat aan het eind van die geschiedenis de “stad.”  Het “Hemelse Jeruzalem” is de stad van de toekomst, zoals Eden de tuin van het verleden was. Dit is het compositiegeheim van de Bijbel: de weg van de tuin naar de stad Jeruzalem. De compositie van de Bijbel is identiek aan de compositie van de mensheidsevolutie. Daarom mag de Bijbel als een goddelijke schrift worden gekenmerkt, want goddelijke doeleinden kunnen erin worden gevonden. En zoals enerzijds de hele wording van de mensheid een eenheid is, zo tekent de deze evolutie schilderende Bijbel ook een geheel. Het is de taak van de antroposofische beweging, om de huidige mensheid de Bijbel in zijn geheel weer  terug te geven.

De wijsheid van Mozes, zoals dit vanuit het bovenstaande voorbeeld kan worden ingezien, richtte zich tot de begripszin (denkzin), waar de imaginatiezin nog meeswingde.

Niet dat de leerlingen van Mozes geloofden dat de mens eens in de tuin leefden en vandaar werden verdreven; ze begrepen door de beelden de ideeën van de kosmische samenhangen van de oertoestand van de mens en de wording van het karma. Anderzijds was het hun niet zozeer te doen om het beeld zelf als wel om de gedachten die dit beeld overdroegen. Want de aard van het Israëlische geestesleven, in contrast bv. met die van het Egyptische neigde al sterk naar het verstandelijke en was al betrekkelijk ver verwijderd van het intensieve leven in het imaginatieve.

Dit is de eigenaardigheid van Mozes’ wijsheid als geesthistorische verschijning. Wanneer we ons nu de vraag naar het wezen daarvan stellen, dan luidt het antwoord dat Rudolf Steiner in de voordrachtscyclus over het Mattheüsevangelie (GA 123, Bern 1910) geeft, dat deze wijsheid de geheimen van de tijd openbaarde, i.t.t. de Egyptische wijsheid van Hermes die een openbaring betrof van de geheimen van de ruimte. In de voordrachtscyclus over de Bijbel (München 1910, GA122) heeft dan Rudolf Steiner op een grandioze wijze de kosmische geheimen van het Mozaïsche scheppingsbericht in het daglicht gebracht. Bij deze beschouwing wordt een zekere vertrouwdheid met de inhoud van deze cycli verondersteld en er zullen in het vervolg de dingen op een zodanige manier behandeld worden, zoals dat alleen mogelijk is, indien datgene wat door Rudolf Steiner over de wijsheid van Mozes is meegedeeld, tenminste in grote lijnen de lezer bekend is.

Wanneer men de Bijbelse leren van Mozes, zoals die door Rudolf Steiner in de taal van de geesteswetenschap is omgezet, als geheel voor het geestesoog heeft, dan valt in deze leren in een eerste reeks een ding op: namelijk de gedachte, waarop alle details georiënteerd zijn, dat de mens de kroon op de schepping is. Mozes beschrijft de opstijgende stadia van het scheppingswerk totdat aan het hoogste stadium, de mens werd bereikt. De geschiedenis van deze hoogste prestatie van de schepping begint echter met de zondeval en de goddelijke “vloek” die over dit hoogste schepsel wordt uitgesproken. Als men nu deze twee gedachten naast elkaar zet, d.w.z. dat de mens de kroon op het scheppingswerk is en dat hij anderzijds tegelijk zo geaard was dat hij de vloek verdiende, dan kan men verleidt zijn om te denken dat de mens een mislukte daad van de scheppingsakte was en dat het gehele verdere verloop van de geschiedenis is bedoeld om dit mislukt schepsel alsnog te verbeteren. Deze gedachte, die door enkelingen wel eens als een louter theoretische mogelijkheid is overwogen, heeft echter een grote rol gespeeld in de mensheidsgeschiedenis. Want hoe men het ook moge formuleren – achter alle vormen van pessimisme en misantropie is deze gedachte niettemin werkzaam. Want ook “stemmingen” zijn uitdrukkingen – vaak van onbewuste ideeën. Een de idee dat de mens een misbaksel is, werkte in velerlei nuancen van de formulering en stemming op een vernietigende wijze door de eeuwen heen.

De gedachte echter die door Mozes in de Bijbel voor de mensheid wordt neergezet bestaat in werkelijkheid hieruit, dat het de bestemming van de mens is om een innerlijke ontmoeting van goed en kwaad mogelijk te maken en daardoor het begin van diegene strijd tussen goed en kwaad te weeg te brengen die karma wordt genoemd. Mozes wil de kosmische zin van de vierde Hiërarchie voor de kennis van de mens ontsluiten en het antwoord op deze vraag is juist de wezenskern van Mozes’ wijsheid. Het geheim van het karma – dat is de wezenskern van Mozes’ wijsheid. En om deze reden is Mozes’ wijsheid een “wijsheid van de tijd”, omdat het onderwerp ervan de oorsprong via het karma en het verdere verloop in de toekomst is. De wijsheid van Mozes begrijpen betekent  het wezen van het karma begrijpen. Daarom wenden wij ons tot de vraag naar het wezen van het karma. Maar deze vraag moge door een andere vraag voorafgegaan worden die de opgave om het karma te begrijpen beduidend zal vergemakkelijken: hoe zou de wereld zonder karma zijn? Wat zou in dit geval de situatie van alle Hiërarchieën zijn, wier daden immers uitmaken wat wij “wereld” noemen?

Om deze vraag te beantwoorden moet men zich realiseren, dat elke Hiërarchie, hoe hoog ze ook moge zijn, ondergeschikt is aan een hogere macht, waar zij, als het ware, naar op kan kijken. Maar tevens geldt dat er ook werelden onder hen zijn geplaatst, wat de betekenis van haar werkterrein heeft. En indien wij ervan uitgaan dat het karma, de onderlinge uiteenzetting van goed en kwaad, niet zou bestaan, dan zouden de Hiërarchieën enkel naar boven kunnen schouwen, want naar beneden toe zouden zij niets te doen hebben. Zij zouden dan steeds hogere trappen van het aanschouwen van de Godheid kunnen bereiken;  maar er zou geen strijd en geen gebied zijn om het aanschouwde toe te kunnen passen, want geen hindernissen zouden moeten worden overwonnen. Wat betekent echter het strijdloze schouwen van het goddelijke. Het betekent kosmische slaap. Alle Hiërarchieën zouden in een kosmische slaap vallen, indien het karma niet bestond.

Maar dit geldt zowel voor de Hiërarchieën van het goede als van het kwaad. Zonder karma was er in het geheel geen gebied waarin deze Hiërarchieën elkaar zouden kunnen ontmoeten; de desbetreffende Hiërarchieën zouden enkel op hun standpunt blijven staan. Werkloos zouden zij tegenover elkaar blijven staan. Er zou geen omstreden gebied bestaan, een gebied waarin waarheid of onwaarheid in objectieve gebeurtenissen zou uitmonden, d.w.z. een gebied waarin de rechterlijke uitspraak van het oerwezen dat aan deze wereld ten grondslag ligt voor beide partijen overtuigend zou kunnen klinken. Zonder een dergelijk gemeenschappelijk werkgebied zouden beide Hiërarchieën iets t doen hebben en in een wereldslaap zijn verzonken.

Deze wereldslaap is nu juist de toestand die voorafging aan de Oude Saturnus. De kosmische ontwikkeling vanaf de Oude Saturnus tot aan de Aarde is in wezen de schepping van een karmisch organisme, een schepping van een gebied waarin een uitwisseling in de zin van een onderlinge worsteling tussen goed en kwaad mogelijk is. De Hiërarchieën die hier scheppend aan meewerken, zijn afkomstig uit een andere ontwikkeling; dat geldt ook voor Ahriman. Men kan zich Ahriman voorstellen als een ijsberg uit een in een ver verleden vergane wereld, die vanuit dit verre verleden in de zuidelijke wateren van deze  wereld is gekomen. Hij werd door Lucifer naar deze wereld gelokt, omdat deze de condities had gecreëerd, waardoor Ahriman ten tonele kon verschijnen. De schaduw, die door Lucifer werd veroorzaakt in het goddelijke licht, was voor Ahriman de toegangspoort. Deze nadering vond geleidelijk plaats; tijdens de Oude Saturnus was zijn werkzaamheid vanuit de verte door de fysiek-lichamelijk koude waarneembaar; de kou ging als voorbode voor hem uit. Tijdens de Oude Zon was het de imaginatie van duisternis, waaraan men zijn komst kon waarnemen. Tijdens de Oude Maan was de nadering van Ahriman nog duidelijker: het kwam tot uiting in verharding van de van de zon afgewende delen. De klank van de verhardende woorden van Ahriman, de klank van zijn stem, verscheen in de Oude Maan in de vorm van inspiraties. En tijdens de aardeontwikkeling zelf treedt Ahriman zelf in de wereld. Op aarde alleen kan daarom Ahriman intuïtief worden gekend. Daarmee is het creëren van het karma tot een eindpunt gekomen: het kwaad betrad deze wereld, om hier een werkingsgebied te gewinnen, dat in zekere zin “neutraal” is, d.w.z. dat het zowel door het goede alsook door het kwaad kan worden gewonnen. Wat was dit nu voor een gebied?

In de taal van de mysteriën, de taal die de Goden tot de mensen spreken, wordt geduid op een bestaansgebied dat in moreel opzicht neutraal is, dat goed noch kwaad is, zoals stof. In deze zin kan men spreken van een “stof-kennis”, “stof-kunst,” “stof-religie.” In de monoloog van Faust, eerste scene, eerste deel, komt de betekenis van “stof” duidelijk naar voren. Goethe somt de meeste verschijningsvormen van “stof” in het geestesleven op en doet dit in een vorm, waarbij men kan aanvoelen wat “stof” betekent.

In de Bijbel wordt door Mozes de beduidende waarheid uitgesproken, dat de mens uit stof der Aarde is geschapen en bezield door de “levende adem Gods.” Daarmee zegt Mozes het volgende: de mens is zo geschapen, dat hij een dubbelwezen is; enerzijds wortelt hij in het goddelijke, en anderzijds vertoeft hij in een ruimte die geestelijk leeg is, een ruimte, die noch aan het goede noch aan het kwade toebehoort. Maar juist daardoor was het de mens, die als een magneet de kwaad in de wereld aantrok. Want de mens verschafte een bodem, die door het kwaad kon worden betreden. Het was Lucifer die de toegangspoort voor Ahriman openzette; het was de mens die de bodem verschafte, waarop Ahriman zijn voet kon neerzetten. In de schaduw van Lucifer ontstond de “stof” en de uit stof gemaakte mens leverde het strijdperk tussen goed en kwaad, dus ook het karma van deze wereld.

Aldus is de zin van de schepping van de mens het ontstaan van het karma, de mogelijkheid van uitwisseling en strijd tussen goed en kwaad. Aan de mens zal het blijken, wie voor het oerwezen van deze wereld, dat boven alle wezens, goed en kwaad, staat, gelijk heeft. Het karma is het voortdurende rechtelijke oordeel van de Godheid in de strijd tussen goed en kwaad. Het karma is de zin van deze wereld; en alleen door de mens kon het karma in deze wereld ontstaan.

De mens is geen mislukte schepsel Gods doordat hij de stroom van schuld en verzoening in de wereld in gang heeft gezet, maar hij is een wezen dat het met een ontstellend risico verbonden doeleind verwerkelijkt, de ontmoeting van goed en kwaad in zichzelf mogelijk te maken, opdat het kwaad wordt overwonnen.

Een ongelooflijk heldendom staat achter de basisimpuls van menselijke individualiteiten om zich op aarde te incarneren, eerbied voor de mens ontstaat in de ziel van diegenen die de kosmische draagwijdte ervan inzien; dit is de ware en echte eerbied die zich door niemand of niets hoeft te laten kleineren. De ware eerbied voor de mens bestaat niet enkel uit de heiligenverering; maar uit diegene eerbied die ontspruit vanuit de kennis van de oerbedoeling van het in de zonde afgedaald menselijke. Men gelove niet, dat de geestelijke Hiërarchieën op de mens neerkijken als een soort “Engel in de voorbereidingsklas”; neen, de geestelijke Hiërarchieën achten de mens zelfs hoger dan de mens überhaupt zelf geleerd heeft te achten. De wezens van de geestelijke wereld, zij kennen de zonden van de mensen, maar hun vreugde over al het positieve dat de mensen tot stand brengen, is groter dan het verdragen van de aanblik van al het lelijke dat de mensen in de wereld tot stand brengen. Want het goede dat de mens in de kosmos verwerkelijkt heeft voor de geestelijke wereld meer waarde dan het goede in de geestelijke wereld, dat voor hen vanzelfsprekend is. De gelijkenis van Jezus Christus, waarbij sprake is van de vreugde over de terugkeer van het verloren schaap, is een  precieze uitdrukking van het kosmische feit dat goede bij een zondaar, d.w.z. een wezen dat het kwaad in zijn organisme heeft opgenomen meer gewicht in de schaal legt dan het goede dat uitgaat van de heilige, d.w.z. diegenen die het kwaad niet in zich heeft opgenomen. De meest grandioze uitdrukking hiervoor heeft Rudolf Steiner met de woorden gegeven: “De mens is de religie van de goden.”

Aldus lag het in de bedoeling voor de mensheid om “zondig” te worden , en haar zondeval is eigenlijk niets anders dan haar geboorte. De erfzonde is het lot van ieder mens die op aarde wordt geboren, want het zou anders voor hem geen zin hebben om als mens op aarde geboren te worden. Vanuit de geestelijke wereld, waar het thuisland van de menselijke individualiteiten is, dalen de zielen af met het bewuste besluit, om onder te duiken in de stroming van het kwaad, teneinde met iedere incarnatie een stuk aan het kwaad te ontworstelen en het, als het ware, als winst voor de geestelijke wereld na de dood mee terug te nemen in de geestelijke wereld.
Hoeveel en welke krachten van het goede het individu in deze strijd heeft ontworsteld dan wel ingeboet, is zijn individuele karma; maar dat het bij iedere geboorte in de stroom van het kwaad onder te duiken heeft, dat is algemeen menselijk karma. Deze stroming van de “erfzonde” stroomt sinds de zondeval door alle generaties heen en is geen individuele aangelegenheid maar een gelegenheid van generaties. Het is de duistere wil, die door alle generaties heen de toekomst in stroomt. Deze duistere wil is op zich kwaad en voor zover de mens deze wil gedachteloos volgt, is hij een verstorend en kwaad wezen. Met dit kwade wezen verbindt zich de gedachten uitstralende ziel die naar de geboorte afdaalt teneinde het kwade wilswezen in gedachten te metamorfoseren. Om deze reden is het hoofd het gemetamorfoseerde ledematenstelsel van een vorige incarnatie (een feit waarover Rudolf Steiner vanuit meerdere gezichtspunten gesproken heeft). In het geval dat het gedachteleven te zwak is en geen richting geeft aan de wil en zelf een verlengstuk wordt van de wil, dan resulteert dit in een negatief gedachteleven, dat kwade ideeën in de wereld lanceert.

De gedachte heeft tot taak om de wil, die op zich duister is, richting te geven. Dit was de reden waarom Mozes de geboden van de wet aan het volk van Israël nagelaten heeft. De wet van Mozes is het feit van de tegenoverstelling van het denken, dat van goddelijke origine is, tegenover de wil, die op zich kwaad is. En doordat Mozes het sterrenlicht van het denken tegenover de duistere stroom van de erfzonde plaatste, veroorzaakte hij daardoor de opkomst van de morele gevoelsleven van vrees, schaamte en berouw. Want de mens is geen wezen enkel begiftigd met denkvermogen en wilskracht; hij is ook wezen met gevoel. Zou de mens geen gevoelsorganisme hebben, dat was hij een centaur. De centaur is namelijk een wezen dat enkel met denken en willen begiftigd is. Wat de mens tot mens maakt is het gevoel..

Het contrast dat tussen het beeld van de op de spits van de berg Sinaï goddelijke gedachtenopenbaring ontvangende Mozes en aan de voet van deze berg het beeld van het dier vererende volk, tot uitdrukking komt, is tegelijkertijd de uitdrukking van het contrast tussen het denken en het willen. Door de gevoelens van vrees en schaamte kon het volk opnieuw tot gehoorzaamheid worden gebracht, want in Mozes zijn tijd was het gevoel, de menselijke schakel tussen denken en willen, slechts tot zoverre ontwikkeld, dat alleen gehoorzaamheid kon worden verwerkelijkt.  De mens van het oude verbond was een mens van gehoorzaamheid. Maar doordat Mozes de boude tegenstelling door de wet neerzette, wekte hij het eerste verlangen van de mensenharten naar die toestand die later de profeten verkondigden: de toestand waarin de wet in de harten worden geschreven. Mozes plaatste het probleem voor het voorchristelijke mensenbestaan, doordat hij door de boude tegenstelling tussen de goddelijke eis en de gevallen natuur van de mens naar de noodzaak van de toekomstige opbloei van een verzoenende kracht in het innerlijk van de mens verwees.

De wijsheid van Mozes verwijst in het begin naar de onschuldige “tuin”-mens, dan onthult zij de natuur van de “gevallen” mens om tenslotte profetisch naar de toekomstige “verzoenende” mens te wijzen.  De tijd-wijsheid van Mozes betreft de kennis omtrent de weg van de mensheid door de hele aardeontwikkeling heen. Een deze weg bestaat  daarin dat het menselijke organisme aan het begin ten prooi aan de zondeval valt, d.w.z. een karmisch organisme wordt  om door de wet als gehoorzaamheidsorganisme een gewetensorganisme te ontwikkelen vangt bij de zondeval en onder de werking van het karma komt te staan om eindelijk tot de vrijheid van een liefdesorganisme op de stijgen.

De weg van de mensheid leidt van de voorkarmische “tuin”-mens naar de gevallen karmische mens, die tot gewetensmens wordt, doordat hij bewust deelneemt aan de strijd tussen goed en kwaad om eindelijk tot liefdesmens, d.w.z.  tot zegevierende mens te worden. Een wanneer aan het begin van deze weg de tuin van de onschuld staat, als beeld van de verhouding van de mens tot de omgeving, dan staat aan het einde van deze weg de stad der liefde, de hemelse stad Jeruzalem, hetwelk het oerbeeld van de het aardebestaan volgende Jupiterbestaan is.

De boeken van Mozes kunnen waarlijk als het “Hooglied van het mensdom” gekenmerkt worden. Want zij onthullen het grandioze kosmische oogmerk, dat door de menselijke Hiërarchie zal worden verwerkelijkt, en ze wijzen in de richting van de toekomstige zege van het goddelijke in de mens. In de Pentateuch leeft en ademt de geest van die geestelijke stroming die uitging van de grote mensenleider die zo ongeveer zevenduizend jaar geleden de kleine gemeenschap van Ariërs leidde in de strijd tegen de wereldheerschappij van Ahriman. De moedkracht van de grote Zarathoestra is het etherische bloed, dat de letters van de Pentateuch leven verleent; de opgestane wijsheid van de grote Zarathoestra is het wezen van de wijsheid van Mozes, zijn leerling.


2.     Mozes’ weg door de woestijn

In deze beschouwing, die ruimtelijk op bepaald grenzen is aangewezen, kan alleen datgene naar voren worden gebracht wat het meest passend is om tot de grondlijnen voor het begrip van het allerwezenlijkste te komen. Daarom kan op vele details van de beschrijving van het levenswerk van Mozes, zoals die in de Bijbel voorhanden zijn, niet ingegaan worden. Om het levenswerk van Mozes als een zich in de tijd afspelend gebeuren te begrijpen, moeten er derhalve drie beduidende gebeurtenissen uit de woestijntochten van het volk van Israël gekozen worden. Deze drie gebeurtenissen zijn: de spijziging van het volk door het hemelse Manna, het lessen van de dorst van het volk door het water uit de rots en de redding van het volk van de vurige slangen door het aanblik van de koperen slang. Deze drie gebeurtenissen zijn de stadia van een weg die het uitverkoren volk onder leiding van Mozes te begaan had. Dat deze weg alleen in de woestijn kon gaan, is zonder meer evident, indien men bedenkt dat het ging om een nieuwe geestelijke cultuurstroming. Deze kon niet binnen een oude cultuur kon worden geboren; ze had een vrije ruimte nodig; een cultureel vacuüm om zich te kunnen ontplooien. Egypte, Babylonië en Phoenicië hadden oude, verouderende culturen die echter ontluikende loten van een opkomende cultuur door hun tradities zouden overwoekeren. Daarom was het nodig, zo lang ver van de grote culturen vandaan in de woestijn rond te trekken totdat een zekere graad van rijpheid van de Israëlitische openbaringscultuur zou zijn bereikt. En deze rijpheid werd pas bereikt toen de generatie die uit Egypte trok uitgestorven was. Want niet eerder kon het nieuwe van Egypte loskomen, totdat allen die in Egypte hadden geleefd gestorven waren.

In de woestijn ging het er dus om een generatie voor te bereiden, die het verbond met Abraham, Isaak en Jacob bewust diende te vernieuwen. De drie oerimpulsen van de aartsvaders moesten derhalve in de woestijn door het hele volk opnieuw tot leven komen; echter op zo’n manier dat zij uit het onderbewuste, waarin ze actief waren, in het bewustzijn moesten worden verheven. De vernieuwing van het verbond in de woestijn bestond hieruit dat Mozes het gehele volk in wezen tot die inzichten van de aartsvaders te leiden had die destijds Abraham, Isaak en Jakob hadden verworven. De drie stadia van het eerste “verbond” moesten nu in de woestijn daarbij door het hele volk worden doorgemaakt. Daarom zijn het de drie genoemde gebeurtenissen, die tegelijk stadia van de weg van de vernieuwing van het bond zijn die hier beschouwd zullen worden.

In de fysieke woestijn moet de deze doortrekkende mens drie gevaren trotseren:  Onvruchtbaarheid, dorheid en hitte, en voor de mens honger, dorst en versmachten. De tocht door de woestijn herbergde eveneens gevaren in geestelijk opzicht. De eenzaamheid kon astraal, etherisch of fysiek worden ervaren.

De mens is aangewezen op een veelvuldigheid van indrukken. Schrompelt deze veelvuldigheid ineen tot de eenvormigheid van de woestijn, dan ontstaat een honger naar indrukken van buitenaf: de eerst beproeving van de eenzaamheid. Zulk een ontbreken van indrukken heeft gevolgen voor het innerlijk leven. Is de mens innerlijk meer aangewezen op zichzelf, dan verhardt hij in zichzelf. Zijn beweeglijkheid kan verminderen en de mens ervaart een verlangen naar vloeiende gebeurtenissen. Hij dorst naar innerlijke beweging. Maar het kan ook gebeuren, dat hij deze dorst naar beweeglijkheid vanuit zijn wensleven laat invullen. In een vurig fantasiespel schept hij zichzelf dan een subjectieve wereld die de onbevredigende buitenwereld moet vervangen. Het wensleven wordt daarbij steeds vuriger; de ziel raakt als het ware ontstoken. Dit is het gevaar van de eenzaamheid: hypertrofie van het wilsleven ten koste van het gedachten- en gevoelsleven. Alle hartstochten worden dan tot een koortsachtige werkzaamheid aangewakkerd; een bronstige vuurnevel versluiert de zintuigen. Het heilzame verkoelende denken en de helderheid die het hart aan het gevoelsleven kan verlenen worden dan door dit verterende vuur verdrongen.

Voor de openbaring van het nieuwe was de afwezigheid van indrukken van de buitenwereld nodig, maar deze noodzaak bracht voor het uitverkoren volk tevens de geestelijke gevaren van honger, dorst en hitte  met zich mee. Het hiermee gepaarde gaande leed echter was noodzakelijk en wel als een wegbereidend lijden voorafgaand aan de nieuwe openbaring. Na de zondeval behoort het tot de geaardheid van de mens, dat pijn en inspanning in zijn wezen datgene omwoelen wat een nieuwe openbaring mogelijk maakt. Het geluk maakt de mens sterk voor zijn arbeid op aarde; smart opent zijn blik naar de hemel. Bij het volk Israël, onder leiding van Mozes, ging het nu om deze geopende blik. Het geluk schreed hem vooruit in de vorm van vurige zuilen; het leed bezocht hen in hun legersteden en tenten, de band van het nieuwe verbond smedend. Op deze wijze kon de openbaring van het Manas of geestzelf gebeuren.

Dit was geen individuele maar een gemeenschappelijke openbaring. Tijdens de avondschemering begon het eerste ontwaken; bij de eerste zonestralen verdween het. Een nieuwe vorm van slapen ontstond in de Israëlitische volksgemeenschap. In dezelfde mate als waarin zij overdag hongerden naar indrukken, werden zij in de nacht geestelijk gespijzigd. Tijdens de dagtocht zweeg de woestijn; grote beloftes kondigden zich in de nacht aan. Overdag was er alleen maar een eentonige weg naar een onbestemde verre toekomst voorbij een stoffige horizon; maar gedurende de nacht spraken de sterren over de geheimen van een grootse toekomst;  dit vervulde de ziel met een nieuwe kracht en moed om door te gaan op de eindeloze wegen. De armoede die in horizontale richting werd ervaren was daarbij als een voorbereiding voor de ontvangen rijkdom vanuit de verticale richting. De woestijnvlakten brachten honger met zich mee; de hemel spijzigde met neerdalend Manna, hemelbrood. De zielen die met Mozes de Manas-openbaring in de woestijn hadden ervaren, vormen samen de karmische gemeenschap van de “Manas”-mensen voor de daaropvolgende millennia. De indrukken van toen leven in deze zielen door; de rijpheid van hun innerlijk bezit zullen zij in de zesde cultuurperiode bereiken. Deze mensen vormen de karmische gemeenschap voor de Philadelphische Manas-gemeenschap. Zij waren al duizenden jaren geleden daartoe bestemd, toen zij onder leiding van Mozes de nachtelijke openbaringen in de woestijn deelachtig werden. De zielen die het hemelse Manna hebben geproefd, vormen een gemeenschap die in de toekomst wederom een historische rol zullen spelen.

De Manna-openbaring in de woestijn was een openbaring die betrekking had op de toekomst. Maar de mensen konden niet uitsluitend ter wille van de toekomst leven; zij dorsten naar een actuele levensinhoud. Indien het astraallichaam zich naar de toekomst toe uitstrekt (ten gevolge van de Manas-openbaring) is het etherlichaam toch op een toevloed van levenskrachten vanuit het heden aangewezen. Blijft dit uit, dan verhardt het in zichzelf. Bij de Israëlitische volksgemeenschap werd deze toevloed van buiten onderbroken en de etherlichamen werden op zichzelf aangewezen. Hierdoor ontstond “dorst”, de dorst naar een toevloed van levenskrachten. En deze toevloed kwam, zij het niet op de gewone wijze, vanuit de natuur, maar van binnen, dus innerlijk. Mozes sloeg een stroom van levend water uit de rots. De herkomst van dit water was niet vanuit de natuur maar in het innerlijk van de mens dat in het etherlichaam werkt. Toen de kracht van de levensgeest (Boeddhi)  in het etherlichaam stroomde, werd de “dorst” gelest. Hierbij was er geen sprake van de kennis van Boeddhi – want dit was nog niet mogelijk – maar van de kracht van het wezen van Boeddhi in het etherlichaam. En de kracht van dit wezen is de adem van Christus. Het levende water, dat uit de rotsen stroomde, was de eerste aanraking met de levende Christus, die profetisch wees op Zijn tegenwoordigheid in het aardeorganisme. Het was een in de tijd vervroegde beleving van het “levende water” waarvan sprake is in de Evangeliën.

De openbaringen die Abraham ontving werden door de Manas-werking opnieuw verlevendigd; het werd een ervaring van het gehele volk. De openbaring van de kracht van de Zoon die Isaak ten deel viel, werd een ervaring van het volk door het teken van het uit de rots stromende water. En bij de derde ervaring van het volk in de woestijn was er sprake van een herhaling van Jacobs geestesstrijd. Bij de geestesstrijd van Jacob werd de afloop bepaald door de aanblik van een hogere waarheid, de waarheid van de bode des doods. Bij het volk Israëls ging het om de aanblik van een hogere waarheid verbeeld door de koperen slang, die het volk redde van de beten van de vurige slangen.

De laatste geschiedenis herbergt een mysterie waarover slechts gesproken zal worden voor zover  nodig om de richting van een eventueel verder onderzoek aan te duiden.

Het derde gevaar waarvan hier sprake is, is dat van een ontstekingstoestand van de ziel. Het betreft het meer Luciferisch worden van het innerlijk leven; een toestand die ook de lichamelijke gezondheid kan treffen. Bij dit gevaar was er sprake van een verschuiving van het innerlijk evenwicht tussen de beide verticale polen in de mens ten gunste van de vurige onderpool, waarbij een vernietigende koorts kwam opzetten. Hierbij klimt dit vuur in slangachtige spiraalbewegingen naar boven, in het hoofd. Indien hierbij de mens fysiek ziek wordt is dit verreweg nog de beste oplossing. Want deze ziekte houdt het slangenvuur tegen en bestrijdt het. Veel erger ware het, als het “naar boven brengen van de vurige slang” als een geestelijke methode zou zijn aangewend. In de verspreide geschriften van de Indische yoga wordt deze methode nu ook in de hele wereld gepropageerd. Indien deze methode werkelijk zou worden gebruikt, kan dit resulteren in een vorm van geestesziekte, waarvoor in de psychiatrie nog geen naam is.

Dit was juist het gevaar dat dreigde voor het volk Israël. De dodelijke beet van de “vurige slang” was een soort waanzin, die zich als een psychische epidemie onder het volk verspreidde en resulteerde in een dodelijk ziekte. Het was een uiterste vorm van een doortrokken worden met een Luciferische kracht.

Het gevaar van eenzaamheid is de mogelijkheid van een Luciferische overheersing. In de woestijntochten van het volk Israël betekende dit de plaag van de vurige slangen; de redding moest daarbij plaatsvinden door de heling van dit door de slang vertegenwoordigde gevaar. Een heling door innerlijke metamorfose, zoals ook bij Jacob. Wat in de vierde beschouwing over de heling van het Luciferische is gezegd, is voor een begrip van dit beeld ontoereikend. Daarom moet hier het volgende toegevoegd worden.

Door het Mysterie van Golgotha werd Lucifer tot Parakleet, d.w.z. tot een geestelijk wezen, dat Christus vanuit liefde dient. Dit is de innerlijke metamorfose van Lucifer, maar krachtens het karma is de werking die van hem uitgaat nog niet veranderd. Stap voor stap zal zijn innerlijke instelling de van hem uitgaande werking veranderen, maar pas in een verre toekomst kan dit geheel worden bereikt. De toekomstige Venus-ontwikkeling is hiervan het laatste stadium. Dan zal Lucifer ook op het gebied van de uiterlijk optredende verschijnselen werkzaam zijn als een met Christus verbonden wezen. Hij zal zich dan openbaren door de geestelijke kracht van de met de Christuskracht verbonden koper, dat helend kan werken in de natuur. De slang, die tijdens de paradijselijke toestand van de mens als een verleider optrad, wordt dan een heilzame koperen slang.

Het proces van innerlijke metamorfose van de Luciferische hiërarchie voltrekt zich geleidelijk. Hoewel Lucifer door het Mysterie van Golgotha een innerlijke ommekeer doormaakte, waren er binnen zijn hiërarchie al eerder wezens geweest, die deze ommekeer  hadden doorgemaakt. Er waren ook wezens die van de aanvang af aan, bij de val de Luciferische hiërarchie, de Heilige Geest trouw waren gebleven . Deze wezens vormden van meet af aan het geweten van de Luciferische Hiërarchie. Zij stonden onder leiding van een wezen dat door verrichte offerdaden tot de hoogte van deze functie was gestegen. Aldus behoorden zij bij de Luciferische Hiërarchie, maar zij bleven trouw aan de goddelijke leiding en hun trouw was als een vermaning voor de gevallen engelenschare. Zij vormen het levende doel van de gevallen geesten; de innerlijke ommekeer waarvan hier sprake is was in zekere zin al tijdens de val voltrokken. Het beeld van de koperen slang is niet het beeld van de toekomst van de evolutie van Lucifer, maar van het manende Luciferische geweten in het verleden. De aanblik van deze imaginatie werkte helend; het veroorzaakte de mogelijkheid van ommekeer, omdat de verzoenende krachten van het geweten van de  Luciferische hiërarchie erdoor werd wakker geroepen.


Aldus leidde Mozes het volk tot een vernieuwing van het verbond, doordat hij de kennis van Abraham, het leven van Isaak en de inkeer van Jacob in de gebeurtenissen van de spijziging van het manna, het uit de rots ontspringende water en de genezing door de aanblik van de koperen slang beleefde. De weg door de woestijn had echter niet alleen een betekenis voor het volk, maar ook voor Mozes zelf. Ook Mozes maakte in deze tijd bepaalde beproevingen voor zijn individuele weg  door. Hij ging uiteraard zijn weg ter wille van de vroomheid  van zijn volk, want alleen op deze wijze kunnen hogere graden van de weg gegaan worden. Dit geldt ook voor de huidige tijd.

De grondregel: “Indien de roos zichzelf siert, siert deze de gehele tuin” geldt tot een zekere grens. Hogere stadia kunnen in bepaalde gevallen slechts worden bereikt, indien een dergelijk opklimmen plaatsvindt vanuit de bereidwilligheid om de mensheid een dienst te bewijzen. En hoe hoger de opklimmende trede is, des te groter moet de groep mensen zijn, die men een dienst wil bewijzen. Dit vereiste gold ook voor Mozes. Door het volk te dienen, kon hij schouwend dat geestelijke wezen vernemen dat de met mysteries omgeven naam “Ik ben“ droeg. Door imaginatie en inspiratie erkende hij het aangezicht van deze wezenheid, Jahweh-Elohim. Maar om het achter Jahweh staande geheime wezen te kunnen erkennen, moest hij opklimmen naar het stadium van intuïtie. Deze klim kon alleen worden gemaakt, als Mozes zijn identificatie met zijn volk had verbreed tot die met de gehele mensheid. Maar zover kwam het niet. Toen het leidend geestelijke wezen Mozes meedeelde, dit volk nu op te geven en een ander volk te laten ontstaan uit zijn nakomelingschap, stelde Mozes zich teweer en zei, dat hij samen met dit volk zou willen omkomen. “Wat zullen de Egyptenaren zeggen, als zij ervaren, dat dit volk in de woestenij was omgekomen”?  was zijn verweer. Voor Mozes gold dit volk met haar missie als zijn volk en zijn missie; hij kon zich niet tot het hogere inzicht verheffen dat, vanuit een omvangrijker standpunt bezien, het alleen erom ging dat een bepaald werk werd volbracht ongeacht de mensengroepen die het uitvoeren.

Het tragische gevolg hiervan was dat Mozes “niet aan de Heer kon geloven” (Num. 20:12), d.w.z. dat hij de klim naar een intuïtief kennen van het Ik-ben wezen in de geestelijke wereld niet kon maken, betekende het verbod om het beloofde land te betreden. De weg door de woestijn had voor Mozes zelf de betekenis van een opklimmen tot het tweede, inspiratieve bewustzijnsniveau; het betreden van het beloofde land stond in verband met de derde, intuïtieve bewustzijnsniveau, het Christusbewustzijn. Maar omdat hij echter niet geloofd had, d.w.z. niet kon opklimmen tot een kennisniveau voorbij schouwen of anderszins gewaarworden, mocht hij het beloofde land alleen vanuit de verte zien; betreden mocht hij het niet.

Aldus stierf Mozes in de woestijn, nadat hij gestoten was op de grens van het Christusbewustzijn zonder deze te hebben overschreden. Dit was de tragiek van de tijd van het Oude Verbond dat rechtstreekse geestelijke kennis van de Christus überhaupt niet kon worden bereikt. Wan de kennis van Christus was toentertijd een Maan-kennis – alleen de weerspiegeling van het Christuslicht kon worden waargenomen. Maar deze waarneming werd in het verloop van de Oudtestamentische geschiedenis steeds inniger; dit aan te tonen zal de opgave van de volgende beschouwingen zijn.


* * *



IX

David en Salomo


1. Rechterschap en koningsdom

De opgave van de vorige beschouwing was om de betekenis van de individualiteit van Mozes voor de geestesgeschiedenis van de mensheid te verduidelijken. Daarbij kan worden aangenomen dat de aandachtige lezer twijfelloos heeft kunnen opmerken dat er in die beschouwing, die immers aan een persoonlijkheid was gewijd, eigenlijk nauwelijks sprake was van deze persoonlijkheid. Deze werd louter als een drager van bepaalde wijsheden behandeld; haar eigen leven bleef echter buiten beschouwing. Dat heeft echter een bepaalde reden. Deze rede kan duidelijk worden, wanneer men bv. aan de hand van de Bijbel de levenslopen van de belangrijke persoonlijkheden van het rechtertijdperk Mozes, Joshua en Samuel met de levenslopen van de koningen Saul, David en Salomo vergelijkt.

Hierbij valt namelijk het feit op dat het persoonlijke van de “rechters” bijna helemaal verdwijnt in het onpersoonlijke van hun missie; voor het begrip van de rechters is het nauwelijks nodig om op het persoonlijke element van hun leven in te gaan.  Anders ligt het bij de koningen. Daar treedt het persoonlijke zo sterk op de voorgrond dat het onmogelijk is om hun missie te begrijpen zonder daarop in te gaan. Dat wisten de schrijvers van de Bijbel ook; zij schilderen de levenslopen van een Mozes, Joshua en Samuel louter als achtergrond van de geschiedenis van het volk; de levensloop van de bovengenoemde koningen schilderen zij echter op zo’n manier dat de geschiedenis van het volk de achtergrond van de koningsbiografieën is. Het persoonlijke element treedt voor het eerst in de voorgrond met de invoering van het koningsdom. En dit geschiedt op zo’n radicale wijze  dat in de algemeen epische schildering van de Bijbel lyrische delen ingevlochten worden. Want de Psalmen en het Hooglied van Salomo zijn delen van de Bijbel waarin aan het persoonlijke beleven van individuele mensen een onbeperkt uitdrukking wordt gegeven.

Dit feit leidt ons direct naar de vraag over het wezenlijke onderscheid tussen het rechterschap en koningsdom in de geschiedenis van Israël. Het rechterschap, dat van Mozes tot Samuel duurde, bezat een autoriteit, die vandaag de dag zonder meer als een theocratische wordt genoemd. Met deze benaming  is uiteraard niet veel gezegd; maar zij duidt niettemin naar de richting waarin het begrip van dit soort van autoriteit gezocht kan worden. De autoriteit van het rechterschap berustte namelijk op de verhouding tussen het volk en Jahweh-Elohim, wier vertegenwoordigers de rechters waren. Dwaalde het volk te ver af van Jahweh, dan verzwakte de autoriteit van de rechter; wendde het zich weer tot Jahwe, dan nam ook de autoriteit van de rechters toe. 

Wereldse rechten hadden de rechters eigenlijke niet, zij waren louter spraakkanaal en vertegenwoordiger van Jahweh, wiens lot in het bewustzijn van het volk zij deelden. Zo waren er bv. in het leven van Mozes momenten, dat zijn autoriteit bijna tot het nulpunt was gedaald en alleen door een buitengewone ingreep van de geestelijke leiding kon worden hersteld. De macht van de rechters was dus niet stabiel; dit was een reden waarom ten tijde van Samuel de invoering van het koningsdom werd gewenst.

Dat laatste moest dus, onafhankelijk van de schommelingen in de piëteit van het volk, een onveranderlijk macht zijn. De tweede, diepere reden voor de invoering van het koningsdom was het feit dat er een ontwikkelingsstadium was bereikt, waarbij in de bepaling van het lot van Israël het vertrouwen in de goddelijke krachten alleen  niet meer voldoende was, en dat er een behoefte was ontstaan om bij deze bepaling menselijke krachten te laten meespreken. Het menselijke element moest een grotere rol worden toebedeeld dan voorheen het geval was geweest. Deze menselijke krachten moesten uiteraard de beste te zijn; daarom moest de keuze van de koning eveneens aan de Godheid werd overgelaten. Was die keuze eenmaal gemaakt, dan moest de koning niet alleen de Godheid maar ook het beste willen en kunnen van de mens representeren. De behoefte om niet alleen naar de Godheid, maar ook naar een persoonlijkheid te kunnen opkijken, is een natuurlijk gevolg van het ontwikkelingsstadium dat het volk van Israël ten tijde van Samuel had bereikt. De wet en de gerechtigheid van de rechters konden destijds het volk niet meer bevredigen; men wilde een mens zien door wie het menselijke gelegitimeerd was om mede bepalend met het goddelijke te werken.

Aan deze behoefte van het volk werd tegemoetgekomen. Een persoonlijkheid werd door Samuel tot koning gekozen en deze keuze werd door het volk geaccepteerd. Deze eerste koning van Israël, Saul, was in hoogste mate representatief. Dat hij een hoofd groter was dan alle mannen van Israël heeft niet alleen betekenis voor zijn  fysieke gestalte, maar is ook een verwijzing  naar zijn eigenaardige persoonlijkheid. Sauls persoonlijkheid droeg inderdaad alle mogelijkheden van het geestelijke wezen van het Israëlitische volk in zich. Saul vertegenwoordigde Israël in die zin dat in staat was om zich zowel tot haar grootste hoogte te verheffen als tot haar grootse diepte te zinken. Israëls Engel en demon verenigde hij in zijn wezen. Zo had hij bv. David innig lief, maar haatte hij hem tegelijkertijd en stond hem naar het leven. Evenzo had hij boven alles zijn zoon Jonathan lief, maar wierp zijn speer naar hem toe, toen deze hem had tegengesproken. Aan de God van de vaderen was hij oprecht toegewijd, maar hij keek er niet op neer om zich tot een tovenares te wenden om de gestorven Samuel te bezweren (1 Sam. 28).

Jahweh en Baäl leefden tegelijkertijd in hem – in deze zin was hij representant van een volk dat gedurende eeuwen de schouwplaats voor de strijd tussen deze twee krachten in het bewustzijn en in het bloed was. Maar juist om die reden werd aan de ontwaakte behoefte van het volk, om zijn eigen krachten als lotbepalend werkzaam te zien, in hoogste mate tegemoet gekomen doordat Saul tot  koning werd verkozen. Want doordat Saul koning werd, werd alles wat aan mensenkrachten in de zielen van de Israëlieten leefde, met hem en door hem “koning.” Het totaalmenselijke van het volk, zoals het daadwerkelijk was, kwam met Saul tot heerschappij. En toen Saul op een tragische wijze aan zijn einde kwam, zo geschiedde dat niet omdat het volk met hem ontevreden was, maar omdat de God van Israël met hem ontevreden was. De uitkomst van de eerste proeve van de menselijke vrijheid was negatief; de demon bleek sterker dan de Engel.

Niettemin was het echter noodzakelijk om het koningsdom, d.w.z. de gerechtigheid van de intussen toegenomen krachten van de persoonlijkheid, te behouden. Want terwijl ten tijde van de rechters de verhouding van de Maan tot het geesteslicht van de wereld eigentijds was, nam sindsdien de ontwikkeling van Israëlitische geestesleven een stap voorwaarts. Deze stap bestond erin dat de verhouding van de zuivere weerspiegeling van het geesteslicht niet langer als geheel bevredigend kon worden ondervonden; het geesteslicht diende door eigen menselijke krachten ontvangen te worden; en wel zo dat de geest niet enkel als geest, maar als geest en ziel in het geestesleven van het volk diende binnen te vloeien.

De behoefde aan een doorzielde geest drukte de overgang uit van de Maan naar Mercurius, die het Israëlitische wezen intussen had gemaakt. In het verloop van de Israëlitische geschiedenis  werden twee verdere stappen gemaakt – de overgangen van Mercurius naar Venus ten tijde van de Babylonische gevangenschap en eindelijk de ontmoeting met het directie zonlicht in de tijd dat Jezus Christus op Aarde leefde (zie de 2de voordracht over het Mattheüs-Evangelie van Rudolf Steiner, GA 123). Deze schreden betekenen eigenlijk de stapsgewijze verinnerlijking van beleven van het Christuslicht, dat eerst in de vorm van geboden en verboden van boven werd opgenomen, vervolgens echter stap voor stap steeds dichter tot het menselijke kwam, d.w.z. zich steeds meer verinnerlijkte, totdat het op het laatst uit één mens volledig straalde. Op deze weg van de verinnerlijking van het Christuslicht betekent het Mercuriusstadium het eerste stadium van Zijn verinnerlijking, d.w.z. Zijn verbinding met de persoonlijkheid. En achter de behoefte van het volk om niet langer door een “rechter” maar door een “koning” te worden geleid, staat het feit van de innerlijke ontwikkeling van “Maan” naar “Mercurius”, d.w.z. het nu groeiende verlangen om naar een mens op te zien, die zodanig in naam van God kan spreken, dat het een mens is die van God spreekt, niet echter alleen God die door de mens heen spreekt. De menselijke ervaring en wijsheid hoorde nu met de goddelijke openbaring samen te klinken; het mensenwoord diende het recht verleend te worden om niet louter het goddelijke woord over te dragen, maar ook erin mee te klinken.

Dit was de diepere achtergrond van de instelling van koningen over Israël. Daarom werd ook sinds de instelling van koningen in de Bijbel plaats gemaakt voor het menselijke woord. De Psalmen en de boeken van de Prediker werden in de Bijbel opgenomen, omdat destijds het menselijke woord en de menselijke wijsheid als voldoende heilig werden bevonden om in de Heilige Schrift naast het Woord van God te staan. De bekrompenheid van de latere Schriftgeleerden en het Farizeeërdom was in die tijd nog niet voorhanden, toen het morgenrood verscheen van het toekomstige Godmensdom door het eerste klinken van het woord van de menselijke persoonlijkheid. Destijds verwelkomden de mensen de ontplooiing van de persoonlijkheid en namen ze de documenten die van dit gebeuren getuigden in hun heilige schrift op.

2. David

De levensloop van David is zo uitvoerig in de Bijbel geschilderd dat het niet nodig is om deze schildering te herhalen. Voegt men echter de Psalmen bij de schildering van zijn levensloop, dan krijgt men het volledige beeld van Davids leven, zowel wat betreft zijn verhouding tot de buitenwereld alsook zijn verhouding tot de geestelijke wereld. Want terwijl dit leven een buitengewone menigvuldigheid aan beproevingen, strapatsen, overwinningen en fouten vertoont, vertoont het anderzijds geen geringe menigvuldigheid aan beproevingen en overwinningen, smart en geluk in het innerlijke intieme verkeer met de geestelijke wereld.

Zowel vanuit de Bijbelse biografie als vanuit de Psalmen is het gemakkelijk in te zien dat David twee levens tegelijk had, waarbij elke daarvan veel pijn en geluk met zich meebracht. Het ene leven was datgene wat hij in de wereld van het uiterlijke doen en gebeuren meemaakte; het andere echter was datgene wat door een innerlijke verkeer met de wereld van de geest bij het eerste erbij kwam. Dit tweede leven was het eigenlijk doorslaggevende. De plaats die David inneemt in de geestesgeschiedenis van de mensheid als toonbeeld van  “rechtschapenheid”, heeft hij met name te danken aan de aard van zijn verhouding tot de geestelijke wereld die hem eigen was. Want in deze verhouding bewees zich ondanks vele beproevingen zijn trouw aan de geestelijke wereld, en de inzichten en openbaringen die hij ontving waren derhalve zuiver. Wel waren er periodes dat hij de geestelijke wereld niet kon schouwen; maar als hij haar zag, dan zag hij haar in waarheid: Illusies hadden geen vat op hem in zijn verkeer met de geestelijke wereld. Dit uitsluiten van illusies was juist mogelijk, omdat hij in zijn omgang met de wereld van de geest alles tegenhield wat uit het profane leven aan wensen etc. stamde.

Doordat hij het naar de hemel toegewende deel van zijn ziel zuiver hield, d.w.z. het andere deel niet liet meespelen, was ook zijn verkeer met de geestelijke wereld zuiver. Dit verkeer met de geestelijke wereld bestond met name in de ontmoetingen met een Elohimwezenheid uit de schare van Jahweh-Elohim. Men gelove niet dat het om “dichterlijke” of “mystieke” beeldspraak gaat, wanneer David in de Psalmen vraagt of de Heer Zijn aangezicht moge tonen. Het gaat hier in werkelijkheid niet om dichterlijke versiersels van een imaginair verkeer met een “geloofde” wezenheid, maar om een reëel verkeer met een reële wezenheid die ook van aangezicht tot aangezicht geschiedde. Men neme alleen al de volgende woorden als werkelijkheid en men zal daarbij niets anders kunnen denken dan dat ze betrekking hebben op een door grote inspanningen van alle krachten verzorgd verkeer met een hoge geestelijke wezenheid:

“God, Gij zijt mijn God; U zoek ik vanaf het vroegste morgenrood; mijn ziel dorst naar U; mijn lichaam smacht naar U als in een uitgedroogde woestijn, waarbij er geen water is waarmee ik Uw kracht en de uitstraling van Uw wezen kan aanschouwen, zoals ik U in het heiligdom heb aanschouwd” (Ps. 63).

In deze Psalm gaat het om de hunkerende verwachting van de herontmoeting met de Elohimwezenheid tijdens een tocht door een droog en dor gebied, zowel in uiterlijke als in innerlijke zin. Tijdens Davids leven waren er veel van dergelijke ontmoetingen; ja, er waren momenten dat hij voor iedere handeling om raad van de leidende wezenheid vroeg. Dat is bv. uit de volgende tekst van het eerste boek van Samuel duidelijk in te zien :

“Toen vroeg David aan de Heer: Moet ik gaan en deze Filistijnen verslaan? En de Heer sprak tot David: Ga er heen! Gij zult de Filistijnen verslaan en Kehilia redden. Maar Davids mannen zeiden: Ziet, wij leven hier in Juda al in angst en nu moeten wij ook nog optrekken naar Kehilia tegen het leger van de Filistijnen? Toen vroeg David de Heer opnieuw en de Heer antwoordde hem en sprak: Trek naar Kehilia! Ik wil het lot van de Filistijnen in Uw handen leggen.” (1 Sam. 23:2-4)

“….En David sprak: Heer, God van Israël, Uw knecht heeft vernomen, dat Saul van zins is om naar Kehilia te gaan om de stad vanwege mij te verderven. Zullen de inwoners van Kehilia mij in zijn handen uitleveren? En zal Saul werkelijk komen, zoals uw knecht heeft vernomen? …. En de Heer sprak: Hij zal komen. David sprak: Maar zullen de burgers van de stad Kehilia mij en mijn mannen uitleveren in de handen van Saul? De Heer sprak: Ja. Toen maakten David en zijn 600 mannen zich gereed en zij trokken op naar Kehilia….” (1 Sam. 23: 10-13).

Bij deze teksten valt het feit op dat de geestelijke wereld alleen op Davids vragen antwoord geeft en niet uit zichzelf hem aanwijzingen geeft. David was geen profeet in de zin van een geheel vervuld-zijn van de geestelijke wereld; hij was een persoonlijkheid die de geestelijke wereld om raadslagen moest vragen. Zijn verkeer met de geestelijke wereld was een vrij verkeer; en om die reden beging hij ook daden, waarvoor hij de geestelijke wereld niet had geraadpleegd (zijn huwelijk met de vrouw van Uria; de volkstelling van de kinderen van Israël). De gevolgen van zijn misstappen droeg hij zelf, maar het volbrengen van de raadslagen van de geestelijke wereld resulteerde in zowel de verwerkelijking van zijn objectieve missie alsook het gedijen van zijn persoonlijk lot.

Een vergelijkbaar verkeer met de geest heeft ieder menselijke ziel tijdens de slaaptoestand met zijn Engel, maar omdat dit verkeer ‘s nachts plaatsvindt en blijft het voor ons dagbewustzijn verborgen, terwijl het bij David in waakbewustzijn (ook in het nachtelijk waakbewustzijn, zie Ps. 17:3) plaatsvond. David had overdag dezelfde verhouding met zijn schutswezenheid, zoals dit anders in de slaap normaal is. 

Dit verkeer vereiste echter voortdurende inspanning en innerlijke oefening. De zichtbare sporen van deze inspanningen en oefening zijn de Psalmen die hij het nageslacht heeft achtergelaten. Om het ontstaan, het wezen en de zin van de Psalmen te begrijpen, moet men zich van het volgende bewust zijn:


De volkomen ontwikkeling van Manas (geestzelf) zal door de mensheid pas aan het einde van de Jupiterontwikkeling, die de Aardeontwikkeling zal opvolgen, worden verwerkelijkt. Dan zal Manas met het menselijk Ik een eenheid vormen, zodat de mensen niet louter  Manasopenbaring ontvangen, ook niet louter Manaskennis verkrijgen, maar er Manasdaden zullen worden verricht. De Manaswezenheid van de mens zal dan tot een scheppende kracht van de mens worden, waarmee hij kan werken.

Maar voordat dit stadium is bereikt, heeft de mensheid nog een uit meerdere stappen bestaande wisselwerking met de Manaswezenheid door te maken. Al in de Lemurische tijd had de mens een Manaswerking beleefd, als gevolg waarvan de gewaarwordingsziel ontstond. Aan het einde van de Atlantische tijd was het de Manasleiding die de scharen van de onder leiding van Manu staande mensen volgden. Het was de autoriteit van de Manaswezenheid die destijds de oer-Arische mensen beleefden en zij was het ook die hen uit de ondergang prijsgegeven Atlantis wegleidde.

Ook de Israëlitische volksgemeenschap ervoer onder leiding van Mozes tijdens hun trektochten door de woestijn de werkelijkheid van de Manaswezenheid. Zij beleefde haar echter reeds als innerlijke nachtelijke openbaring, die in het gevoels- en wilsleven overdag als kracht verder werkte, d.w.z. als “sterkende spijs van de hemel.”

Een bewuste Manasopenbaring beleefden daarentegen tijdens de overdag wakkere apostelen door het Pinkstergebeuren. Maar de bewuste Manaskennis zal een deel van de mensheid pas tijdens de zesde cultuurperiode deelachtig worden. Dan zal er een groter aantal mensen zijn, die niet meer alleen openbaringen ontvangen, maar een bewust verkeer met de geestelijke wereld door de Manaswezenheid kunnen onderhouden. Zij zullen overdag bewuste burgers van twee werelden zijn: aan hun wil zal het liggen om de geestelijke wereld voor hun ogen te openen en haar weer te sluiten om hun blik op de aardse wereld te richten. En het zal een vaardigheid van de mens zijn: De mens zelf, geen ander, waarover in de Apocalyps wordt gesproken in de zendbrief naar de Gemeente van Philadelphia. Daar lezen we het volgende:

“En schrijf naar de Engel van de Gemeente van Philadelphia: zo spreekt de Heilige, de waarachtige, die de sleutel van David heeft, die opent en die niemand zal sluiten, en die sluit en die niemand zal openen.” (Op. 3:7)

De “sleutel van David” is de vaardigheid, die bij David voorhanden was, om een vrij verkeer met de geestelijke wereld te onderhouden. Niemand zal kunnen openen of sluiten voor de mens wanneer hij de “sleutel van David” zal bezitten – dan zal de mens beschikken over Manaskennis, niet alleen Manasopenbaringen hebben.

Deze Manaskennis is uiteraard wezenlijk anders dan de kennis die bv. door de verstandsziel of die van de bewustzijnsziel wordt bereikt. Want terwijl door deze zielenkrachten een kennis kan worden bereikt, wier kenmerkende eigenschap de stapsgewijze opstijging is, is de Manaskennis een stapsgewijze afdaling. Zo zal men bv. bij een opstijgende kennis eerst de natuur (mineraal, plant dier), dan de mens en als laatste de bovenmenselijke geestelijke wereld kennen; bij de Manaskennis is het proces echter omgekeerd: men zal eerst de geest, dan het menselijke en als laatste het wezen van het minerale kennen. De weg van de Manaskennis bestaat daarin dat eerst de hoogste zielenkrachten door haar aangegrepen worden om geleidelijk naar beneden te dalen.

Daar worden eerst de wezenheden van de geestelijke wereld gekend, en pas daarna geleidelijk de wereld van verschijnselen, waarin zij zich tot uitdrukking brengen. Bij de door gewone zielenkrachten verkregen kennis stijgt men echter door de kennis van de fenomenen op naar de daarachter verborgen wezenheden; men moet dus  eerst de natuurrijken observeren om daarin uitdrukkingen van bepaalde oervormen te vinden; zijn de oervormen eenmaal gevonden dan kan men daardoor tot een kennis van de Geesten van de Vorm, de Elohim opstijgen. Gaat het om de Manaskennis, dan zal men eerst de Elohimwezenheid kennen en dan pas – soms na langere tijd -  hun openbaringen in de natuurprocessen. Deze kenmethode werd door koning David gehanteerd. Hij had bewust verkeer met de Elohimwezenheid, maar zijn kennis van de natuur was beperkt. Alleen tot de kennisgebieden van het menselijk-historische en het menselijk-morele kon deze kennis neerdalen in zijn zielenkrachten; voor een omvattende kennis van de natuur ontbraken bij hem de daarvoor benodigde krachten van de verstandsziel en de bewustzijnsziel.

Wat Pythagoras enige eeuwen later met de ontluikende krachten van de verstandsziel kon verwerkelijken doordat hij de geheimen van de oervorm (Peras) in diens werkzaamheid door getallen en figuren dichter bij de kennis verkregen door menselijke zielenkrachten bracht, was voor David niet mogelijk en evenmin nodig, want in zijn tijd leefden de vragen naar de concrete uitdrukking van het goddelijke in de verschillende natuurverschijnselen nog niet. Deze vragen konden alleen uit de verstandsziel ontstaan om in een geestgerelateerde wereldbeschouwing het antwoord daarop te vinden, of ook uit de bewustzijnsziel om in een geestgerelateerde wetenschap, de geesteswetenschap een bevredigend antwoord te vinden.

Had dus het directe vernemen van de, de wereldverschijnselen vormende stem van de geestelijke wereld Pythagoras ertoe bewogen om een systeem van getallen en figuren uit te werken dat het uiterlijke wereldgebeuren moest verklaren, zo bracht het vernemen van dezelfde stem ongeveer vijf eeuwen eerder David ertoe om een Psalm te schrijven, waar in aangrijpende woorden de majesteit van de scheppende stem van God tot uitdrukking komt:

“Reik de Heer de erkenning van Zijn Naam;
Bidt de Heer in de opmaak van het heiligdom!
De stem van de Heer gaat over de wateren:
De God van de eer dondert.
De Heer is boven de grote wateren.
De stem van de Heer heeft macht;
De Stem van de Heer is vol heerlijkheid.
De stem van de Heer verbreekt de ceders;
De stem van de Heer verbreekt de ceders in Libanon
En laat hen opspringen als een kalf;
De Libanon en de Sirjon als een jonge eenhoorn.
De stem van de Heer sproeit vurige vlammen.
De stem van de Heer doet de woestijn schudden;
De Heer brengt de woestijn van Kades in beroering….” (Ps. 29: 2-8)

De directe ervaring van de “stem van de Heer” en de wetenschap dat deze stem alles in de uiterlijke wereld tot stand brengt, was voor David voldoende. De behoefte aan een wereldbeschouwelijke uitwerking van deze kennis had hij niet. Anderzijds was zijn gehele streven erop gericht om het levendige verkeer van de Elohimwezenheid altijd in stand te houden. Dit verkeer zelf bevatte in zich alles wat hij nodig had.

“Eens bad ik tot de Heer met de volgende wens: dat ik alle dagen van mij leven in het huis van de Heer mag verblijven om de schoonheid van de Heer te aanschouwen en Zijn tempel te betreden.” (Ps. 27:4)

De Psalmen getuigen echter ook van het leed van David gedurende de perioden dat dit verkeer noodzakelijkerwijze moest worden onderbroken. Het leed van deze onderbrekingen bestond niet alleen daaruit dat ze als tijden van ongenade werden beleefd, maar ook met name uit het volgende:

De Manaskennis is, zoals reeds boven uitgesproken werd, een afdalende. Dit feit brengt belevenissen met zich mee, die sterk afwijken van de gewone kenniservaring. Want bij de Manaskennis is het zo dat de mens eerst innerlijk, in de bovenbewuste lagen van zijn wezen, geheel vervuld is van een kennis en deze pas in haar laatste stadium doorbreekt in het gewone bewustzijn. Dit is de weg die de kennis aflegt in tijde van “vloed.” Maar gaat het om een periode van “eb”, dan is het eerst het gewone bewustzijn dat zij [d.w.z. de kennis] verliest, terwijl de diepere lagen van het menselijke wezen nog geheel door de kennis doordesemd en doorklonken zijn. Uit deze toestand ontstaat echter een lijden, waarvan een begrip – alhoewel slechts gedeeltelijk – kan worden verkregen, indien de volgende woorden niet als dichterlijke overdrijving, maar als schildering van een werkelijke toestand worden opgevat:

“Ik ben uitgegoten zoals water, al mijn beenderen zijn als verbroken; mijn hart is gesmolten als was. Mijn kracht is opgedroogd als een potscherf, mijn tong kleeft aan mijn tandvlees en gij legt mij in de stof van de dood.”(Ps. 22:15,16)

Het smachten dat de mens beleeft wanneer hij de tegenstelling tussen het bovenbewustzijn en het gewone bewustzijn daardoor ervaart dat eerstgenoemde vervuld is van kennis, maar laatstgenoemde zich des te leger voelt, is veel groter dan de toestand van een ziel die geheel onberoerd door de geest leeft. De mens beleeft dan zijn gewoon wezen als een hindernis, dat plaats moet maken voor de geest. En wel is het niet het lichaam dat zo beleefd wordt, maar met name ziel die ook het lichaam doet smachten, omdat zij het lichaam de toevloed van versterkende en verlichtende geesteskracht verspert door haar innerlijke gesteldheid. Niet allen de geest maar ook het lichaam klaagt daarbij de ziel aan, wier schuld het is, dat het versmacht. Door deze situatie wordt echter de ziel schuldbewust – van haar schuld jegens de geest alsook jegens het lichaam.

Doordat de ziel in een situatie verkeert  waarin de geest haar beroert, zo duidelijk beroert dat de ziel zich hiertegen met alle kracht teweer stelt, maar de geest niet binnen treedt in het volbewustzijn van de ziel –  en waar anderzijds zich het lichaam hongerend en dorstend naar de geest zich uit, dan komt de ziel in een positie om haar schuld jegens God en jegens de natuur in te zien. Dan “bekent” de ziel haar “zonden” en ontstaat als gevolg van dit zielenleed een nieuwe kracht die de grootst denkbare betekenis in het lot van de mens en de mensheid heeft: de boetekracht.

Terwijl het de schuld is die de geest van de ziel, zoals die zich in het dagbewustzijn beleeft, afhoudt, is het de boetekracht die de gesloten poorten van de geestelijke wereld weer opent. Geen mens op Aarde is zonder schuld; zou geestelijke kennis uitsluitend de werkelijk heiligen toegekend worden, dan zou er op Aarde geheel geen geestelijke kennis zijn. De poorten van de geestelijke wereld zouden voor alle mensen gesloten blijven.

Nu is er echter toch een sleutel die deze poorten open kan doen. Deze sleutel is de ware innerlijke boetedoening in eigen naam en in naam van de mensheid voor de schuld van het menselijke jegens het natuurlijke en jegens het goddelijke. En zo is de op de juiste wijze begrepen menselijke boetevaardigheid de kracht die in de toekomst, beginnend vanaf de twintigste eeuw tot in de zesde cultuurperiode toe voor een groeiend aantal mensen de poorten zal doen openen die de geestelijke wereld versluiten. Want deze vaardigheid is nu eenmaal de “sleutel van David” die daar opent en niemand zal kunnen sluiten, waarvan in de Openbaring van Johannes in samenhang met de Philadelphische cultuurgemeente sprake is. Dat deze vaardigheid de “sleutel van David” wordt genoemd, heeft als oorzaak dat David diegene persoonlijkheid in de geschiedenis van de christelijke mensheidsstroming was, die voor het eerst als drager en representant van deze vaardigheid optrad.

Men moge bv. Psalm 51 van David (51:5-19) ter hand nemen en hem zin voor zin lezen in het licht van de voorafgaande overwegingen en men zal een levendige indruk krijgen van datgene waar het bij David vooral op aankomt:

“Ik beken mijn misstappen,
En mijn schuld staat voortdurend voor mij.
Tegen U alleen heb ik gezondigd
En U kwaad berokkend.
Gij echter bleef in Uw woord in Uw recht
En Gij bleef rein als Gij richtte.
Zie, ik ben geboren in zonde
En mijn moeder heeft mij in zonde ontvangen.
Zie, Gij hebt de waarheid lief die in mijn hart ligt,
Gij doet mij de geheime wijsheid erkennen” (5-8)
“Schep in mij, o God, een rein hart
En vernieuw de geest van recht in mij.
Wijs mij niet af voor uw aangezicht
En neem Uw heilige geest niet van mij! (12-13)
“Redt mij van de schuld van het bloed…” (16)
“Want Gij wenst geen offerande – ik wil het u zelf schenken –
En aan brandoffers hebt Gij geen welgevallen.
Het offer aan God is een vermorzelde geest;
Een vermorzeld en deemoedig hart
Zult Gij, o God, niet verachten.” (18-19)

Het wezenlijke waar het bij David op aankomt is juist het offer van het “vermorzelde en deemoedige hart”, dat niet wordt veracht. De boetevaardigheid, die hij bezat, was de “sleutel” die de poort tot geestelijke wereld open deed. Bij David ging het om een verinnerlijking van de “wet” die zijn tijd ver vooruit was. Zoals Mercurius (d.w.z. de Venus in astronomie) als Morgenster de komst van de zon vooraankondigt, zo was David, de door zijn boetedoening wetende, vooraankondiger van de Christuszon.

De Mercuriuswijsheid van David is echter een Manaskennis. Deze Manaskennis werd niet alleen hem deelachtig; Zijn zoon Salomo, wiens naam zelf Manaswijsheid betekent, bezat deze eveneens. Toch was er een belangrijk onderscheid tussen de wijsheid van de vader en de wijsheid van de zoon. Want David beleefde het Manaslicht zodanig, dat het hem zijn eigen onvolkomenheid en schuld openbaarde, terwijl Salomo de onvolkomenheid in de wereld ontwaarde. Terwijl de ene het leven en de wereld nooit versaagde, daar hij de onvolkomenheid in zichzelf zag, zag de andere de onvolkomenheid in de wereld en keek dientengevolge aan het einde van zijn leven terug op de wereld met de verveelde blik van een wijze die door het tot eigenlicht geworden licht van Manas zich voor al het lichtende uit de wereld verblind had. 

Aan de hand van de gestalte van Salomo kan het gevaar van de Manaskennis begrepen worden, hetgeen echter geen rede dient te zijn om deze gestalte anders dan met diepe menselijke sympathie te beschouwen. Een andere zienswijze is met betrekking tot mensen en het lot van de mens überhaupt niet mogelijk, want antipathie of kille onverschilligheid maken de ziel van de beschouwer voor het wezen van de mensen en hun lot blind.


3. Salomo

Straalt het Manaslicht in het astraallichaam, dan vindt een Manasopenbaring plaats. Gebeurt dit ten gevolg van initiatief en inspanning van het menselijke Ik, dan gaat het om Manaskennis. Verzamelt echter het Ik de stralen van het Manaslicht als het ware in een brandpunt in zichzelf en straalt het dan als eigenlicht uit, dan wordt de Manaswijsheid de eigenwijsheid van de betrokkene mens.

Dit laatste was bij Salomo het geval. Hij is de enige gestalte van een menselijke wijze in de Bijbel; in andere gevallen gaat het om een van geest vervulde profeet dan wel om een “man Gods,” d.w.z. om mensen die rechtstreeks met geestelijke wezens van aangezicht tot aangezicht verkeren. Deze konden geen “wijzen” genoemd worden, want hun bijzondere kracht was de vaardigheid om met de geestelijke wereld bewust te verkeren; wat zij echter uit dit verkeer schiepen, was niet hun wijsheid maar “wijsheid van God”. Zo werd David bv. wel de “Lamp van Israël” genoemd; maar niet de “Wijze van Israël.” Hij had het licht van de Manaswijsheid niet tot zijn eigenlicht gemaakt; hij liet het algemene licht van de geestelijke wereld door zich heen lichten en bracht daardoor het eigendunk tot zwijgen. De aanduiding van een  “wijze” was derhalve terecht alleen van toepassing op Salomo die het Manaslicht voor zichzelf in bezit nam en op die manier een wijze werd. Het overgewicht van het eigen zelf in de kennis van Salomo verscheen uiteraard geleidelijk.

In het begin was zijn wijsheid zelfloos, maar pas in de loop van tijd, met name in zijn tweede levenshelft werd zij egocentrisch. Want de Salomo die in zijn nachtelijke droomgezicht te Gibeon tot God om een aan de geest toegewijd hart gebeden had (1 Kon. 3: 5-14) en de Salomo die als Prediker zegt: “En ik leerde het leven te haten; het vervulde mij niet met welgevallen te zien wat er allemaal onder de zon geschiedt; alles is ijdel en getuigt van een smachten van de geest.” zijn uitermate verschillend. (Pred. 2:17)[*] 

Er ligt een stuk levensweg tussen de droomziener Salomo te Gibeon  en de prediker Salomo. En deze weg leidde deze ziel die aanvankelijk vol overgave was naar een liefdeloze wereldkennis van een zich afzijdig houdende beschouwer. Hierin ligt de tragiek van Salomo dat hij, in plaats van een rechter over de menselijke natuur verkondiger van een door boetedoening te verkrijgen wijsheid te worden, een rechter over het leven werd en voor de wereld een verkondiger van haar ijdelheid en nietigheid.

Dit versagen van Salomo mag echter niet op de gewoonlijke bekrompen manier worden opgevat doordat simpelweg gezegd wordt:  Hij was niet “rein” of “hoogstaand” genoeg om tegen zijn taak opgewassen te zijn. Met zulke zinnen mensen af te wijzen is al te gemakkelijk; iets dat uiteraard ook vaak wordt gedaan. Maar waarop het in werkelijkheid op aankomt is het oogmerk op een grote ziel te richten met de vraag: Wat was het doel van deze grote ziel en wat is de diepere oorzaak van het tragische mislukken van dit doel?

De wijze waarop Rudolf Steiner over mensen sprak is en blijft een voorbeeld.  Men neme bv. de manier waarop hij sprak over Ernst Haeckel of Friedrich Nietzsche en men zal begrijpen waarop het aankomt, wanneer men leven en werk van een medemens wil beschouwen. Achtende liefde is het wat onze blik verscherpt. En wanneer men zich de moeite getroost om op deze manier op de ziel van Salomo in te gaan, dan volgt daaruit de onthutsende geschiedenis van een grote ziel op Aarde.

Salomo’s ziel was van natuur Prometheïsch, d.w.z. een zodanige die een verre toekomst vooruitleeft. Maar deze ziel leefde de toekomst zodanig vooruit, dat zij daarbij niet alleen iets toekomstigs, dat eens vanuit de geestelijke wereld in het gebeuren op aarde dient af te dalen, in de geestelijke wereld beleefde, maar zij bracht dit toekomstige in het aardse naar beneden, om het daar voortijdig tot ontplooiing te brengen. Zij bracht het “hemelse vuur” naar beneden en moest daarbij hetzelfde leed ondergaan als dat van Prometheus; men herkent het knagen van de gier aan de lever van Prometheus, wanneer men het boek van de Prediker Salomo leest. De onbeschrijflijke afkeer van de wereld en het smartelijke onvermogen hier iets aan te veranderen die de teneur van dit boek vormen, zijn niets anders dan de goddelijke  straf voor het naar beneden brengen van het hemelvuur op Aarde.

Een woord, een oeroud woord dat op het beslissende moment van het lot der mensheid klonk, weerklonk in Salomo’s ziel als haar grondimpuls: “Gij zult zijn als de goden, kennende goed en kwaad.” En Salomo volgde dit woord en vroeg zich daarbij niet meer af, wat de hemel over de aarde zegt; maar beklom iedere hoogte en daalde af in iedere aardse en menselijke diepte om zelf alles te beproeven wat onder de zon geschiedt.

Alle wegen van wijsheid en dwaasheid zelf te begaan, alle genietingen zelf uit te proberen, alles wat in het leven zoet of bitter is zelf te proeven – dat was de wil van de titaan Salomo. En hij bouwde de tempel op aanwijzingen die zijn vader had verstrekt en overtrof deze in schoonheid en pracht. Maar naast deze tempel liet hij zich een paleis bouwen dat niet minder fraai was als het huis Gods en liet daar een troon uit elfenbeen en goud oprichten die geen enkele heerser onder de zon bezat. Hij verzamelde een enorme rijkdom en omgaf zich met alle mogelijke schoonheid, zowel door mensenwerk als door God gemaakt. Niet hang naar excessen en liederlijkheid waren het waarom hij zich omgaf met de mooiste vrouwen uit Palestina, Phoenicië, Syrië en Egypte, maar zijn schier tomeloze kenniszucht.

Nog vóór de dageraad verliet Salomo het koninklijk paleis en zwierf als een eenvoudige krijger van de Koninklijke garde door de nauwe stegen van de stad en door de velden en wijngaarden in de omgeving. Daar leerde hij de zelfkant van het leven kennen: het leven van de minderbedeelden, de weduwen en de wezen. Daar leerde hij ook Sulamith kennen, die datgene in zijn ziel opwekte wat de dochter van de Farao en de koningin van Saba niet vermochten: het Hooglied getuigt daarvan.

Maar zijn kennisdrang bleef niet beperkt tot zijn naaste omgeving, want “hij was wijzer dan alle andere mensen .. hij was beroemd onder alle volkeren. Hij maakte drieduizend spreuken en duizend vijf liederen. Hij sprak over bomen, over de cederen in Libanon tot aan de hysop, die uit de wand groeit. Hij sprak over dieren, vogels, wormen en vissen. En vanuit alle volkeren kwamen de mensen om de wijsheid te horen van Salomo, van alle koningen op aarde, die zijn wijsheid hadden gehoord.” (I Kon. 4; 32-34)

Aldus bewandelde zijn ziel alle mogelijke wegen om te ontdekken wat onder de zon van waarde is. Maar zij ging daarbij niet uit van de vraag wat de waarde voor de hemel is van al het gebeuren op aarde, maar van de vraag naar de waarde van het op de aarde beleefbare binnen het aardegebeuren zelf. Zijn ziel zei tot zichzelf: Dat God in de hemel goddelijk is, daar hoeft de mens niet voor te zorgen; dat de mens op Aarde goddelijke geluk moge vinden, daar komt het op neer. God heb ik twee maal van aangezicht tot aangezicht geschouwd; ook mijn vader heeft Hem geschouwd. Niettemin bevroor de ziel van mijn vader nadat hij zijn werk had volbracht, terwijl hij gelukkig had moeten zijn. Wat in de hemel is, is des hemels; wat de mens op aarde kan vinden, dat wil ik zoeken. Vanwege de aarde komt toch de mens op de aarde. Wat is het waardevolle op aarde, ter wille de mens wordt geboren en leeft? Waarom loont het om op aarde te worden geboren?

Salomo verloochende de geest waarlijk niet; ook was hij geen egoïst, die persoonlijk geluk najaagde. Voor zijn ziel stond het tragische beeld van zijn vader als grijsaard, die als een door God gezalfde zijn werk had volbracht, omgeven door een kring mensen, die hem tot de dood trouw waren, heersend over de harten van een groot geworden volk, maar die niettemin in zijn laatste dagen in eenzaamheid leed aan de kou van zijn leven. En zijn vrienden zochten bezorgd naar alle mogelijke middelen die er toen waren om de koning in de laatste dagen van zijn leven enige zielewarmte te geven – maar alle middelen faalden en niets kon gevonden worden om zijn vriezende ziel te verwarmen. Dit beeld stond voor Salomo’s ziel als een grote levensvraag: wat is het aardse lot van de mens? Kan de mens überhaupt iets vinden om gelukkig te zijn?

Aldus ontstond die vraag van Salomo in zijn innerlijke biografisch in dat aardeleven. Bij David was de beschreven zielstoestand echter werkelijk niet veroorzaakt doordat hij aan de waarde van het leven versaagde, maar integendeel omdat hij vanaf zijn jeugd gedurende zijn gehele verdere leven had moeten missen wat voor hem de hoogste waarde had: zijn vriend jonathan, de zoon van Saul, en wiens verlies door niets in het leven vervangbaar was. De woorden van zijn klaagzang: “Ik beween u, mijn broeder Jonathan, gij was mijn vriend en hoogste geluk; Uw liefde is mij van hogere waarde dan vrouwenliefde…” bleef Davids hele leven doorklinken en die waren het die aan het eind van zijn levensloop hem alle levenswarmte benamen.

Het was deze toestand, het verlangen naar een liefde die ooit gevonden was; maar geen toestand van vertwijfeling waarbij men zich afvraagt of er überhaupt op aarde iets van waarde kan worden gevonden. Het missen van wat gevonden en onvervangbaar was is geheel anders dan de stemming waaruit de woorden zijn ontstaan: “Ijdelheid der ijdelheden – alles is ijdel.” Want het resultaat van het geweldige experiment dat Salomo in zijn leven is aangegaan bestond erin dat hij tot de overtuiging kwam: Alle waarden van het aardeleven zijn ijdel. Maar niet minder is de afkeer van het aardse leven ter wille van de hemel, want “wie op de wind let, die zaait niet en wie op de wolken let die oogst niet.” (Pred. 11:4)

Wat blijft er dan voor de mens over als de aarde noch de hemel aan het aardse leven een nastrevenswaardig doel bieden? Het antwoord dat Salomo daarop geeft is dat men zich geen doeleinden dient te stellen: “Daarom, wees blij, jongeling met Uw jeugd en laat Uw hart vreugde genieten. Volg de stem van uw hart en let op wat in Uw ogen welgevallig is; maar weet dat God u voor alles zal richten.” (Pred. 11: 9-10) Met andere woorden: laat de natuur in u zijn gang gaan en zich op een natuurlijke wijze uitleven, maar wel binnen de door God aangegeven grenzen vanwege het gerecht. “Voordat het zilveren snoer afbreekt en de gouden voorhoofdsband wordt verscheurd en de kruik bij de bron stuk gaat en het rad bij de put uiteenvalt. Het stof zal terugkeren naar de aarde waar het vandaan kwam en de geest keert terug naar God, die hem heeft ingeademd.” (Pred. 12: 6,7)

En zo kwam het dat Salomo na vele jaren ernaar te hebben gestreefd om een boek voor het nageslacht achter te laten dat het leven rechtvaardigt, een boek voor zelfmoordenaars achterliet. Want de “Prediker” is een boek waarin alle zelfmoordenaars van de wereld een rechtvaardiging voor zelfmoord kunnen aantreffen. Immers, alles is ijdel en als het enige wat de mens overblijft de bevrediging van de alledaagse behoeften is - wie kan daarmee leven? Moet dan de vrees voor het gerecht dan het ultieme motief zijn om het aardse leven te verdragen?

De weg van Salomo is de weg van de Luciferische Manaskennis. De beproeving die de Manaskennis eigen is, is de innerlijke definitieve strijd met Lucifer. Want er staan de mens twee wegen open: de weg van boete en deemoed of die van het richten over de wereld en het leven met uitsluiting van zichzelf. Het schuldbewustzijn van de mens voor de natuur en voor de geestelijke wereld is de bodem waarop de waarachtige Manaskennis kan gedijen; het zichzelf op de rechterstoel plaatsen ten overstaan van de wereld, is het vervallen aan de verzoeking van Lucifer.

De keuze tussen deze twee wegen zal de grootste beproeving van de zesde cultuurperiode zijn; dan zal de mensheid in hoge mate aan de verzoeking zijn uitgeleverd om teleurstelling op het gebied van mensenstreven, menselijk kunnen en mensenkennis te ondervinden. Toch moet de mensheid dit doormaken. Want alleen diegene mens bij wie alle levenlichten zijn geblust zal een nieuwe en waarachtige levenskracht vinden: te leven vanuit liefde.

Maar voordat het zover is, moet hij door de woestijn trekken, want alleen in de “woestijn” is het neerdalen van het “hemelse Manna” mogelijk. Men zal – en bij meerdere mensen reeds veel eerder –  huidige waarden zoals “wetenschappelijke vooruitgang,” “voorspoed,” “gemeenschap” als kinderspeelgoed terzijde leggen en als een volkomen bedelaar deemoedig voor de geestelijke wereld staan, of als een levens- en wereldverachter de wereld de rug toekeren.

Geschiedt het eerste, dan zullen de poorten van de geestelijke wereld opengaan en zal een kracht het leven binnenvloeien die alle waarden weer een nieuwe waarde zal verlenen. Dan zal de mens alle dingen van de wereld nieuwe namen geven, zoals hij ze ooit, in het paradijs voor de zondeval, heeft genoemd. De “herwaardering van alle waarden” is het gevolg van de Manaskennis, maar die kan echter positief of negatief uitvallen.

In de negentiende eeuw vond voor de ogen van de wereld de tragedie van een dergelijke metamorfose van de Manskennis op een negatieve  wijze plaats: de herwaardering van alle waarden door Friedrich Nietzsche was een herhaling van die van Salomo. Terwijl het Nietzsche’s grootse taak was om de tegenwoordige cultuur tot een bezinning op haar schuld en tot een grote boetedoening te leiden, bracht hij in plaats daarvan het ideaal van de Übermensch naar voren die niet  Zarathoestra is, maar veeleer de vanaf nu zich van de banden van de “vrees voor het gerecht" ontdane Salomo. Men stelle zich Salomo voor, bevrijd van de angst voor het gerecht, gerijpt in het tijdperk van Darwin en Haeckel, en men zal hem herkennen in de gestalte van Nietzsche’s “Zarathoestra”.

Ja, men vindt alle motieven van de Prediker terug in “Aldus sprak Zarathoestra.” Is dan de “Vrolijke wetenschap,” bevrijd van de “geest van zwaarte”, niet slechts een uitwerking en progressie  van het laatste advies van Salomo: “Wees dan vrolijk in Uw jeugd, laat Uw jeugdige hart opgaan in vreugde…” Is niet Nietzsche’s  idee van de “eeuwige wederkeer van het gelijke” niet slechts een nieuwe vorm van Salomo’s leer in een optimistisch  jasje: “Wat gebeurde er vroeger? Hetzelfde wat nog zal gebeuren. Wat heeft men vroeger gedaan? Hetzelfde zal men opnieuw doen. Er gebeurt niets nieuws onder de zon.” (Pred. 1:9)  Ja, de opstanding van de Prediker in Nietzsche’s “Zarathoestra” gaat zelfs zover, dat ook de volgende woorden van Salomo: “ En ik heb gevonden, dat bitterder nog dan de dood is; de vrouw, want zij is een vangnet, waarin gij uw hart verstrikt en haar handen zijn uw boeien … onder duizend heb ik slechts één man gevonden, maar een vrouw heb ik onder alle vrouwen niet gevonden.” (Pred. 7:26 - 28) bij Nietzsche terug te vinden zijn.

Op deze manier kan door Salomo Nietzsche diepgaand worden begrijpen, door Salomo en Nietzsch kan echter de tragiek van de Luciferische Manakennis, die uiteindelijk aan Ahriman ten prooi valt, begrepen worden. Want terwijl Prometheus het hemelvuur bracht, Salomo met dit vuur alle waarden van het mensdom verbrandde, veranderde dit vuur uiteindelijk in Nietzsche in datgene vuur dat in het binnenste van de aarde vlamt: in het vuur van de haat.

Toen Nietzsche de “Antichrist” schreef, was het vuur van dit geschrift niet meer door de geweeklaag van Prometheus om de mensheid bezield, ook niet meer door het vuur van de ontgoocheling van Salomo, maar door het vuur van de haat tegen Christusgeest. Zo verwerd de teleurstelling van Salomo tot de haat die Nietzsche’s hand leidde bij het schrijven van zijn “Antichrist.”

Dit is een onthutsend voorbeeld van de degeneratieweg van het Luciferische, van gejammer om de mensheid tot het ten prooi vallen aan de Ahrimanische macht, zoals het in de vijfde beschouwing gekarakteriseerd werd. Wat daar als algemene waarheid uitgesproken werd, kan hier aan de hand van levendige gestalten begrepen en ervaren worden.

De tijd van de eerste koningen was de periode van de “Mercuriusopenbaring,” d.w.z. de periode waarin de Manaswezenheid haar invloed moet gaan uitoefenen. De tijd van de Babylonische gevangenschap leidt ons een stap voorwaarts, d.w.z. een stap verder naar de grote directe Zonne-openbaring die door Jezus Christus geschiedde.

De volgende beschouwing zal daarom gewijd zijn aan de geestelijke kenmerken van de “Venusperiode”, de tijd van de Babylonische gevangenschap.

* * * 





[*] “Luther vertaalt deze zin met:  “want alles is ijdel en najagen van wind.” De schrijver ziet zich genoodzaakt om naast deze Lutherse Bijbel de in Rusland geautoriseerde Bijbelvertaling te hanteren en in de meeste gevallen deze versie de prefereren. Dit geldt voor alle Bijbelcitaten in deze beschouwingen.”





X.



De Babylonische gevangenschap 
en de wijsheid van Zarathoestra


Zowel in de III. beschouwing over Abraham, Isaak en Jakob alsook in de VII. over Mozes was van de betekenis van het “beloofde land” sprake en wel in het eerste geval in de zin dat Palestina tot een “gewijd oord” werd gemaakt, in het tweede geval daarentegen dat het betreden van dit land voor Mozes de derde stap te betekenen had, hetwelk hem echter verboden werd om te bereiken.

Bij de Babylonische gevangenschap gaat het er nu om een nieuwe kant van de betekenis van het “beloofde land” te leren kennen. Want hier handelt het zich niet meer om de voorbereiding van dit gebeid voor wijdingsdoelen, noch om een intocht in dit gebied, maar in de eerste instantie om het verlaten van dit gebied. Dit verlaten was een gedwongene in het lot van het Israëlitische volk, zoals dood en ziekte in het lot van een individueel mens gedwongen zijn. Dit echter als louter “straf” op te vatten, zou niet alleen eenzijdig, maar ook kortzichtig zijn. Een dergelijke opvatting zou niets opleveren voor het begrip van het verdere lot van het Israëlitische volk.

Veel kan daarentegen resulteren uit de opvatting, die door het doorwerken van de aanduidingen verkregen kunnen worden die Rudolf Steiner in de voordrachtscyclus over het “Mattheüs-Evangelie” geeft. Daar zegt Rudolf Steiner dat de Babylonische gevangenschap tot taak had om de “Venussfeer” in het lot van Israël te vormen, doordat Israël in Babylon in directe aanraking met de door Zarates werkende Zarathoestra kwam. Deze aanduiding kan alleen al de richting aangeven waarin de zin van het verlaten van het “beloofde land” moet worden gezocht.

Voordat echter op de vraag naar de zin van het verlaten van het “beloofde land” bij de Babylonische gevangenschap direct kan worden ingegaan, moet onder een bepaalde  gezichtspunt de vraag naar de betekenis van het bewonen van Palestina door het Israëlitische volk aan het licht worden gebracht.

Het komt er dus in de eerste instantie op neer om de wezenlijke verhouding van het volk van Israël tot het Palestijnse gebied te begrijpen. Daarbij kan het hier niet gaan om door algemene cultuurhistorische overwegingen (die op zich doorgaans juist zijn), zoals bv. door de opmerkelijk gunstige evenwichtspositie van Palestina tussen de drie grote cultuurkringen van de mediterrane cultuur, die van Phoenicië, Egypte en Mesopatomië, de verbintenis van de Israëlitische volksgemeenschap en haar missie te verklaren. Want men kan immers bv. ook het fenomeen van  het lachen door spierbewegingen van de mondhoek helemaal goed verklaren, maar deze verklaring is voor degene onbevredigend die zelf gelachen heeft, omdat hij nu eenmaal vrolijkheid heeft beleeft. Evenzo kan ook in de kwestie naar de band tussen Palestina en het volk Israël niet op zo’n manier verder gegaan worden dat men het door feiten verklaart die op hetzelfde vlak liggen dan het te verklaren verschijnsel. Want als men dit zou doen, dan zou men alleen een omvangrijkere beschrijving van het proces geven, maar niet een verklaring daarvan. Daarom moet hier veel buiten beschouwing gelaten worden wat over deze vraag aan zakelijke en juiste aspecten vanuit het uiterlijke geschiedenisonderzoek te zeggen zou zijn ten einde de ongedeelde aandacht aan de geestelijk-karmische kant van het vraagstuk te wijden.

Als men dit doet, dan verdeelt zich het vraagstuk in de drieheid van de wederzijdse verhouding ten eerste tot de naar de geboorte neerdalende Christuswezenheid, ten tweede tot het volk van Israël en ten derde tot het Palestijnse gebied.  Het is ja bij deze eenvoudige samenstelling duidelijk dat de bestemming zowel van het volk alsook van zijn gebied niet in zichzelf, maar in Christus te zoeken is. Want wanneer het hele wereldhistorische werk van de Oudtestamentische geschiedenis van het volk van Israël de geboorte van Christus voor te bereiden had, dan moet ook het gebied waarop dit werk werd voltooid met het oog op deze taak beschouwd worden. Hier stelt zich de beduidende vraag: Waartoe had de Christuswezenheid het Palestijnse gebied nodig?

Deze vraag wordt nog zwaarwegender wanneer men bedenkt dat het Israëlitisch volk eeuwen lang buiten het “beloofde land” kon leven en gedijen (in Egypte, in Mesopotamië), dat echter de drie jaar van de aanwezigheid van Christus op Aarde alleen binnen Palestina verliep. Het volk was derhalve niet zo sterk op dit gebied aangewezen als Christus Jezus.

Dit feit wijst direct op het geheim van de band die tussen de missie van Christus en het Palestijnse gebied  bestond. En het is een van de meest onthutsende kennissen van de verbanden die bij het lot van de daden horen die Jezus Christus volbracht: de kennis van de samenhang tussen Christus Jezus en dat gebied van de Aarde. Want hij had dit aardgebied niet nodig omwille van het leven, maar omwille des doods.  Voor het leven op Aarde had Hij de generaties van het volk nodig, d.w.z. de geslachten van de Nathanische en de Salomonische lijn; voor de dood op Aarde had Hij echter het aardgebied nodig waarop het mysterie van Golgotha werd volbracht. Palestina was de door vele eeuwen heen voorbereide begraafplaats van Christus, zoals de geslachten van het Jahwe-volk de voorbereiding van Zijn geboorteplaats betekenden.

Om dit te begrijpen is het noodzakelijk om zich van het feit bewust te worden dat de mens bij zijn geboorte het etherlichaam de hemel ontneemt, het fysieke lichaam de erfelijkheidsstroom en het minerale lichaam de fysieke omgeving. Het eerste betekent het leven voor hem,  het tweede zijn aandeel aan het mensheidskarma (“zondeval”) en het derde zijn dood. Want de minerale buitenwereld kan voor de mensen slechts de dood beteken; de enige realiteit van de wereld van mineralen is de dood (zie desbetreffende uiteenzettingen van Rudolf Steiner in de voordrachtcyclus “Uit de schoot der Goden – De binnenkant van de evolutie”, 1911, GA132).

De hemel geeft dus de mens als bruidsschat voor zijn levensloop de levensvaardigheid, de voorouders geven hem het kruis om te dragen; de uiterlijke minerale wereld echter geeft hem de noodzakelijkheid mee om te sterven. Dat laatste heeft ook de Christuswezenheid van de buitenwereld ontvangen. En alleen het aardgebied van Palestina was geëigend om voor Hem de soort dood mogelijk te maken die in zijn missie besloten lag.

Palestina werd door vele eeuwen heen voor dit doel tot een “gewijd oord” gemaakt. Dit gebied werd sedert lange tijd voorbereid om enerzijds het stromen van “melk en honing”, van de openbaringstroom uit de geestelijke wereld tot de openbaring van het “brood van de hemel” van Christus op te voeren, maar anderzijds om de bodem voor het sterven van Christus voor te bereiden. Waarin bestond nu deze voorbereiding?

De minerale laag van het aardoppervlak is de eerste van de negen sferen van het binnenste van de Aarde en vormt het bolwerk van het binnenste van de Aarde tegen de hemel. Deze laag is op zich nog niet het kwaad, maar is als het ware de morel nulsfeer die slechts door de traagheid van de versteviging de hemel een hindernis biedt. De muur van het minerale is echter nicht ondoordringbaar, want zowel het kwaad van het binnenste van de Aarde heeft de mogelijkheid om boven de minerale laag te verschijnen, zoals ook het goede van de hemel de mogelijkheid heeft om onder deze laag actief te zijn. Om laatstgenoemde mogelijk te maken wordt van bovenaf veel gedaan.  Zo werkt in deze zin de elementale wereld door de arbeid van de gnomenscharen die de grond permanent losmaken; in die zin werkt ook de hele mensheid door de lijken die de mensen na de dood afleggen en die de verstevigingstendens van deze laag tegenwerken.

De sterkste werking kan echter in deze zin door menselijke individualiteiten worden bereikt. Dit geschiedt wanneer individuele mensen de “Ik-methode” van de occulte oefening toepassen. Dan ontstaat er een lichtstroom uit het Ik-punt tussen de wenkbrauwen naar beneden, die de minerale laag doordringen en verder in de onderaardse sferen indringen kan. Door het neerwaarts sturen van een zodanige lichtstroom kwamen bv. de schilderingen van de sferen van het binnenste van de Aarde tot stand, die Rudolf Steiner in zijn cyclus “Vor dem Tore der Theosophie” heeft gegeven (Stuttgart, 4 september 1906, GA 95).

Een analoge methode bestond er ook in oude tijden. Het was de Jahweh-methode, die sinds Abraham in het Israëlitische geestesleven werd beoefend.[1] Ook daar kwam het er op neer een bewustzijnsstroom naar beneden – in het ledematen-stofwisselingsysteem en verder – te  veroorzaken.

In de mysteriënscholen van de toenmalige tijd was het streven een andere. Daar streefde men naar boven, om de van het lichaam bevrijde ziel de geestelijke wereld te laten beleven. Men had in de mysteriën namelijk de opgave om de poort in de hemel open te houden.

In de Jahwehschool “behoedde” men daarentegen “de poort tot de hel”, waarvan Christus tegen Peter sprak. Daar deden de mensen in het aardse Zijn hetzelfde wat Jahweh in de kosmos doet. Want Jahwe “behoedt” in de kosmos vanuit de Maan de poort in de “achtste sfeer”, doordat hij het zonlicht in de nachtduisternis doorleidt.  Op die manier “behoedden” de Jahweh-ingewijden de “poort” in de onderaardse sferen, die door hun arbeid open gehouden werd.

Dit “openhouden” dient men zich recht concreet voor te stellen. Het is als het ware als een “omgekeerde Vulcanus” van de hemel tegenover de Aarde. Want zoals we bij een Vulkaan een doorgangsluik van het onderaardse naar boven hebben, zo werd in Palestina – door de arbeid van de Jahwehstroming – een doorgangsluik van het hogere naar beneden geschapen.

Deze arbeid wijst ons op een feit dat het tijdens de Oudtestamentische voorbereidingstijd noodzakelijk was om niet alleen in de zin van het eugenetisch occultisme, maar ook van het mechanisch occultisme te werken, d.w.z. er werkten Geest en de Vader samen, om zowel de geboorte alsook de dood van de Zoon mogelijk te maken.

En als nu tijdens het mysterie van Golgotha een aardbeving plaatsvond, dan was de oorsprong van deze aardbeving in de hemel, niet in de Aarde te zoeken. Eigenlijk was het een “hemelbeving”, die echter de Aarde deed schudden en spleten – van oorsprong geheel verschillend van de aardbevingen die voorheen plaatsvonden. Het was destijds de zichtbare uitdrukking van het allang voorbereid bovenzinlijke feit van een spleet in het binnenste van de Aarde dat nu ook tot een uiterlijk gebeuren werd. Door deze spleet ontving de Aarde het sacrament van het Avondmaal en werd daardoor voor alle eeuwigheid met Christus verbonden.

In deze zin was Palestina het “heilige land” (en is het niet meer, omdat het zijn opgave heeft vervuld) dat het de begraafplaats van Christus diende te zijn. Het was het doodslichaam van Christus, d.w.z. zijn minerale lichaam dat Hem dit land gaf. Nu heeft echter dit feit ook een betekenis voor het volk van Israël. Want voor het volk had dit land een tegenovergestelde betekenis: voor het volk was dit het land waar “melk en honing” stromen.  Dezelfde krachten die de weerstand van het onderaardse vernietigden, beleefden de mensen als een stromend zegen van “melk”, als een astrale zegenstroom, en van “honing” als de etherische zegenstroom, in afwachting van de derde stroom, die van het “brood van het leven”, wiens zegenstroom tot aan het fysieke lichaam zich diende te strekken.

Dit beleven van het mysterieuze vloeien van stromingen, die met “melk” en “honing” gekenmerkt werden, die als een toverlucht over het land zweefden en vooral tijdens zonsondergang door de stil geworden zielen als zweem van kosmische kinderlijkheid en onschuld werd ervaren en waarvan de herinnering voortleefde in de natuurlijkheid van de liefde van man en vrouw en in de vreugde om het kind, die zo kenmerkend was voor de oude Israëlieten – deze toverlucht lag stil over het land van de verwachting van de op komst zijnde. Het was geen illusie; het was ook niet de openbaring van Jahweh-Elohim die in een bliksemzwangere wolk tot Mozes sprak. Neen, het was de tegenwoordigheid van de etherisch-astrale krachten die Christus later in het astraal- en etherlichaam droeg, diegene krachten die de onschuldige ziel van de Nathanische Jezus eigen waren. De onschuldige zusterziel van Adam was het die vanuit de hemel door haar krachten van zuivere kinderlijkheid zich steeds meer verbond met het land dat haar het doodslichaam van de minerale stoffen diende te geven. Eer de Nathanische Jezus lichamelijk geboren werd, zweefde hij reeds lange tijden over zijn geboorteland, zich daarmee verbindend – en wel op onschuldige wijze doordat hij milde liefde naar beneden liet stromen en aldus het zachte weefsel spon dat hem aan dit land bond. Deze stromen ervoeren de mensen en noemden het “melk” en “honing”.

En de eeuwige zuster van de zich offerende – van de Aartsengel, die de kinderlijke ziel aan haar borst droeg, Isis-Sophia, de moeder in de hemel – zij zegende alle geboorte en alle vruchtbaarheid van het land en blies de etherische ziel van het land verering jegens de moeder in, en zij sprak tot diep in de harten van de vrouwen van Israël, de moeders van de Komende, ze vervullend met het zwijgende weten: heilig is alle vreugde, heilig is alle pijn van de moeder. En terwijl de profeten in woorden spraken, waarin de vlammen van Jahweh-Elohim te bespeuren waren, bewaarden de vrouwen van Israël het heilige zwijgen over de ongeschreven en onuitgesproken openbaring van Isis-Sophia.

Zo stroomden in het heilige land door de onschuldige wezenheid van de Nathanische Jezus “melk” van Isis-Sophia en “honing” van Osiris.

Zarathoestra

Nu moest echter voor de volledige voorbereiding van het mysterie niet alleen datgene in het Israëlitische geestesleven opgenomen worden wat de hemel te zeggen had, maar ook datgene wat aan aardse ervaring sinds het begin van de mensheidsontwikkeling voorhanden was. In Jezus Christus dienden de hemelsopenbaring en de rijpste vruchten van de op Aarde verkregen wijsheid elkaar te ontmoeten. Als de meest volkomen vertegenwoordiger van laatstgenoemde voor het hele na-Atlantische ontwikkelingstijdperk is de individualiteit van de grote Zarathoestra op te vatten.  Hij is de eerste “Ariër”, omdat hij de opgave van het Ariërdom verwerkelijkt had.

De totale wijsheid van de oer-Indische cultuurperiode heeft de grote Zarathoestra niet alleen in zich opgenomen, maar ook zich eigen gemaakt.  Daarom kon hij, nadat de oud-Indische cultuur een richting genomen had die niet met de opgave van de na-Atlantische mensheid overeenkwam, een nieuwe cultuur stichten, die tegenover het ontrouw geworden Indiërdom en het vijandelijke Turaniërdom gesteld worden. Want destijds was de Zarathoestra-impuls in het midden geplaatst tussen het ontrouwe Indiërdom en het vijandige Turaniërdom. Het is derhalve makkelijker op het wezen van de Zarathoestra-wijsheid  in te gaan door die in verhouding tot het Indiërdom en het Turaniërdom te beschouwen. De beide contrasterende stromingen zullen de mogelijkheid geven om moreel-ideële contouren van de Zarathoestra-wijsheid te schilderen, hetgeen het begrip van haar eigen wezenheid beduidend zal bevorderen.

Het wezenlijke in de contrasten: Indië –Iran enerzijds en Iran-Turan anderzijds komt naar voren door de beschouwing van het oerlotgeval van de aardemensheid dat men als “zondeval” kenmerkt.[2]  Het was het gebeuren van de geboorte van het mensheidskarma op Aarde. Dit karma wordt als de “vloek” van de Vader in de Genesis van Mozes geschilderd. Het bevat drie aardse noodzakelijkheden voor de mensheid: Pijn van alle geboorte, moeite van alle arbeid en dood van al het gewordene.

Sindsdien is het nu zo dat het verschijnen op Aarde van alles wat nieuw is, zij het wezens of gedachten, met pijn verbonden is, dat alle arbeid, zij het materieel of geestelijk, met moeite en overwinning van hindernissen geschiedt, en dat alles wat geboren en geschapen is op Aarde eenmaal verdwijnt.  Wat de grote Boeddha over het lot van de mens heeft gezegd is eigenlijk niets anders dan de herhaling van datgene wat in het eerste boek van Mozes is gezegd: Boeddha bracht slechts het feit van de “vloek” van de Vader de mensheid weer tot bewustzijn.

Dit karma van de aardemensheid is de grondslag van alle karmische stromingen, ja uiteindelijk ook van het lot van alle individuele mensen. Want van de verhouding tot het oerkarma hing het af hoe het individuele karma zich vormde. Er waren echter sinds de Lemurische tijd twee, en sinds de Atlantische tijd drie karmische basisstromingen in de mensheid (na de 6. cultuurperiode zullen er weer twee zijn), die door de opvatting van de “vloek” bepaald worden. Want er konden reeds in de eerste tijden van de werking van het oerkarma twee verschillende opvattingen ontstaan: de ene die de “vloek” als werkelijke vloek ondervond, en de andere die hem als uitdrukking van de hoogste liefde van de Vader, dus als zegen ervoer.

De geschiedenis van Kaïn en Abel schildert het verschijnen van de tegenstelling tussen de twee opvattingen die het begin van de twee karmische stromingen betekenen. De offerrook van de oprechte dankbaarheid voor het lot van de Aarde steeg naar boven; de offerrook van de ontevredenheid met het aardeleven hing echter aan de Aarde.  Dit zijn de stemmingen die in de mensheid aanvankelijk twee grote karmische stromingen veroorzaakten.

In de Atlantische tijd ontstond de derde karmische stroming: die van het actief  bestrijden van het oerkarma. Want de zonde van de Atlantiërs bestond in wezen in niets anders dan in een opstand tegen de noodzakelijkheid van het oerkarma: pijn, moeite en dood. Het duistere eugenetisch occultisme van de Atlantiërs streefde ernaar om de pijn uit het leven te helpen, terwijl hun duister mechanisch en hygiënisch occultisme op onrechtmatige wijze moeite en dood bestreden.

Aldus ontstonden er als erfenissen van dit ver verleden twee karmische stromingen van de na-Atlantische tijd, waarvan de ene met name zich daarin uit dat ze het verlangen naar bevrijding van het tranendal van het aardeleven koesteren, de andere echter daarin dat ze het natuurlijke van pijn, moeite en dood met ondernatuurlijke krachten bestrijdt. De eerste van deze stromingen was het die het Indiërdom van de oorspronkelijk ingeslagen richting afleidde, de tweede leefde zich daarentegen in het Turaniërdom uit. Aldus ontstond er enerzijds een cultuur die ernaar snakte om weg van de Aarde te komen en die de bevrijding van pijn, moeite en dood tot het hoogste doel maakte, en anderzijds een cultuur de naar middelen greep om deze noodzakelijkheden te omzeilen.

Het moet in deze samenhang naar voren gebracht worden dat de zin van de christelijke stroming op Aarde eveneens in de overwinning van het oerkarma bestaat. De opgave van de mensheid is om het karma te bestrijden. Maar de enige strijdformule tegen het karma die van de mensheid verwacht wordt luidt: “Vergeef ons onze schuld, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren”.

Het wereldkarma is een precies wegende waag: alleen indien op de schaal van menseninitiatieven  “vergeven” ligt, kan door de geestelijke wereld op de andere schaal van de waag “delgen van schuld” worden gelegd. En op dit ogenblik wacht de geestelijke wereld negentien eeuwen lang op het feestelijke ogenblik dat de mensheid haar de lang verlangde mogelijkheid zal geven om te vergeven. Want als het karma van het verleden voor de haar schulden aflossende mensheid een last is, dan ligt dat nog zwaarder voor de geestelijke wereld. En daarom werd Christus mens en bracht hij het vreselijke offer om beide werelden bevrijding te brengen: voor de wereld van de aardemensheid de bevrijding van de schuld – en voor de geestelijke wereld de bevrijding van het gebonden-zijn aan de wil om te schenken.

De wezens van de geestelijke wereld houden sinds oertijden onmetelijke gaven voor de mensheid bereid; ze wachten op het uur dat ze de mensheid met geluk kunnen overstromen – maar dit uur zal pas slaan wanneer de stem van de mensheid waarachtig zal tonen in de woorden: “Vader, vergeef ons onze schuld, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaars”. – Dan mogen wij mensen nooit tot het ongeluk van de ander zeggen: Dat is zijn karma. Zo mogen de Goden spreken, omdat ze het zeggen met goddelijke smart; onze zaak is het echter om alles in gang te zetten van de ons beschikbare initiatief en kracht doordat het door de ander verdiende negatieve karma verzacht, ja verhinderd moge worden. Wat voor zin zou dan bv. de geneeskunst hebben, indien ze niet een strijd van de mensheid tegen de verdiende gevolgen van het karma van de mensheid zou zijn? Ja, de hele toekomst van het heiloccultisme berust op de zin van het Lucas-Evangelie: “Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ En hij zei tegen de verlamde: ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’”

De juiste wijze voor de mensheid om tegen het karma te strijden is om het vergeven en schenken binnen te dragen in het wereldgebeuren, want als de mensheid het principe “oog om oog, tand om tand” op zal geven, zal ook haar dit principe opgegeven kunnen worden. 


Het bestrijden van het karma dat in het Turaniërdom werd nagestreefd was daarentegen van een geheel andere aard. Daar streefde men ernaar om van de individuele karmische verantwoordelijkheid in een “wij-bewustzijn” te vluchten, en de “wij-mensheid” wederom streefde ernaar om het algemene mensheidskarma te ontwijken, doordat ze in de onderaardse sferen toevlucht zocht. Het uitblussen van de individualiteit in de schoot van het “wij-bewustzijn” was de ene kant van het Turanische streven; de andere kant was echter het zich oriënteren door dit “wij-geheel” op de wetmatigheid en de krachten van de onderaardse sferen, met name op de als “vuuraarde” gekenmerkte onderaardse sfeer die het onbeperkte machtgebied van Ahriman binnen het aardeorganisme is. De mensheid zou nooit op het idee gekomen zijn om in het binnenste van de Aarde haar toevlucht te zoeken, indien niet in de Atlantische tijd het verraad van de Vulcanusmysteriën, waarvan Rudolf Steiner in de “Geheimen van de wetenschap der ziel” (GA 13) spreekt, plaatsgevonden had.

Dit “verraden”, d.w.z.  de aan het kwaad prijsgegeven en daardoor omgevormde Vulcanusmysteriën vormden de geestelijke grondslag van de Turanische cultuur – uiteraard vergeleken met de Atlantische tijd in afgezwakte vorm. De grondwaarheid van de Vulcanusmysteriën bestond erin dat het ultieme doel van de aardeontwikkeling de volledige omvorming van het binnenste van de Aarde door de mensheid zou zijn. Dat is ook de reden waarom Rudolf Steiner voor de zevende en hoogste toestand van de aardeontwikkeling de benaming “Vulcanustoestand” heeft gekozen.  Deze benaming blijft raadselachtig zolang men probeert volgens het voorbeeld van de “Jupitertoestand” en de “Venustoestand” nog een planeet te vinden die net zo op de toekomstige Vulcanustoestand zou wijzen als de planeten Jupiter en Venus op de twee toekomstige toestanden wijzen. Nu verdwijnt echter het raadselachtige van deze benaming, wanneer men het overeenkomstige hemelslichaam niet in de hemel, maar in het binnenste van de Aarde zoekt, waarin hem overigens ook de Griekse mythologie heeft verplaatst.

De ware feitelijke toestand is nu eenmaal die dat er geen planeet “Vulcanus” bestaat, dat echter het binnenste van de Aarde deze “planeet” herbergt. Wanneer de tijd zal aanbreken dat de volledige omstulping van de Aarde plaatsgevonden zal hebben (een objectieve voorstelling van deze omstulping geeft, van het standpunt van het etherische, het werk van Dr. G. Wachsmuth over de etherische vormkrachten van het aardeorganisme), dan zal ook het objectieve fenomeen van de Vulcanusplaneet, omgeven door de vergeestelijkte ring van de toenmalige aardemensheid in verschijning treden. Dan zal de mensheid voor de grote opgave gesteld worden om in verbinding met de Vaderkrachten van de wereld het diepste kwaad in het hoogste goed om te vormen.

De basisgedachte van de verraden Vulcanusmysteriën was nu juist de omvorming van de boven aangeduide geestelijke toestand in het tegendeel. Er werd daar het binnenste van de Aarde niet als object van de hoogste overwinning van de toekomstige mensheid opgevat, maar als de bron van de hoogste overwinningskracht van de toekomstige mensheid. En deze hoogste overwinning, die met de Vulcanuskrachten te bereiken zou zijn, bestond in de overwinning van de “vloek” van de Vader, d.w.z. in de overwinning van pijn, moeite en dood. Men hoopte bv. door de gewaarwordingdodende kracht van de “Lucht-aarde” (derde onderaardse sfeer) aan alle pijn een einde te maken, en door de toepassing van de woekerende groei-energie van de “Vrucht-aarde” (vijfde onderaardse sfeer), ook van elke soort moeite bevrijd te worden. En man had de verwachting dat de nog dieper gelegen lagen van het binnenste van de Aarde  krachten in zich bergen die diegene onsterfelijk op Aarde zouden geven  die Rudolf Steiner als het “ideaal van de Ahrimanische onsterfelijkheid” kenmerkt; eigenlijk zou het geen onsterfelijkheid zijn, maar “doodloosheid”, een ontkomen aan de oerkarmische noodzakelijkheid van de dood in een gebied waar zich deze noodzakelijkheid niet meer uitstrekt.  

Deze intenties leefden in de grondslagen van de Turanische cultuur en bepaalden vele details daarvan: bv. het communisme tot binnen het familieleven, die kenmerkend was voor de Turanische cultuur. In dit feit uitte zich juist het “wij-bewustzijn”[3] van het Turaniërdom, zoals zich bv. in het feit van de vijandigheid tegenover de akkerbouw zijn innerlijke oriëntering op het binnenste van de Aarde uitte. Want wanneer de mensheid met de ploeg de aarde voort en zaden strooit die door de warmte, het licht en de regen van de hemel tot groei en bloei worden gebracht, verricht zij een daad die in vereniging met de hemel wordt uitgeoefend en in de grootst mogelijke tegenstelling tot de bond met het binnenste van de Aarde staat.

Daarom onderwees de grote Zarathoestra de om hem heen geschaarde kleine Iranese gemeenschap de akkerbouw als religieuze plicht van de mens. Voor de Indiër was de akkerbouw een vroondienst van de mens dicteert door een natuurlijke noodzakelijkheid, de Turaniër stond er vijandig tegenover, maar voor de oer-Perziër, die in een onvruchtbaar land met veel moeite zijn leven moest rekken, werd akkerbouw de aardse uitdrukking voor de trouw aan Ahoera Mazdao.

Het feit dat Zarathoestra de akkerbouw religieuze betekenis toekende, wijst op het allerwezenlijkste van de wijsheid van Zarathoestra en de daardoor overgedragen oer- Perzische cultuurimpuls. Het wijst namelijk op de derde verhouding tot het karma van de mensheid, die de karmische gemeenschap van de oer-Perziërs deed onderscheiden van  het Indiërdom en die het Turaniërdom in tegenstelling tot haar plaatste. De positieve verhouding tot de “vloek” van de Vader, die de wortel van de wijsheid van Zarathoestra was, was door de kennis van de ware betekenis van de “zondeval” mogelijk gemaakt. Want deze kennis toont aan dat moeite, pijn en dood de grote hulpmiddelen zijn om de mensen van de val in de bodemloze afgrond van het kwaad te bewaren.

Door de moeite wordt de mens voor het gevaar van de willoze passiviteit bewaard; door de pijn wordt hij voor het gevaar van het bovenmatige subjectivisme bewaard, doordat hij door de pijn aan de overige wereld wordt herinnerd; door de dood wordt hij echter van de totale scheiding van de geestelijke wereld gered. Inspanning, lijden en dood bewaren de wil van de mens voor passiviteit, zijn voelen voor afgeslotenheid en zijn denken voor verdonkering.  Aldus betekent de “oervloek” van de Vader niets anders dan de drievoudige wal die de mensen voor het onheil beschermt. De enen ondervinden hem als kerker, de anderen als schans van de vijand, de derden daarentegen als schutting tegen het kwaad. Zo ontstonden de drie karmische stromingen die ongeveer zevenduizend jaar geleden de drie basisculturen van de na-Atlantische tijd bepaalden.

De positieve verhouding tot het oerkarma van de mensheid resulteert niet alleen in een rechtvaardige en dankbare verhouding tot de leidende machten van de wereld, maar ook nog in iets anders; een innerlijke verandering van de arbeid, het lijden en het sterven in vreugde, rust en vrede. Dit geschiedde doordat de Heilige Geest in de door de Vader bepaalde noodzakelijkheden van het lot kon binnenstromen.  Doordat de Geest binnen kon treden in arbeid, lijden en sterven, ontstond de mogelijkheid van “arbeid in de Geest”, van het “lijden om de Geest” en van het “sterven in de Geest”, d.w.z. het ware mysteriewezen ontstond.

Want het mysteriewezen bestond oorspronkelijk in het verbinden van de oernoodzakelijkheid van de Vader met de Heilige Geest: Op die manier  ontstond door de vergeestelijking van de arbeid de “geestelijke oefening”, de meditatie van het mysteriewezen, door vergeestelijking van het lijden zijn “beproevingen” en door vergeestelijking van het sterven zijn “initiatie”. Het principe van de methode van het occultisme (dat zich met elk tijdperk verandert, maar haar principe, tot een bepaalde graad, is ook vandaag nog hetzelfde) is de innerlijke vergeestelijking van de arbeid in geestelijke oefening, het lijden in mysteriënbeproevingen en het sterven in het initiatieproces.

De drie stadia of graden van het mysteriewezen: voorbereiding of loutering, verlichting en inwijding zijn ontstaan doordat de drie “vloeken” van de Vader in het licht van de Heilige Geest werden verheven.

De Arische inwijdingsmethode, d.w.z. het basisprincipe van het meest gevorderde na-Atlantische mysteriewezen, werd door de grote Zarathoestra geschapen. Tijdens de Egyptisch-Chaldeïsche periode werd zij door zijn leerlingen Hermes en Mozes voortgezet en de behoeften van andere volkeren aangepast; aan het begin van de vierde cultuurperiode werd zij echter door Zarathoestra zelf in Babylon vernieuwd, aan de vernieuwing waarvan zowel de leidende de persoonlijkheden van Israël alsook Pythagoras betrokken waren.

Maar het werk van Zarathoestra beperkte  zich niet tot de kennis van het oerkarma van de mensheid als uitdrukking van de heilzame wil van de Vader en tot de ontwikkeling van de inwijdingsmethode als verbinding van de oerordeningen van de Vader met de Heilige geest – Zarathoestra was tegelijkertijd de leider van de mensheid die naar de op handen zijnde geboorte van de Zoon profetische verwezen heeft. Daardoor werd hij tot leider van de menselijke stroming van de bewuste voorbereiding van de geboorte van de Zoon. De voorbereiding van de geboorte van de Zoon was echter de zin van de “Oudtestamentisch” gedeelte van de na-Atlantische ontwikkeling. Want het meest wezenlijke wat er tijdens die periode geschiedde brengt men tot uitdrukking door te zeggen: In de Oudtestamentische tijd werkte de Vader in het karma en de Geest in de kennis – ter verwerkelijking van de geboorte van de Zoon.

Dit werd van de kant van de geestelijke wereld gedaan; dit werd echter ook van de kant van de mensheid voorbereid. En de individualiteit die het diepgaandst de mysteriën van deze voorbereiding kon doorgronden was Zarathoestra, die daardoor tot de leider van de mysteriënstroming werd die de zin van het na-Atlantische tijdperk verwerkelijkte. In de zevende en zesde eeuw v. Chr. bestond de inhoud van deze mysteriënstroming uit de kennis van het wereldkarma, d.w.z. van de “dagen” en “nachten” van het wereldjaar, en uit de kennis van het wezen van de Zon dat bezig was neer te dalen op Aarde.

De tijdwijsheid van Zarathoestra was de kennis van het karma waarin de Vader werkte, en zijn ruimtewijsheid was de kennis van de verhouding tussen de Zon en de Aarde binnen de stroom van de tijd. Daarom werd diegene die tot aan de kennis van het wereldkarma van de Vader opsteeg, in de taal van deze mysteriënstroming “Vader” genoemd, terwijl degene die de kennis van het ruimtegeheim bereikte “zonneheld” werd genoemd. Aldus heeft men bv. Mozes, die de schepping en de wording van het oerkarma door de zondeval in de Genesis kon schilderen, als “Vader” gekenmerkt en Hermes, die het Osirismysterie kon verkondigen als “zonneheld”. Een mens echter die de missie van een karmische gemeenschap, die als volksdom verscheen,  waarin voorbereidingswerk van de mensheid de geboorte van de Zoon kon herkennen, noemde men volgens het betreffende volk, wiens geestesopgave door de betreffende mens erkend werd, bv. “Perziër” of “Israëliet”.

Op deze graad stond Nathanael die Christus als de Verwachtende herkende (zie de voordrachtscyclus van Rudolf Steiner over het Johannes-Evangelie, 1908, GA 103). Van de genoemde drie graden kwam alleen de eerste, d.w.z. de “Vader-graad”, met de vergeestelijking van de dood overeen, terwijl de twee andere door vergeestelijking van het lijden bereikt werden, en wel zo dat de graad van de “zonneheld” door het lijden van de verantwoordelijkheid van de gehele mensheid en degene van de “Perziër” door het lijden van de verantwoordelijkheid voor een karmische gemeenschap binnen de mensheid bereikt werd. Tot deze drie hogere graden leidden vier voorbereidingsgraden (Raaf, Occultist, Strijder, Leeuw), die de etappen van de vergeestelijking van de moeite optekenen. Aldus werd een mens die zich kon opmonteren tot de op de duisternis van het onbekende gerichte denkvaardigheid, daardoor tot een “Raaf”; slaagde hij er echter in om deze donkerheid te kennen, d.w.z. daar het verborgen licht te vinden, dan werd hij tot een “Occultist”, een “verborgene”; rijpte in hem de op deze manier verkregen kennis tot vermogen om die in de wereld tegenover het kwaad en valsheid te verdedigen, dan werd hij een “strijder”, bereikte hij eindelijk de hoogste mate van innerlijke activiteit, d.w.z. die onwankelbaarheid van de moed die voor geen enkele moeite terugdeinst, dan werd hij tot “leeuw”.

Tijdens de Babylonische gevangenschap vond de ontmoeting van de Jahwehstroming van de Israëlieten met de gekenmerkte Zarathoestra-school plaats. Deze ontmoeting was een van de belangrijkste gebeurtenissen van de geestesgeschiedenis van de mensheid,. Want die bestond er niet alleen in dat vertegenwoordigers van beide stromingen elkaar in de ruimte ontmoetten, maar met name erin dat de openbaringsstroom van Israël en de kennisstroom van de mysteriën van Zarathoestra elkaar ontmoetten. Deze ontmoeting was de voorbereiding  voor de toekomstige verbinding van de Nathanische Jezus met de Salomonische Jezus, d.w.z. de onschuldige zusterziel van Adam met de individualiteit van de grote Zarathoestra. Een opdat deze ontmoeting plaats kon vinden, moest het volk van Israël Palestina, het land van “melk”en “honing”, voor een bepaalde tijd verlaten. Want het diende zich buiten de openbaringsstroom van “melk”en “honing” te bevinden om in staat te zijn het hoogste kennisstreven van de mensheid te waarderen. De zielsmatige openbaring van de zusterziel van Adam moest in deze tijd zwijgen; alleen de geestelijke openbaring van Jahweh die door het Ik geschiedde mocht en moest destijds doorwerken. Menselijke kenniservaring diende destijds opgenomen te worden, goddelijke Jahweh-openbaring diende daarentegen naar buiten overgedragen worden – daarin bestond de “ontmoeting” in Babylon. En wanneer bv. Daniël enerzijds de “beproeving van de leeuw” in de het hol van de leeuw te doorstaan had, en anderzijds openbaringen overdragen kon die de Chaldeïsche wijzen onbekend waren, dan duiden deze beide feiten op het innerlijke wezen van de ontmoeting die in Babylon plaatsvond: doordat Daniël de leeuwenbeproeving van de moed doorstond, werd hij voor de vijfde mysteriëngraad waardig erkend en tot medeheerser en raadgever van de koning verheven; doordat hij openbaringen in de naam van de God van de Joden overdroeg, was hij verkondiger van het Jahwehmysterie voor niet-Joden.

Aldus geschiedde een geestelijke uitwisseling door de ontmoeting van beide stromingen in Babylon:  Er bestonden sindsdien mysterie-ingewijden bij andere volkeren die de geboorte van de Heiland van de mensheid in het volk van Israël verwachtten en er waren anderzijds in Israël ingewijden die van de algemene betekenis voor de mensheid van de komende Messias wisten. Daarom konden de drie “Wijzen uit het Morgenland” naar Bethlehem komen als vertegenwoordigers van de mysteriën om het Salomonische Jezuskind te begroeten; daarom konden echter ook in Palestina kennisscholen opgericht worden (bv. het aan het begin genoemde Essenendom, dat echter later zijn reinheid verloor en door een andere, Egyptisch georiënteerde mysterieschool vervangen werd in de missie van de voorbereiding van het kennende bewustzijn voor de betekenis van de komende Messias voor de algemene mensheid), kennisscholen die ernaar streefden om de onschuld van de niet-gevallen zusterziel van Adam met de mysteriewijsheid bewust te verbinden. Dat de drie Wijzen naar Bethlehem kwamen is te danken aan het feit dat de Jahwe-openbaring in de mysteriën van Zarathoestra ingang vond; dat de herders de hemelse verkondiging konden horen was aan het feit de danken dat in het land, waar “melk” en honing” stroomden sinds lange tijd de harten zich van een verbinding met de onschuldige zusterziel van Adam bewust waren; dat echter beide Jezusknapen geboren konden worden, was alleen mogelijk doordat daar mensen waren die een bond tussen openbaring en kennis, tussen onschuld en bewustzijnsrijpheid konden sluiten. Deze bond zou echter niet mogelijk zijn geweest wanneer hij niet lange tijd voorheen door de Babylonische gevangenschap in de gekenmerkte wijze was voorbereid.

Tegelijkertijd betekende de Babylonische gevangenschap voor het volk van Israël de doorgang door een bepaalde leeftijdsfase. Want zoals de uittocht uit Egypte de Maanfase was, de tijd van de eerste koningen echter de Mercuriusfase, zo was de Babylonische gevangenschap de Venusfase (zie de voordrachtscyclus van Rudolf Steiner over het Mattheüs-Evangelie, 1910, GA 123). Daarmee is niet alleen gezegd dat de stroom van de geschiedenis van Israël in de tijd vlak voor het Christusgebeuren stond dat alleen in de Zonfase kon geschieden, maar ook dat in het bewustzijn van de toonaangevende persoonlijkheden van Israël de ontmoeting met een aan de Christuswezenheid het dichtstbij grenzende wijsheid plaatsvond. De ontmoeting met de Zarathoestrawijsheid tijdens de Babylonische gevangenschap was het bewustzijnsgebeuren van “Venus”.  Dit bewustzijnsgebeuren betekende tegelijk een verandering van de geestelijk-morele inhoud van de traditie van Israël. Was die aan het begin namelijk erop georiënteerd om haar eigen wezensaard, die bedreigd was door de tradities van de buurvolkeren,  te beschermen en te behouden, nu kreeg die het karakter van een instelling ten gunste van de algemene mensheid.

Dit feit is reeds door de geschilderde ontmoeting met de Zarathoestra-school begrijpelijk; maar het kan diepgaander begrepen worden, wanneer men het niet alleen door feiten van de horizontaal stromende geschiedenis van de mensheid, zij het ook de mysteriëngeschiedenis, begrijpt, maar ook door feiten van de wereld van de geestelijke hiërarchieën, d.w.z. in de verticale richting. Men begrijpt het in de verticale richting, wanneer men bedenkt dat de als leeftijdsfasen gekenmerkte Maan-, Mercurius- en Venusfasen tegelijk fasen in de geestelijke ruimte zijn die de Zon en Aarde verbindt. Dan zijn ze sferen, waarvan een elk het gebied van een geestelijke hiërarchie aangeeft. Aldus is de Maansfeer het gebied van de Angeloi-hiërarchie, terwijl de Mercuriussfeer  het gebied van de Archangeloi is.

Als men nu onder dit gezichtspunt de twee eerste perioden van de geschiedenis van het volk van Israël beschouwt, dan zal men bemerken dat terwijl de tijd van de rechters de “wet” als morele ordening boven de mensen zweefde, echter met het begin van de koningentijd die in de zielen begon de klinken. Men zou ook kunnen zeggen: het openbaringslicht van de wet kreeg in de tweede periode zielsmatige warmte. In deze verandering openbaarde zich het binnen betreden in het bewustzijn van de Aartsengelensfeer. Nu beleefde zich echter het Israëlitische bewustzijn in deze fase als drager van een bepaalde volksmissie. Dit beleven veranderde echter tijdens de Babylonische gevangenschap. Toen verhief het zich tot het vervatten van een mensheidsmissie. Dit gebeurde als gevolg van de opstijging in de Venussfeer die de sfeer van de Archai-hiërarchie is. Men beschouwe vanuit dit gezichtspunt de openbaringen van Daniël. Ze hebben betrekking op de toekomst van de hele mensheid, en hij zag de “dagen” van de mensheidsgeschiedenis voorbij rollen tot aan de verre toekomst toe. Op die manier beleefde hij de sfeer van de Archai bewust; het volk beleefde die echter onbewust als algemene verbreiding van hun historisch besef door het samenleven met andere volkeren.

Over Daniël werd in de V. beschouwing indringend gesproken; wat daar geschilderd werd kan reeds de wezensaard van de fase van het lot van de Babylonische gevangenschap begrijpelijk maken. Toch zou deze schildering onvolledig blijven als men een andere geestelijke gestalte van die tijd buiten beschouwing zou laten. De geweldige openbaringen van Hesekiel geven de mogelijkheid het geestelijk gebeuren van een andere kant te leren kennen dan het aan de hand van Daniël mogelijk was. Want Daniël kent de geboorte van de Zoon, door de Vader verwerkelijkt; Hesekiel kent daarentegen de Zoon door de sfeer van de Heilige Geest. Daniël schildert het karma van de mensheid in de tijd; Hesekiel geeft de schildering van het heersen van de Heilige Geest die binnenstraalt in het karma van de mensheid. Aldus openbaart Hesekiel een bepaalde waarheid die tot de in de Bijbel verborgen grote schatten behoort; daarom zal de volgende beschouwing aan de openbaringen van de profeet Hesekiel zijn gewijd.



[1] Van deze methode in tegenstelling tot de “Baälmethode” was reeds in de VII. beschouwing sprake.
[2] Over de zin van deze gebeurtenis was reeds van een bepaald gezichtspunt in de VIII. beschouwing uitvoerig sprake; hier zal deze vraag van een ander gezichtspunt behandeld worden.
[3] Er zou daarop door iemand die goed thuis is in de feiten van de oergeschiedenis van de mensheid, met name de Atlantische mensheid, het verwijt kunnen maken dat het de egoïstische zelfdeïficatie van de oer-Turaniërs was, die het karmische uitgangspunt voor het Turaniërdom van de na-Atlantische tijd opleverde en dat daarmee het hier gekenmerkte “wij-bewustzijn” niet als een oer-Turanische wezensaard kan worden beschouwd. Deze objectie valt echter weg, wanneer men bedenkt dat het egoïsme de mensen in het vervolg veel gelijker aan elkaar maakt dan het altruïsme die de mensen tot individualiteiten vormt. Wat men “de grote massa” noemt heeft zich samengebundeld vanwege hoog gecultiveerde egoïsmen van het verleden. Op die manier is het Turanische “wij-bewustzijn” het gevolg van de Turanische zelfverheerlijking in de Atlantische tijd. 



* * *

  XI.

De Heilige Geest en de werkzaamheid van 
Sophia in de Oudtestamentische geestesgeschiedenis

1.  De geschiedenis van de profeet Ezechiel



Wanneer men de geschiedenis van de menselijke kennis beschouwt, dan merkt man dat daardoor als een ononderbroken draad de vraag doorheen loopt naar het wezen van de gemeenschappelijk oerbron van de buitenwereld en het menselijke bewustzijn. De Godheid van de wereld in verhouding tot de wereld en de mens was en blijft altijd de belangrijkste vraag van de aardemensheid. Deze vraag werd sinds het tijdpunt van de geboorte van het denken op verschillende wijzen beantwoord. Maar hoe de menigvuldigheid van de antwoorden op deze vraag ook moge zijn, afgezien van het atheïsme dat geen kennisaangelegenheid is maar een geestelijk ziekteverschijnsel, laten ze zich uiteindelijk in drie groepen samenvatten. Dientengevolge vat men de Godheid namelijk of pantheïstisch, of theïstisch dan wel deïstisch op, d.w.z. ze is of het wereldheelal zelf, of de het geschapen wereldheelal van buitenaf sturende dan wel de boven de wereld rustende scheppende wezenheid, die de wereld ooit geschapen heeft, maar sindsdien bij haar gebeuren niet meer betrokken is.  Voor de ene is de Godheid alles bewustzijn dat in de wereld straalt en alles leven dat door het wereldgebeuren stroomt; voor de ander is zij de hoogste persoonlijkheid die men tegenover staat, voor de derde is zij de transcendente bouwmeester van het wereldsysteem die evenzo veel en evenzo weinig in de wereld aanwezig is als een horlogemaker in een door hem vervaardigde horloge.

Deze opvattingen komen voort uit bepaalde basiservaringen die voor menselijke zielen tegenover het leven kenmerkend zijn. Terwijl de ene ziel zich door het Goddelijke doorstroomd en doorstraald voelt, voelt de ander zich tegenover het Goddelijke als zelfstandig wezen in een vrij verkeer staand, en een ander wederom voelt noch het stromen van het Goddelijke in de wereld, noch diens openbaringen in een vrij verkeer, maar louter de herinnering aan het Goddelijke in de gestalte van de zinvolle wetmatigheid die in de wereld heerst. De vertegenwoordigers van deze basisopvattingen staan vaak onverzoenlijk tegenover elkaar – ze geloven dat de waarheid van hun opvatting noodzakelijkerwijs de andere opvatting als een vergissing blootstelt. Aldus schijnt voor de pantheïst het theïstisch godsbegrip naturalistisch en vaag, terwijl het godsbegrip van de deïst (bv. van een Voltaire) door beiden als substantieloze abstractie wordt verworpen. De deïst daarentegen beschouwt de beide andere godsbegrippen als onwetenschappelijk en onfilosofisch.  Nu betekent het ware christendom  niet slechts het prediken van de vrede, maar brengt het ook daadwerkelijk vrede te weeg in de strijd om de opvattingen. Want het christelijk Godsbeeld, de drie-eenheid, die eigenlijk het Godsbeeld van de heilige oermysteriën is, is een opvatting waarin de deïst, theïst en pantheïst elkaar vriendschappelijk de hand kunnen reiken. Want in het licht van de christelijke triniteit wordt geopenbaard dat de deïst een mens is die enkel en alleen de Vader erkent, terwijl de theïst enkel en allen zijn oogmerk op de Zoon gericht houdt en de pantheïst met dezelfde exclusiviteit alleen de Heilige Geest vertegenwoordigt. Alle drie vertegenwoordigers van de basisopvattingen over de Godheid hebben gelijk, in zo ver ze iets positiefs te zeggen hebben. Ze hebben echter ongelijk in zover zij andere opvattingen ontkennen.

Want de waarheid is die dat de Godheid zowel buiten het wereldgebeuren rust alsook als het hoogste voorbeeld voor alle wezens in de wereld tegenwoordig is, en ook als licht en leven alle wezens doorstroomt en doorheen pulst. De drie-eenheid van de Godheid is het hoogste waarin de menselijke gedachte zich rustend beleven kan, wat het menselijke hart aangrijpen en wat de mens met zijn hele wezen bekennen kan. Alleen mag de mens niet geloven dat hij op slechts een weg een ware voorstelling van de triniteit kan bereiken. Geeft hij zich louter over aan de uiterlijke natuurbeschouwingen, dan zal hij daardoor niet de triniteit vinden, maar alleen tot de erkenning van de Vader komen; geeft hij zich alleen aan over de beschouwing van zijn innerlijk, dan verkrijgt hij de voorstelling van het algemeen heersen van de Heilige Geest; beschouwt hij echter zowel de buitenwereld alsook de binnenwereld, uitgaand van de vraag: wat ontbreekt er aan de buitenwereld, wat ontbreekt er aan de binnenwereld, d.w.z. niet ernaar vragen wat daar is, maar wat er aan de wereld en de mens nog onvolkomen is, dan vindt hij het kosmische voorbeeld van de Zoon.

De met vroomheid op de bron gerichte blik, waaruit het bewustzijn en het leven stroomt, leidt de mens noodzakelijkerwijs tot de erkenning van de Heilige Geest; de op de buitenwereld, observerende, kennende blik overtuigt de mens van het bestaan van de Vader, van de schepper waarop het voor de kennende blik uitgestrekte werk wijst; de blik echter die het ongeluk en het onvolkomene van het leven met warme deelname aanschouwd, leidt de mens naar de zekerheid van de Zoon.     

Voor wie het aan vroomheid ontbreekt is de Heilige geest louter een abstract begrip; wiens waarheidsmoed zwak is zal de Vader niet erkennen kunnen; wie liefdeloos in het leven staat zal zich tot de Zoon niet kunnen bekennen. Bekenner van de Drievuldigheid zijn, betekent zich opmonteren om het leven religieus, objectief en medicinaal  aan te schouwen. Dit is de eis die het Christendom aan de mensheid stelt, doordat het de idee van de triniteit voor de mensheid heeft geplaatst.

Zo verschillend als de wegen zijn die tot het bekennen van de drie personen van de triniteit leiden, zo verschillend zijn ook de innerlijke processen van het tot stand komen van dit bekennen voor elke persoon van de triniteit.  Aldus kan de Vader überhaupt niet gekend, maar alleen erkend worden. Er kan slechts de werking van de Vader in de mens versterkt worden; de blik van de gereïncarneerde aardemens kan echter de Vader zelf niet schouwen. De werking van de Vader wordt echter in de mens openbaar, doordat de ziel afwisselend zowel door het licht als door de duisternis van boven doorweeft wordt. Wanneer de ziel eerst verlicht wordt, om dan in volle eenzaamheid en zwijgen  gedoopt de worden, dan is de kracht die na deze toestanden in de ziel verblijft de kracht van de werking van de Vader. Want de Vader openbaart zich noch in het licht noch in de zwijgende duisternis, maar zowel door het licht als door de duisternis. De directe ervaring (ter onderscheiding van de ideële erkenning) van de Vaderwezenheid die voor de mens op aarde mogelijk is, is beperkt tot het beleven van de werking van de Vader, dat men alleen door het middel van de afwisseling van het hoogste geluk en de diepste eenzaamheid kan hebben. Alleen diegene die de zaligheid van de onbeschrijflijke eenzaamheid van de ziel die, gelijk een zeilboot bij volle windstilte met hangende zeilen bewegingsloos wachten moet, zonder impulsen om over te gaan tot een handeling of kennisakte, kent de innerlijke rust die een reflectie van de Vader is. Deze rust is de menselijke ervaring van de Vader; zij is het die de mensen sterk maakt voor de beproevingen van het leven en de dood. Zij is de verticale instelling van de wil in de mens, die de mens als het ware tot een zuil vormt die hemel en Aarde verbindt. Zo stond Rudolf Steiner als wilszuil ten tijde van de wereldoorlog onverstoorbaar, terwijl de wervelstormen om hem heen raasden. Het was de werkelijkheid in het leven van het Woord van de Vader: Uw wil geschiede op Aarde evenzo als hij in de hemel geschiedt, die door de zielenhouding van Rudolf Steiner tot uitdrukking kwam.

Ook de Heilige Geest kan geen kennisobject zijn. Want het is de werking van de Heilige Geest die achter de kennisakte staat en deze überhaupt pas mogelijk maakt. De Heilige Geest is het licht dat het bewustzijn bij de kennis belicht en de kennisobjecten zichtbaar maakt. Daarom sprak men nooit van het kennen van de Heilige Geest, maar alleen van het “vervuld zijn van de Heilige Geest”. Men kan geen ontmoeting met de Heilige Geest beleven: men kan alleen innerlijk door zijn licht opgevuld zijn en dan, in dit licht, de dingen, de processen en wezenheden van de wereld leren kennen. Maar men leert dan de dingen, processen en wezenheden van de wereld door de Heilige Geest kennen, niet echter de Heilige Geest zelf. De Heilige Geest doorstraalt en doorstroomt altijd alle wezens; iedere mens is voortdurend door de Heilige Geest doorstroomd – alleen bemerkt hij het niet, omdat de stroom van de werking van de Geest door zijn bewustzijn niet opgevangen wordt. Wordt hij echter door het bewustzijn opgevangen, zodat het Ik tot het brandpunt van de Heilige Geest wordt, dan beleeft men het “vervuld zijn van de Heilige Geest”. In de huidige tijd uit zich dit vervuld-zijn uiteraard anders dan in het verleden toen deze uitdrukking geformuleerd werd. Wat in de huidige tijd is het niet meer een “spreken in tongen”, maar een toestand van de denkbaar grootste zekerheid en helderheid in de kennis van de grote morele-geestelijke vragen van het bestaan. De mens beleeft eenvoudig zeer veel meer bewustzijnslicht als hij voorheen bezat. Hij wordt wakkerder. En dit verhoogde waakbewustzijn, dat in vergelijking met het gewone bewustzijn op trage dromerij lijkt, is de moderne verschijningsvorm van het “vervuld zijn van de Heilige Geest”. Dat zich dit vervuld-zijn tegelijkertijd als rustige zaligheid voordoet, verandert niets aan het wezen van deze toestand als een verhoging van het waakbewustzijn.

Anders is het bij de kennis van de Zoon. Daar vindt een ontmoeting van de mens met de Zoon plaats, waarin de Zoon als voorbeeld de mens tegenover staat. Deze ontmoeting is een gevolg van diegene instelling tegenover de wereld en het leven die boven als de therapeutische werd gekenmerkt. Men ontmoet de Zoon wanneer men ernaar vraagt wat er aan de wereld ontbreekt. Dit is geen abstracte vraag maar een samenvatting van vele levende-concrete vragen, die alle de instelling van een ziel uitdrukken die er niet naar streeft om het leven volkomen te vinden, maar om het volkomen te maken. Aldus kan men bv. de stenen, het minerale bestuderen uitgaand van de vraag: Wat is in de steen? Deze studie resulteert dan in de kennis van het minerale in zijn wetmatigheid, zoals het in de tegenwoordige wereldtijd aan eigenschappen bezit. Men kan echter ook het minerale beschouwen uitgaand van de vraag: Wat ontbreekt er aan het minerale? Wat is daarin niet dat er echter in dient te zijn? Dan zou men inzien dat de steen koud is, dat het hem aan de warmte ontbreekt die hij ooit in de wereldtijd van de oude Saturnus heeft gehad. De warmte heeft later met de Zon de Aarde verlaten en het koud gebleven minerale werd tot “steen”. Aldus leert men het minerale kennen als verschijnsel van een kosmisch ziekteproces en men ziet in wat het nodig heeft om weer zijn ware toestand te bereiken – diegene warmte van het willen die in de Evangeliën is bedoeld waar Christus Jezus het beduidende Woord uitspreekt dat het geloof bergen kan verzetten. De bergen zijn nu eenmaal om die reden onbeweeglijk, omdat ze door het oorspronkelijk wilsvuur van de oude Saturnus zijn verlaten. En het is de opgave van de mens om dit vuur dat, doordat het door het menselijke Ik heen gaat, tot “geloof” wordt, aan de minerale wereld terug te geven.

Beschouwt men met dezelfde blik de plantenwereld, dan leert men kennen dat het haar ontbreekt aan licht dat haar in de wereldtijd van de oude Zon ooit eigen was, dat echter later met de Zon de Aarde heeft verlaten. Sindsdien verlangt de plant naar het licht en verkrijgt ze het vanbuiten door de Zon, maar haar ware toestand zou ze pas bereiken, wanneer ze in zichzelf het zonlicht zou dragen. Het ware verlangen van de plantenwereld beperkt zich niet tot het streven om door de Zon bestraald te worden, maar gaat daarin verder dat de planten innerlijk zonachtig worden. De plantenwereld is een zichtbare uitdrukking van de menigvuldigheid van het verlagen van het aardorganisme om met de Zon herenigd te worden. Maar dit verlangen van de Aarde blijft hopeloos zolang de mens het liefdeslicht van de Zon niet uit en door zichzelf zal laten stralen.

Richt men de therapeutische blik op de woordeloze dierenwereld, dan leert men kennen dat zij in de donkere hoop leeft zich ooit helemaal aan het woord overgeven te kunnen, zodat zij niet meer uit donkere driften, maar uit heldere drijfveren van de over haar heersende gedachte kan leven. De gehoorzaamheid van de getemde dieren aan de mens ligt besloten in hun lot en is een zichtbare uitdrukking van deze hoop: het dier wil tot uitvoerende kracht van de werkzame gedachte, d.w.z. tot het woord, worden.

Maar ook voor de mens zelf openbaart een dergelijke blik wat aan hem ontbreekt. Het feit dat de mens denkt, wijst op de grondbepaling van zijn bestaan, dat de zin van het bestaan niet direct gegeven is. De mens zou zich immers niet denkend bezig hoeven te houden indien hem datgene wat zich door het denken openbaart direct gegeven zou zijn. Leefde de zin van het leven direct in het menselijke bewustzijn, dan zou de mens wel zijn daden daarna richten, maar het niet door het denken zoeken. Wat er aan de mens ontbreekt om in de ware zin van het woord mens te worden is de levende tegenwoordigheid van de zin van het leven in hemzelf.

Het feit van de val van de mens en de natuurrijken resulteert in de kennis van wat door deze val verloren is gegaan. De zondenval wordt aan de drie natuurrijken en de mens zichtbaar, daar elk van deze vier bestaansgebieden aangevuld moet worden om tot zijn ware toestand te komen. Wanneer men zich samenvattend vraagt: Wat ontbreekt er aan de natuur en de mens? dan luidt het summiere antwoord op die vraag: de ware mens.

Er ontbreekt aan het aardebestaan de ware menselijkheid; die is het waarnaar alle wezens verlangen. Want ooit kwamen alle wezens van de Aarde uit de grote mens Adam Kadmon voort. Wat zij door de zondeval hebben verloren, daarna blijven alle aardewezens verlangen. Als het dierenrijk verkommerde mensheid is, als ook de plantenwereld dat is en evenzo het rijk der mineralen, dan is ook de verlossing van deze rijken alleen door de herwinning van de verloren menselijkheid voor hen mogelijk. Maar ook de mens van de Aarde is gevallen. Ook hij is een verkommerde verschijning van de ware mens, Adam Kadmon. Daarom is de aardmens de schouwplaats binnen het aardebestaan, waarop het verlangen van alle schepselen tot het bewustzijn van zichzelf komt. Wanneer de mens oprecht op de Aarde staat, dan betekent deze verschijning binnen het natuurgebeuren dat de verstarrende wereldtragiek der stenen, het donker verlangen der planten en de stomme hoop der dieren tot het bewust streven naar verlossing is geworden. Opdat echter de mens zijn verantwoordelijkheid jegens de natuur volledig moge leren kennen, moet hij een stap volbewust doen: namelijk ook zijn onvolmaaktheid – de verkommerde, gevallen mens – volledig inzien. Pas na het bereiken van deze kennis is hij voor het besef van zijn verantwoordelijkheid  volledig ontwaakt. Dit kenproces schildert Rudolf Steiner in zijn boek “Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden?” (GA 10), doordat hij daar de ontmoeting met de zogeheten “Kleine wachter van de Drempel” beschrijft. Want de beproeving van deze ontmoeting bestaat juist daarin dat de mens zichzelf zo leert kennen zoals hij geworden is door en sinds de zondeval.       

De kennis van zijn wezen, zoals dat geworden is, leidt de mens naar de kennis van wat hij dient te worden. Wie de kennis van de verkommerde mens kan verdragen, wordt daardoor tot de kennis van de ware mens geleid. Wordt deze kennis volbewust beleeft, dan is het die soort ontmoeting met de Zoon die in “Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden?” als de ontmoeting met de “Grote wachter van de Drempel” wordt geschilderd.  Vindt deze ontmoeting niet onder beheersing van alle waarnemings-, kennis- en herinneringsvermogens  van de ziel plaats, dan vindt een minder bewuste ontmoeting met de Zoon plaats, die echter desondanks de ziel van de betreffende mens een onverstoorbare zekerheid in de kennis van Christus als de zin van de Aarde geeft.

Aldus is de ontmoeting met de Zoon een objectief kennisgebeuren voor de mens. De mens leert bij deze ontmoeting zijn voorbeeld kennen. Daarmee leert hij gelijktijdig ook het voorbeeld van alle aardewezens kennen, want het bevat in zichzelf die warmte, dat licht en dat woord waarna de drie natuurrijken verlangen. Het is de gestalte van de “Nieuwe Adam”, de herrezen Adam Kadmon, waarin de Zoon de mens ontmoet.

Nu is echter deze gestalte niet alleen het voorbeeld voor de mens, maar ook voor allen wezens van de geestelijke hiërarchieën. Want ook aan de wezens van de geestelijke hiërarchieën ontbreekt er iets. Wat hen ontbreekt, dat heeft de mens in hun bestaanswerelden te brengen. Waar het de eerste, tweede, en derde hiërarchie aan ontbreekt, dat is de opgave van de vierde hiërarchie. Dit is de vrijheid, die haar kosmische bestemming dan bereikt zal hebben, wanneer ze het karma in de wereld zal hebben overwonnen. Dit willen de wezens van de hogere hiërarchieën, maar om dat te verwerkelijken hebben ze de mens nodig. Want alleen de blinde aardmens mag de karmische gevolgen van de blindheid van een ander aardmens afschaffen. Dit kunnen de hiërarchische wezens niet. Maar zij willen dat de wet der rechtvaardigheid tot in het uiterste natuurgebeuren toe door de liefde vervangen wordt. Dit kan echter alleen de geïncarneerde mens, doch hij wil het niet, want zijn wil is het kwaad in zijn wezen sinds de zondeval. Daarom is het willen van de door de hoogste Elohim zich openbarende Zoon het hoogste liefdesvoorbeeld voor de mens; daarom is anderzijds het kunnen van de vroeger mens wordende en nu mens geworden Elohim het hoogste voorbeeld voor de wezenheden van de geestelijke hiërarchieën. De Godmens is het ontwikkelingsideaal van alle wezens van de wereld, zowel van de geestelijke alsook van de aardse wereld. Want de geestelijke wezens streven ernaar om zich in zekere zin te vermenselijken –in de zin van het geweld, het karma te overwinnen. De mensheid echter heeft tot taak zich te vergoddelijken, d.w.z. de liefde van de Goden in haar wil op te nemen.

Deze centrale waarheid van het wereldgebeuren leerde Ezechiel kennen  toen hij in het middelpunt van zijn kosmisch gezicht van de werkzaamheid van de hiërarchieën van de Heilige Geest de ten troon zittende Zoon als 'een die de mens gelijksoortig is' schouwde. Hij schouwde uiteraard het oerbeeld van de Godmens profetisch, d.w.z. als kosmische toekomstintentie, want Christus was nog niet mens geworden – maar hij schouwde het in het middelpunt van het grandioze tableau van de werkzaamheid van de Heilige Geest die naar de verwerkelijking van deze intentie toe georiënteerd was.

Beschouwt men de centrale gestalte van de Ezechiels schouwing die hij aan de rivier Chebar had (Ezechiël 1:3) dan vindt men dat deze gestalte een concreet antwoord op de bestaansvragen van de natuur en mens is. Wat er aan de natuur en de mens ontbreekt, is in deze gestalte voorhanden.  Want de afzonderlijke elementen van deze gestalte, zoals ze Ezechiël beschrijft, zijn dezelfde waarvan er boven sprake was als het aan de natuur en mens ontbrekende. Want Ezechiël spreekt niet alleen van “een die de mens gelijksoortig is”, maar ook van de stem die boven de vier Cherubim klinkt, daar waar de troon staat waarop degene, die een mens gelijksoortig is, zit; ook van het vuur “dat in gloeiend metal vlamt“ in de ledematen van de mensachtige spreekt Ezechiël en tenslotte van het licht dat van Hem uitgaat en dat de “regenboog tijdens de regen in de wolken” gelijksoortig is.

Het ware, goddelijke aangezicht van de mens , de stem die boven de wezenheden die de vier groepenzielen representeren klinkt, het metallische vuur en het licht – deze vier elementen die de belevenis van de centrale gestalte van Ezechiels visioen uitmaken – zijn juist de door het minerale, plantaardige, dierlijke en menselijke van de Aarde gemiste wezensgaven waarnaar alle aardewezens verlangen. Het “metalen vuur” van de ledematen, d.w.z. van de wil van het geschouwde, is die wilswarmte die het minerale onderweg naar de val verloren heeft; het licht van het geschouwde dat in de regenboogkleuren straalt, is het licht waar de plantenwereld sinds de uittocht van de Zon naar verlangt; de stem die boven het groepenzielenachtige klinkt, is het woord dat de hoop van al het dierlijk bestaan is; het goddelijke mensenaanzicht echter is de imaginatie van de ziel van al het ware menselijk streven op Aarde.

Aldus plaatste Ezechiël de imaginatie van de zin van het aardebestaan voor de toekomstige “lezers”, d.w.z. voor de geïnspireerde kennis van de toekomstige generaties. Hij deed dat als “mensenzoon”, de benaming waarmee hij door de geestelijke wereld altijd aangesproken wordt (bv. Ezechiël 2:1,3, 6, 8; 3: 1,3,4,10, 17 etc.), die echter een geheel bepaalde betekenis heeft. Rudolf Steiner gaf de verklaring voor deze benaming m.b.t. de Evangeliën:  “Mensenzoon” is een vertegenwoordiger van een toekomstige bewustzijnstoestand die uit de tegenwoordige, als diens nakomeling (“Zoon”) geboren zal worden. Zo is in die zin “mens” vertegenwoordiger van de vier wezensdelen van de mens: fysieke lichaam, etherlichaam, astraallichaam en Ik; een “mensenzoon” daarentegen zou een mens zijn die ook het Manasprincipe, het Geestzelf, als vijfde wezensdeel zou beleven en vertegenwoordigen. Dit was juist bij Ezechiël het geval. Hij leefde niet alleen door de inhoud van zijn openbaringen in de toekomst, maar ook doordat hij dankzij een toekomstig wezensdeel van de mens werkzaam was en kennisverrichtingen uitvoerde. Daardoor is ook het hele grondkarakter van zijn openbaringen bepaald. Zijn openbaringen hebben namelijk eerst betrekking op het hoogste – op de boven de Cherubim tronende, om dan tot de menselijke aangelegenheden neer te dalen. Deze neerdalende kennis is de kenmerkende eigenschap van de kennis van de “mensenzoon”, d.w.z. van de Manaskennis.

In de IX. beschouwing (over David en Salomo) was reeds van deze eigenschap sprake; hier komt het er op aan om tegen de lezer de reden uit te spreken, waarom hij, tezamen met de schrijver dezes, een afdalende weg te gaan heeft bij de verdere beschouwing van de openbaring van Ezechiël.

Er blijft evenwel nog iets te noemen, eer naar een verdere beschouwing van de openbaring van Ezechiel kan worden overgegaan om over een belangrijk punt duidelijkheid te scheppen: namelijk dat de hier bedoelde afdalende kennis niet alleen niets gemeenschappelijk met speculatie van doen heeft, maar dat zij in waarheid het tegendeel van speculatie is. Want de speculatie (bv. de filosofische speculatie) gaat uit van de ervaring van de wereld van beneden en trekt daaruit, door draden van analogie, conclusies over de wereld van boven; de hier gemeende “neerdalende kennis” is daarentegen het trekken van verbindingsdraden van de hogere wereld naar de lagere. Zij onderscheidt zich daarbij van de speculatie, doordat zij ernaar streeft om gebeurtenissen en feiten van de wereld van beneden uit de wereld van boven te leren kennen, terwijl de speculatie de hogere wereld door de lagere te verklaren pleegt. Dit duidelijk in te zien is des te meer van betekenis, sinds in de huidige tijd de denkbaar grootste onduidelijkheid juist in deze vraag voorhanden is. Tegenwoordig legt men de profeten en de Apocalyps vaak zo uit dat men slechts de inhoud van de lagere wereld erin projecteert: er ontstaan ten gevolg sektarische dan wel “wetenschappelijk” interpretaties die met de inhoud van de Openbaringen zelf niets te maken hebben, omdat die laatste niet “in deze wereld” te zoeken is. De beelden en gelijkenissen van de Openbaringen moeten spreken – door zichzelf; zwijgen ze, dan is elke vorm van gewone ervaringsinhouden erin projecteren niet meer dan juist dat.

Om het totaalniveau van de visioen van Ezechiël te begrijpen is het uiteraard niet voldoende om diens centrale gestalte alleen te begrijpen; men moet met het oog op deze gestalte ook alle details van de visioen beschouwen. Nu hebben al deze details betrekking op bepaalde wezenheden van de geestelijke hiërarchieën en op de bijzondere wijze van hun werkzaamheid. Daarom moet in eerste instantie een duidelijkere voorstelling van de betreffende wezenheden en hun werkzaamheid bereikt worden.

In de I. beschouwing werd het gebeuren van het Oudtestamentische gedeelte van de geestesgeschiedenis van de mensheid samenvattend gekarakteriseerd doordat de gedachte uitgesproken werd: Er was destijds de Vader werkzaam in het lot waarin de Heilige Geest de geboorte van de Zoon voorbereidde. Wat in het tweede deel van deze zin uitgesproken is (“…waarin de Heilige Geest de geboorte van de Zoon voorbereidde”) behelst de gehele inhoud van de visioen van Ezechiël aan de rivier Chebar tot aan het punt waar hem opgaven werden opgelegd die voor mensen in zijn omgeving bestemd zijn. Want de visioen toont de Zoon in het middelpunt van de werkzaamheid van de Heilige Geest. Alle afzonderlijke gestalten die de centrale gestalte omgeven hebben betrekking op deze werkzaamheid. De Heilige Geest zelf kon ja in zijn wezenheid – zoals boven opgetekend is – geen kennisobject worden, alleen zijn werkzaamheid door bepaalde wezenheden kon gekend worden. De wezenheid van de Heilige Geest vervulde in deze tijd het kensubject, Ezechiël zelf en kon derhalve geen kennisobject zijn. In de taal van de Bijbel wordt deze feitelijke toestand door het woord “het rusten van de hand van God op een mens” tot uitdrukking gebracht. Aldus “ruste” ook op Ezechiël de “hand van God” vanaf het eerste ogenblijk van zijn schouwingen die hem juist door deze “hand” mogelijk werden gemaakt. (Ezechiël 1:3).

De werkzaamheid van de Heilige Geest, waar het hier op aan komt, strekt zich uit op alle hiërarchieën; er zijn echter hiërarchieën die in een bijzondere zin met hem verbonden zijn. Zoals bv. de aartsengelen, de Elohim en de Serafijnen in bijzondere zin de vertegenwoordigers van de Zoon zijn, zo zijn in dezelfde zin de engelen, Dynamis (Geesten van de Beweging) en Cherubim vertegenwoordigers van de Heilige Geest. Want ze verwerkelijken namelijk de kosmische opgave van de Heilige Geest, terwijl andere hiërarchieën zich namelijk aan de vervulling van de door de Zoon en de Vader gestelde opgaven in de kosmos gewijd hebben. Tegenover de geïncarneerde mensheid bestaat de opgave van de Heilige Geest in het vervullen van de mens met bewustzijnslicht, dat het minst vertroebeld in het denken van de mens aanwezig is. Dit licht wordt de mens geschonken, d.w.z. hij kan het vrij gebruiken en ook misbruiken. Want hij kan het vrij aan zijn wil ondergeschikt maken of integendeel zich door de wil ervan meester maken. In het laatste geval vindt een misbruik van het bewustzijnslicht plaats.

In elk geval heeft de mens, onafhankelijk van welk gebruik hij er ook van maakt, elke toestroom van bewustzijnslicht aan diegene bron te danken die als Heilige Geest gekenmerkt wordt. Eer dit licht echter de mensen bereikt, wordt het door wezenheden van de geestelijke hiërarchieën op zo’n manier bewerkt en dichter bij de mens gebracht dat de mens het verdragen kan. Bij dit nader tot de mensen brengen van het bewustzijnslicht zijn namelijk drie hiërarchieën betrokken: de Cherubim, de Dynamis en de engelen. De Cherubim ademen het licht uit, zij stralen het eeuwige licht in de richting van het stof. De Dynamis bepalen de kracht van de werking ervan in de wereld van het stoffelijke. De engelen sturen de afzonderlijke stralen van dit licht naar de individuele mensen toe. Zou de werkzaamheid van de engelen uit dit totaalproces wegvallen, dan zou er onder de mensheid geen individueel onderscheid in de innerlijke toestroom van bewustzijnslicht zijn – alle mensen zouden gelijktijdig dezelfde werking van het licht ervaren, zonder onderscheid van kleur, maat en tijdpunt. Het grootste deel van de mensheid zou dan verblind zijn door  het witte licht van het aanstormende bewustzijn. Zou ook de activiteit van de Dynamis achterwege blijven, dan zou de mensheid in het licht van de eeuwigheid verstarren. Ze zou ademloos in het licht van de onbeweeglijke eeuwigheid staan; elke beweging zou versterven, en een voortschrijden van de mensheid op de weg van de evolutie zou onmogelijk zijn. 

De mensheid is op de geestelijke hiërarchieën aangewezen, evenzo als de hiërarchieën op elkaar zijn aangewezen. De engelen redden de mensheid niet alleen van een volledige verduistering van het bewustzijn van het leven in het gebied van het stoffelijke, maar ook van een verblinding van het bewustzijn door het directe, niet gedempte licht van de Geest. De Geesten van de Beweging geven daarbij het licht van de eeuwigheid van de Cherubim de mogelijkheid van beweging, van vooruitgang. De Cherubim echter stralen het licht in de duisternis van de stofwerelden naar binnen, datgene licht dat uit de eeuwige triniteit stroomt.

De engelen vormen het uiterste eind van de lichtwerking van de Heilige Geest aan de grens van de duisternis. Zij zijn de “Zonen van de schemering” in de geheel concrete zin van het woord. Zij zijn de vele ogen van de geestelijke wereld die op het aardse vanuit directe nabijheid gericht zijn. En op elk mens rust een oog van de geestelijke wereld, zijn beschermengel. Geen mens is vergeten: het oog Gods – om in religieuze termen te spreken – rust daadwerkelijk op elk individueel mens.

Dit oog is echter niet louter observerend, maar ook glanzend, stralend. Want de engelen hebben niet alleen de opgave om de top van de geestelijke wereld in kennis te stellen van de gezindheid en daden van de mensen, maar ook de mensen in kennis te stellen van de bedoelingen en daden van de wezenheden van de geestelijke werelden. Zij zijn “boden” zowel voor de wereld van de hiërarchieën alsook voor de wereld van de aardemensheid. Zij streven er voortdurend naar om de zielen van de aardemensheid voor de grote kosmische bedoelingen te bewegen. Zij proberen om de menselijke zielenroersels in harmonie te brengen met de grote kosmische impulsen.

De grote kosmische aansporingen gaan met name uit van de hiërarchie van de Dynamis, de Geesten van de Beweging. De Geesten van Beweging zijn het die het hooglicht van de wijsheid bewegende aansporingkracht verlenen. Alleen van de aansporingkracht van de Dynamis moet gesproken worden, omdat zij van krachtontplooiing afstand genomen hebben – de “dynamiek” van de Dynamis moet als verlangenwekkende werkzaamheid, niet echter als louter “bewegen”voorgesteld worden. Ahriman beweegt de wezens “dynamisch”; Lucifer beweegt ze door verleidingen – de Dynamis echter bewegen de wezens op de banen die ze het verlangen naar het licht van het ware, schone en goede doen vinden.

Nu is de geschiedenis van een groot kosmisch verlangen – van zijn geboorte tot aan zijn vervulling – gelijktijdig de geschiedenis van een bepaald kosmisch evolutieverloop. Zo is bv. de Aarde, als vierde evolutiekringloop, in haar geschiedenis sinds de Polarische tijd tot aan het tijdstip van haar overgang in de Pralayatoestand in wezen de geschiedenis van een bepaald kosmisch verlangen, die met de zondeval in het uiterlijke gebeuren zijn intrede deed en die met het mysterie van Golgotha de hoop op vervulling kreeg. Boven werd ja getracht dit verlangen te karakteriseren; het komt nu erop aan diens samenhang met de werkzaamheid van de Geesten van Beweging te leren kennen. De cirkels van de beweging van het verlangen zijn openbaringen van de Geesten van de Beweging. Deze cirkels worden ook als “raderen”  (Rotae) gekenmerkt. Daarom kan men van de Geesten van de Beweging als van “raderen”  spreken, waarvan de velgen vol ogen zijn; want de engelen zijn de “ogen” aan de velgen van de “raderen” van de Dynamis.

Nu is de bewegingsaansporende werkzaamheid van de Dynamis door de Cherubim bepaald. Want de Cherubim stralen het licht van de harmonie uit, volgens welke de Dynamis het verlangen aansporen. De Geesten van de Harmonie (zo kenmerkt Rudolf Steiner de Cherubim in zijn “De wetenschap van de geheimen der ziel”)  geven het verlangen van de wezens de inhoud. Met betrekking tot de mensheid tonen zij het oerbeeld van de harmonische mens, de volmens. De mens is echter pas dan harmonisch, wanneer zijn vier wezensdelen samenklinken, wanneer de mens niet in een strijd- maar een bondgenootverhouding staat tot de astraal-, ether- en fysieke mens. In de taal van de oeroude occulte symboliek zou men zeggen: De harmonische mens heeft de “mens”, de “adelaar”, de “leeuw” en de “stier” in zichzelf in evenwicht. Hij heeft vier “aangezichten” – vooraan van de “mens”, achteraan van de “adelaar”, links van de “stier” en rechts van de “leeuw”.

Is echter de mens harmonisch, dan is hij rijp om een nog hogere toestand te bereiken – want de harmonisering is de voorwaarde voor de ingang van een hogere kracht. Opdat de geharmoniseerde mens tot liefdesmens worde, moeten de vier wezenskrachten van de mens de schouwplaats voor de geboorte van een vijfde wezenskracht opleveren.

Wanneer de Heilige Geest de harmonisering van de mens teweeg heeft gebracht, dan is het tijdpunt voor de geboorte van de Zoon aangekomen. Wanneer op Aarde een menselijk organisme voorhanden zal zijn dat het Cherubinische oerbeeld zal hebben verwerkelijkt, dan zal de Zoon, Christus op Aarde geboren worden. Opdat dit geschiedde, moet de geschiedenis van Israël – dat zag Ezechiël in – op een bepaalde manier voortgezet worden. En uit deze kennis, hoe ze voortgezet diende te worden, ontstond Ezechiël zijn missie.

Nu mocht de visioen van Ezechiël aan de rivier Chebar begrijpelijk worden, wanneer men de tekst openslaat en hem zin voor zin zou bestuderen.  Dit kan hier – vanwege ruimtegebrek – niet gedaan worden; maar de schrijver hoopt dat dit werk de lezer zelf  nu geen moeite meer zal bereiden. De lezer zal in staat zijn om elke zin van de schildering van de visioen van Ezechiël in samenhang te begrijpen, indien hij de basiswaarheden van deze openbaring heeft begrepen, namelijk dat Ezechiël de werkzaamheid van de Heilige Geest door de Cherubim, Dynamis en Angeloi schouwt, de werkzaamheid die de geboorte van de Zoon in een harmonisch menselijk organisme tot doel heeft. De geboorte van de Zoon betekent echter de vervulling van het verlangen van alle aardewezens – zowel van de mensheid alsook van de natuurrijken.

Aldus heeft de visioen van Ezechiël een betekenis als een van de meest waardevolle documenten van de mensheid, dat namelijk bepaalde inzichten in de werkzaamheid van de Heilige Geest bevat. Nu bestaat echter in verband met de voorafgaande overwegingen, namelijk in dat deel waar er sprake was van de verschillende wegen en verschillende kenniswijzen met betrekking tot de drie personen van de drie-eenheid, de vraag: Als er verschillende wegen en eigenschappen van de ziel noodzakelijk zijn om de Vader te erkennen, de Zoon te leren kennen en de Geest te bekennen, hoe komt de kennis van de drie-eenheid als eenheid tot stand? Is er een mogelijkheid om de ongedeelde wijsheid te ontvangen die niet slechts een samenstelling is van drie verschillende kennissen die op verschillende wegen samengekomen zijn, maar die een synthetische aanschouwing zouden beteken?

Deze vraag leidt ons tot de beschouwing van een belangrijk geestelijk feit van de Oudtestamentische geestgeschiedenis, namelijk tot de beschouwing van de wezenheid en werkzaamheid van Sophia.


2. De wezenheid en werkzaamheid van
Sophia in de Oudtestamentische geestgeschiedenis

Rudolf Steiner heeft ooit eens over de verschillende manieren van kennis van Christus Jezus in West-, Midden- en Oost-Europa gesproken, in die zin dat in het Westen namelijk alleen de mens Jezus van Nazareth gekend werd, in Midden-Europa daarentegen de Christusimpuls als een algemeen mythe vormende geestesstroming, terwijl in Oost-Europa het feit van het Godmensdom van Christus Jezus kon worden gekend. Daarbij noemde Rudolf Steiner drie persoonlijkheden als vertegenwoordigers van deze drie geestesrichtingen, namelijk Josef-Ernst Renan, David Friederich Strauss en Vladimir Solovjof. Deze uiteenzettingen van Rudolf Steiner betekenden voor de schrijver dezes een belangrijke aansporing om zich intensief met Vladimir Solovjov bezig te houden. Het resultaat van deze studie leidde hem tot de bekentenis dat hij nog nooit een in de tijd vóór Rudolf Steiner geschreven werk heeft leren kennen dat een dergelijk diepgaande en de wereldhistorische achtergrond omvattende kennis van de wezenheid en de missie van Christus Jezus behelst. Het boek bv. van Vladimir Solovjov “Twaalf voorlezingen over het Godmensdom” bevat het meest diepgaande en omvattende wat in de moderne begrippentaal over dit onderwerp door Rudolf Steiner is gezegd. Nu ontstond echter juist daardoor de vraag: Hoe kwam Solovjov tot deze onthutsende inzichten over de diepere geheimen van de Zoon, ja de Goddelijke drie-eenheid überhaupt?  Bestudeert men alle werken van Solovjov, dan vindt men eigenlijk geen weg, geen methode, die tot deze kennis zou kunnen leiden. Wel kan men zijn gedachten volgen en daardoor van hun waarheid overtuigd raken, maar hoe men tot nieuwe soortgelijke kennis kan komen, daarover geven de werken van Solovjov eigenlijk  geen uitsluitsel. Men heeft gewoon deze kennis of men heeft ze niet – dit is het antwoord die men op de bovengenoemde vraag uit de werken van Solovjov uiteindelijk krijgt. Maar er blijft daarbij toch de indruk bestaan dat Solovjov helemaal niet op de weg tot zijn kennis is gekomen, waarop hij ze voor anderen begrijpelijk maakt. De begrippentaal is voor hem alleen een taal; hij bericht in de vorm van kristalheldere logica over inzichten die niet op logische wegen tot stand zijn gekomen. Hoe zij tot stand zijn gekomen komt men niet te weten uit de werken maar uit de biografie van Solovjov. In zijn gedicht “Drie ontmoetingen”, waarin hij door eigen humor en grappen het heiligste en grootste van zijn leven tegen de kwaadspraak en spot van anderen beschermt, spreekt hij van drie bovenzinnelijke belevenissen die hij in de jaren 1862, 1875 en 1876 heeft gehad. De eerste belevenis had hij als knaap tijdens een Godsdienst in de Kerk. Daar verscheen voor hem de wezenheid die hij na veertien jaar anders beleefde, in de gestalte van de Moeder Gods. De tweede belevenis had hij in Londen, toen hij in het Britse Museum onderzoek deed naar bronnen voor bepaalde vragen uit de geestesgeschiedenis van de mensheid. Daar vernam hij het innerlijke woord dat hem naar Egypte verwees. In de eenzaamheid van de woestijn in Egypte had hij toen de derde en beslissende belevenis. Daar schouwde hij – en herkende hij gelijktijdig het geschouwde – de kosmische wezenheid van  Sophia als openbaring van de wijsheid van God. Deze belevenis was de ware bron van zijn “filosofie”;  zijn verder werk was slechts een worsteling om begripsvormen waarin de inhoud van het destijds geschouwde verteld kon worden.

Wat schouwde Solovjov in de woestijn van Egypte? Wie is Sophia?  Sophia is geen abstract begrip, ook geen mystiek-vrome stemmingstoestand, maar een concrete geestelijke wezenheid die als aartsengelwezenheid met een bijzondere opgave werkzaam is. Tot haar bijzondere opgave behoort ook de voortijdige door enkele individualiteiten gebeurende Manasopenbaring. Bij deze openbaring zijn uiteraard ook verschillende andere wezenheden betrokken, maar Sophia brengt diegene openbaring teweeg die de kennis van de eenheid van de drie-eenheid (ook de eenheid van de drie occultismen) mogelijk maakt. Ze betekent voor de mensen geen detailkennis op verschillende gebieden, maar de kennis van datgene waartoe alle detailkennis van betekenis is. Want detailkennis heeft uiteindelijk – in zover ze geen praktische taken dient – slechts de betekenis van letters om grote, kosmische geheimen van de drie-eenheid te lezen. De totaalkennis van de bouwgeheimen van de tempel van de wereld, waarvan de afzonderlijke stenen de detailkennis zijn, draagt Sophia over, die in de taal van de Bijbel als de “wijsheid van God” wordt gekenmerkt. Want het plan van de bouw was ja vóór de bouw vervat; de wijsheid was als geheel aanwezig eer wijsheidsvolle dingen en processen ontstonden. Dit spreekt Salomo, de bouwer van de tempel te Jeruzalem, uit doordat hij de wijsheid de woorden in de mond legt:
De HEER schiep mij aan het begin van zijn weg,
nog voor zijn werken, van oudsher.
Uit eeuwigheid ben ik gevormd,
vanaf het begin, voordat de aarde ontstond.
Ik ben al ontstaan toen er nog geen oceaan was,
toen er nog geen bronnen waren, rijk aan water […]
Ik was erbij toen Hij de hemel op zijn plaats zette,
toen Hij een boog spande over de oceaan,
en daarboven het machtige wolkengewelf zette;
toen Hij de geweldige bronnen van de oceaan maakte
en de zee haar grens gaf,
zodat het water zijn geboden niet overtrad,
en toen Hij de grondvesten van de aarde bouwde.
Ik stond als uitvoerster aan zijn zijde,
en ik was zijn vreugde, mij dag in dag uit
verheugend voor zijn aangezicht, steeds weer.” (Spreuken 8:22-30)
De wijsheid, “die haar huis bouwt en zeven zuilen heeft uitgehakt”, is voor Salomo een sprekende, bouwende wijsheid die een “bouwmeester bij God” is. Salomo vat haar derhalve niet louter op als een opsomming van kennis, maar als concrete geestelijke wezenheid. Het is dezelfde wijsheid waarvan Salomo spreekt en die Solovjov schouwde, namelijk de hiërarchische wezenheid die in de eerste eeuwen van de Christelijke jaartelling door de Gnostici als Sophia werd gekenmerkt. Het “Huis van Sophia” is voor de mensheid de totaalkennis van het bouwplan van de wereld, van de bedoelingen van de evolutie.

Dit “huis” ontmoeten we in de mysteriedrama’s van Rudolf Steiner in de “Bovenzinnelijke Tempel der Wijsheid”, het oord waarvan de grote impulsen der drie ingewijden Benedictus, Theodosius en Romanus uitgaan.

Deze “tempel” staat er sinds oertijden; het is het inwijdingsoord van de mensenzielen; want het “betreden” daarvan is niets anders dan de intuïtieve kennis van het grote kosmisch plan van de evolutie. Ingewijd zijn betekent niet alle dingen te hebben gekend – dit kan geen mens, ook geen wezen van de geestelijke hiërarchieën, maar het betekent de kennis in een gelijktijdige aanschouwing van de grote richtlijnen van de ontwikkelingsbewegingen aller dingen. Deze aanschouwing wordt door het uit lijnen der intuïtie bestaande bovenzinnelijk “gebouw” van de “Tempel der Wijsheid” mogelijk gemaakt. Het “gebouw van de tempel”- in zichtbare vormen voorgesteld – is een neerwaarts gerichte schaal waaruit zeven stromen van openbaringen stromen. De stromen zijn de “zuilen van de tempel” en de schaal is zijn “koepel”. De zeven “zuilen” van het “Huis der Wijsheid”, waarvan Salomo spreekt, zijn gelijktijdig zeven wegen of “methoden” van de opname der neerwaarts stromende inhoud van de schaal, d.w.z. de koepel.

Wat men onder logica begrijpt is in werkelijkheid een van deze stromen die van boven naar beneden is gericht. Bereikt deze stroom het zelfbewuste Ik-punt, dan ontstaat de gerechtvaardigde Aristotelische logica. Stuurt echter de mens de stroom der logica nog verder naar beneden, dan ontstaat – wanneer ze het punt der verteringsactiviteit heeft bereikt – ook een logica, maar een logica waar de maag en de belangen van de maag de logische conclusies trekken. Op deze weg ontstond bv. diegene logica die ten grondslag aan het Marxisme ligt. Wordt echter de logische stroom nog dieper naar beneden in het instinctleven ondergebracht, dan ontstaat die heel bijzondere logica die bv. in het Freudianisme tot uitdrukking komt.

De logica kan echter nog verder afdalen. Gebeurt dit, dan begint de mens een logica toe te passen die vanuit de onderaardse sferen haar richting krijgt. Ook deze logica kan een ijzere zijn – ook die kan geweldig overtuigend overkomen. Het is diegene logica  die door diegene mens wordt toegepast waarvan Rudolf Steiner in de “Drie voordrachten” (18, 19 en 25 november 1917, GA 178) spreekt.  

Dit zijn de etappen van datgene proces dat Rudolf Steiner in zijn voordrachtscyclus “Das Karma der Anthroposophischen Gesellschaft und der Inhalt der anthroposophischen Beweging” (Arnhem 18, 19 en 20 juli 1924, GA 240; vertaald in Karmaonderzoek 3) als “roof van de kosmische intelligentie door Ahriman” kenmerkt.  Bereikt de kosmische intelligentie (de harmonie van alle hiërarchieën, zoals Rudolf Steiner haar definieert) de voeten waardoor de krachten van de onderaardse sferen binnen de mens opstijgen, dan is de kosmische intelligentie, d.w.z. de “logica’ door Ahriman beroofd. Er denkt dan niet de mens zelf meer, maar Ahriman denkt dan door hem.

De tot het Ik-punt en dieper afgedaalde deel van de kosmische intelligentie is de “gevallen Sophia”, de “Sophia-Achamoth” van de Gnostici. De kuise Sophia verblijft echter nog steeds in de hoogten van de geestelijke werelden. Haar openbaringswerkzaamheid staat in de huidige tijd onder de bescherming van Michaël. Michaël is in die zin de “beheerder van de kosmische intelligentie” dat hij de omvattende openbaring van Sophia op zo’n manier stuurt dat ze door de beste krachten van de bewustzijnsziel van de mens opgenomen kan worden. Hij legt de brug tussen het Manaslicht en de bewustzijnsziel, doordat hij in het morele gehalte van de begripsopenbaringen wilssterkte inboezemt. Hij versterkt de wil van het denken; daardoor beschermt hij het denken tegen roof – want het is niet makkelijk om een andere wilsinhoud in een denken binnen te brengen dat door Michaël versterkt is.

In de Oudtestamentische tijd was Sophia eveneens werkzaam. Dit is niet alleen uit de bovengenoemde Spreuken van Salomo te ontnemen, maar ook namelijk uit de veel diepere feiten van de geboorte van Jezus van Nazareth die het doel van de Oudtestamentische geschiedenis is. De geboorte van de Nathanische Jezus was alleen mogelijk doordat er een bewustzijn van de betekenis van zijn geboorte was. Wat men als “onbevlekte ontvangenis” kenmerkt was een geboorte die niet door onbewuste krachten, maar door krachten van het bewustzijn werd veroorzaakt. Alleen waren het natuurlijk niet bewustzijnskrachten van het hoofd, maar van het hart die bij de moeder van de Nathanische Jezus op die wijze werkzaam waren. Het was een openbaring van Sophia die als openbaring van het hart in de moeder van Jezus aanwezig was.

Deze openbaring was reeds lang geleden voorbereid. Want naast de Ik-achtige openbaring van de profeten was er in Israël voortdurend een andere openbaringsstroom voorhanden. Het was de openbaringsstroom van het hart van de moeder en grootmoeder van de verwachte Messias. Want de Messias werd niet alleen profetisch voorspeld maar ook in de stille hartegronden kennend lief gehad en liefhebbend gekend. Deze liefdeskennis was geen onduidelijke – ze was een louter woordloze en zwijgende kennis, wat echter niet hetzelfde betekent als onzekerheid en onduidelijkheid. Want er kan een grote zekerheid en duidelijkheid van de hartekennis voorhanden zijn ook zonder het orgaan om deze kennis in woorden uit te drukken. Een zodanige woordloze, stomme kennis leefde door vele eeuwen heen naast de in woorden verkondigde kennis der profeten. Men moet zich eigenlijk naast het boek van het geschreven Oude Testament een ander, ongeschreven boek van de woordloze harte-openbaring van Sophia voorstellen. De stralende samenvatting van dit onzichtbaar boek leefde in het hart van Maria, terwijl de begripsmatige samenvatting van het geschreven boek aanwezig was in het bewustzijn van Jozef, die daarom in de traditionele kunst als “oude man” wordt uitgebeeld. In deze overlevering van de kunst leefde de juiste imaginatie van de wezenlijke grondeigenschap van het bewustzijn van Jozef als een zeer rijp bewustzijn dat de ervaringen van lange vervlogen tijden omvat.

In de gestalte van Jezus van Nazareth, die naar de doop in de Jordaan schreed, is de samenvatting en vervulling van het Oude Testament gegeven. Want deze gestalte is het resultaat van de werkzaamheid van alle krachten, stromingen en wezen die in deze Beschouwingen besproken of aangeduid werden. De werkzaamheid van Jahweh Elohim, de aartsengelwezenheid Jezus, de onschuldige zusterziel van Adam, de Eliaswezenheid, de grote Zarathoestra en zijn leerlingen, de Boeddha en ook Sophia had als resultaat de mens Jezus van Nazareth, die bij de doop in de Jordaan de wezenheid van Christus in zich kon opnemen. Daarom zal de volgende en laatste beschouwing over het Oude testament, die een samenvatting van het volledige werk dient te zijn, gewijd zijn aan de gestalte van Jezus van Nazareth vóór het moment van de doop in de Jordaan. Want het moment van de Jordaandoop vormt de grens tussen de Oudtestamentische en Nieuwtestamentische geschiedenis van de mensheid.  Alles wat daaraan voorafging behoort nog tot het Oudtestamentische gedeelte van de geschiedenis, alles wat daarop volgde behoort tot het Nieuwtestamentische tijdperk van de geschiedenis van de mensheid. Het is het ogenblik waar de levende samenvatting van een groot verleden de levende zaad van een grotere toekomst in zich opnam. Dit moment een stap dichterbij het begrip te brengen, zal nu de opgave van de volgende en laatste beschouwing zijn.

* * *


XII

Jezus van Nazareth


1. De afdaling van Christus en de Jezuswezenheid

Het Oude Testament is een document dat ons uitsluitsel geeft over de voorbereiding van de afdaling van de Christuswezenheid. Deze afdaling kan echter alleen begrepen worden, wanneer men haar van twee kanten beschouwt, want enerzijds staat voor ons de dit gebeuren voorbereidende, in horizontale richting verlopende stroom van de Oudtestamentische geschiedenis, anderzijds is het echter noodzakelijk om zich de in verticale richting afdalende weg van de Christuswezenheid naar de Aarde precies voor ogen te stellen. Want ook de afdaling van Christus was een weg die een reeks daden en offers betekende. Het was ja geen louter ruimtelijk gedacht zich-naderen tot de Aarde; elke stap in deze richting betekende de  intrede in een bewustzijnsfase die haar eigenheid opofferde om de Christus “ruimte” te bieden. Ook de laatste stap, de intrede in een menselijke wezenheid, kon alleen geschieden doordat het Ik van Zarathoestra afstand nam van zijn aanwezigheid binnen deze menselijke wezenheid.

Net zoals de mensheid de Christus enerzijds iets te bieden had waar hij leven en werken kon, en anderzijds een offer moest brengen om Hem ruimte te bieden, deden dat ook de geestelijke hiërarchieën. De “weg” die Christus aflegde toen Hij de Aarde naderde, bestond uit het opofferend aanbieden van wezensdelen en uit aftredend afstand nemen van de kant van bepaalde wezenheden van de geestelijke hiërarchieën.

Aldus gaf de Zon-Elohim Jahweh zijn zonnewerkzaamheid op en verliet hij de Zon om vanuit de Maansfeer te werken. Daardoor kon de hiërarchie der Elohim in de Zonnesfeer Christus opnemen. Doordat Jahweh afstand nam van zijn aandeel aan de geestelijke Zonneaura, gaf hij de Christuswezenheid de mogelijkheid om niet  alleen door de hiërarchie der Elohim te werken maar ook binnen die hiërarchie als zevende Elohim aanwezig te zijn. Hij stond Christus zijn “Zonnelichaam” af. Maar hij behield vanuit de Maan de verbinding met dit wezensdeel dat tot drager van Christus werd. Daardoor kon hij het Christuslicht vanuit de Zon ontvangen en het dieper in het Aardegebeuren binnen laten stralen. Dit was de verhouding van Jahweh tot Christus, toen bv. Mozes naar de ware “naam” van de werkzame God vroeg. Toen werd hem de naam “Ik ben het Ik-ben” meegedeeld, hetgeen de esoterische naam van Christus was. Want de uit de achtergronden werkzame was in waarheid Christus zelf.

Dit was de weg van Christus door de tweede hiërarchie; Zijn weg door de derde hiërarchie was eveneens door offer en afstand nemen mogelijk gemaakt. De tijdgeest zag af van de openbare werkzaamheid; hij “zweeg”. Dit zwijgen van de tijdgeest kwam met name daardoor tot uitdrukking dat er geen profeten meer ontstonden, geen orakel meer voorspellingen deed en de heilige mysteriën verstomden. Er lichtten ook geen nieuwe grote ideeën meer in de filosofie op, en er ontstonden geen grote werken van de kunst. Stil werd het in het volledige geestesleven van de mensheid; alleen het oude leefde voort – de openbaringsbronnen versaagden overal, behalve waar niet door bijzondere menselijke vaardigheden kennis van het geestelijke desondanks verkregen kon worden.         
 
Men zou kunnen zeggen: De geestelijke kant van de tijd stond stil; die werd toekomstloos. Er was alleen de geestelijke tegenwoordigheid. En doordat de tijdgeest afstand nam van zijn toekomstig werkzaamheid, werd de aanwezigheid van Christus in de tijdstroom mogelijk. Doordat de tijdgeest zijn  willen aar toekomst opgaf, kon Christus als mensheidstoekomst het tijdsgebeuren binnentreden. Zoals Jahweh zijn Zonnelichaam aan Christus opofferde, gaf de tijdgeest zijn “toekomstlichaam” (als opsomming van zijn toekomstwillen) aan Christus over. Daarom had de vierde cultuurperiode buiten de Christusimpuls om geen toekomst. De toekomstkracht was ins geheel alleen in de Christusimpuls voorhanden; alle mysteriekennis, alle filosofie en alle kunst waren – mits niet doordrongen van de Christusimpuls – aan de ondergang gewijd.

Dit is de grote les die de tragische gestalte van keizer Julian de Apostaat in de geschiedenis van het nageslacht heeft achtergelaten. Maar de reden van het tragische lot van Julian bestaat niet in zijn afschuw van de toenmalige vormen van het christendom en ook niet in zijn voorliefde van de vormen van het Hellenisme, maar in het diepere geestelijk feit dat er destijds geen mogelijkheid van continuïteit in de verhouding van het verleden tot de toekomst was. Wat de Grieks-Latijnse genius had geschapen, kon niet uit de krachten van deze genius voortgezet worden, hoewel zijn tijd nog lang niet afgelopen was, veeleer moesten de toekomstkrachten van deze genius bij een andere wezenheid worden gezocht – namelijk bij diegene geest die de Galliërs verkondigden. Aldus ging keizer Julian aan de opgave ten gronde om de toekomst in de zin van de tijdgeest van de Grieks-Latijnse tijd voort te zetten, daar de tijdgeest van dit tijdperk zelf van de voortzetting afstand genomen had om nieuwe, verticaal tot de lijn van de doorgaande ontwikkeling zich verhoudende impulsen toegang en heerschappij te verlenen.

Het afstand nemen door de Grieks-Latijnse tijdgeest van de voortzetting van zijn oorspronkelijke impuls verklaart niet alleen de tragiek van keizer Julian en vele andere mensen van die tijd, maar ook het beduidende feit van de geestesgeschiedenis van de mensheid dat de Grieks-Latijnse cultuur – in tegenstelling tot andere, deze voorafgegane culturen – zonder herhaling, dus eenmalig is. Zij is ook om die reden eenmalig, omdat haar tijdgeest – zoals men vandaag de dag te zeggen pleegt, de “geest der antieke beschaving” – haar toekomstwillen overgegeven heeft. De “Oudheid” kan zich nu eenmaal niet herhalen, omdat de “geest van de antieke beschaving” geen toekomst voor zichzelf heeft gewild.

Aldus werd voor Christus de poort in de derde hiërarchie geopend. De verdere afdaling van de Christuswezenheid maakten de offerdaden van een aartsengelwezenheid mogelijk die zich reeds driemaal in het verleden van de aardegeschiedenis aan Christus overgegeven heeft, waardoor de mensheid de grootste zegenwerkingen deelachtig kon worden. Doordat deze aartsengelwezenheid zich in het verleden driemaal aan Christus innerlijk overgaf om daarna in de engelhiërarchie neer te dalen, konden de grootste gevaren van de zondeval voor de mensheid afgewend worden. De werkzaamheid van Christus door de aarstengelwezenheid Jezus in de Lemurische tijd harmoniseerde de zintuigen van de mensen; destijds werkte Christus Jezus door Ik-krachten op het fysieke lichaam harmoniserend. Tijdens de eerste helft van de Atlantische tijd geschiedde de innerlijke doordringing met de Jezuswezenheid voor de tweede keer; toen harmoniseerde Christus Jezus de levensprocessen van het etherlichaam door krachten van het astraallichaam. In de tweede helft van de Atlantische tijd, toen de werkzame verbinding Christus-Jezus een derde keer plaatsvond, werd door krachten van het etherlichaam het astraallichaam van de mens geharmoniseerd, zodat de vaardigheid van het objectieve  spraakgebruik zich instellen kon. De vierde vereniging van de Jezuswezenheid met Christus geschiedde in Palestina negentien eeuwen geleden[1]. Die had tot taak nu ook het Ik vanuit het fysieke lichaam te harmoniseren. Daarom moest ditmaal de Christus-Jezuswezenheid in het fysieke lichaam geïncarneerd zijn.

Men zal de direct voorafgaande zinnen – voor zover ze de telkens plaatsvindende werkingssoort van Christus Jezus betreffen – beter begrijpen kunnen, wanneer men zich van de feitelijke toestand bewust wordt dat de wakkere mens eigenlijk een tweeheid is: Het in het fysieke lichaam tegenwoordige Ik vormt het ene deel van de mens dat men normaliter als het “bewuste” pleegt te kenmerken, en het andere deel vormt het in het etherlichaam werkende astraallichaam; deze verbinding wordt normaliter als het “onbewuste” gekenmerkt. Daaruit resulteert de volgende schematische tekening die echter zeer geëigend is om tot op een zekere hoogte uitsluitsel te geven over de verschillende werkingssoorten van Christus Jezus bij zijn viervoudig ingrepen in het lot van de mensheid. 


Aan dit schema is ook in te zien dat de harmonisering van het Ik, d.w.z. de metamorfose van het waakbewuste Ik vanuit een scheidende wezenheid in een verbindende wezenheid alleen binnen het fysieke lichaam kon geschieden. Daarom was de incarnatie van Christus Jezus voor deze missie noodzakelijk en werd die ook lange tijden verwacht en voorbereid – wat immers de zin van het Oude Testament is.

Nu leiden de voorafgaande, inleidende overwegingen direct naar de wezenheid van Jezus als de wezenheid van de derde hiërarchie, die sinds oertijden Christus de mogelijk heeft gegeven om op de vierde hiërarchie, d.w.z. de mensheid, in te werken. Hier stelt zich nu als eerste de vraag: Dat de aartsengelwezenheid Jezus de toegang tot de derde hiërarchie tot aan de engelfase voor Christus mogelijk maakte, kan wel begrijpelijk zijn; dat zij echter voor Hem gelijktijdig een grotere mogelijkheid betekende om in te grijpen in het lot van de vierde hiërarchie is aan de voorafgaande overwegingen nog niet in te zien. Waarom kon Christus meer voor het lot van de mensheid doen, indien Hij met Jezus in verbinding was dan zonder deze verbintenis? Wat is de bijzondere verhouding van de Jezuswezenheid tot de mensheid?

Om deze vraag te beantwoorden moet diegene schakel, waardoor de Jezuswezenheid met de mensheid in heel bijzondere verbinding stond, namelijk de onschuldige zusterziel van Adam, nader beschouwd worden.


2.     De Jezuswezenheid en de onschuldige zusterziel van Adam

In zijn “Wetenschap van de geheimen der ziel” spreekt Rudolf Steiner van de verscheiden, innerlijke gesteldheid van de menselijke zielen en hun verscheidene wegen in de kosmos rond de tijd van de gebeurtenis die in de Bijbel als “zondeval” wordt geschilderd. Destijds moesten de menselijke zielen die niet sterk genoeg waren om zich in de veranderde aardeverhoudingen te incarneren, de Aarde verlaten en op andere planeten gaan “trekken”. Aldus ontstonden zeven lotsgemeenschappen van zielen, waarvan alleen de Zonnemensen de kracht hadden om op Aarde te verblijven. Nu waren deze Zonnemensen gelijktijdig innerlijk op zo’n manier uitgerust dat ze de eenzijdige aanleg van de mensengroepen die naar de buitenplaneten trokken alsook van de mensengroepen die naar de binnenplaneten trokken  in een bepaald evenwicht bezaten. Daardoor konden ze in de tijd dat het lot van de gehele mensheid in een beslissen fase was beland, als vertegenwoordigers van de gehele mensheid gelden. En toen het meest kritieke punt van deze kritische tijd was bereikt, waarin ook van de zonnemensen alleen het sterkste paar, dat de Bijbel Adam en Eva  noemt, op Aarde kon verblijven, toen vertegenwoordigde dit paar noodlottig de gehele mensheid. De veranderingen die bij het astraal-, ether- en fysieke lichaam van dit paar door de zondeval optraden, betroffen de gehele mensheid en vormden het begin, het oerkarma van de mensheid dat de Bijbel als “erfzonde” kenmerkt.

Nu is echter de zondeval slechts de ene kant van het gebeuren. Er was ook een andere kant die daarin bestond dat, terwijl de wezensdelen van het de mensheid vertegenwoordigende paar “vielen”, d.w.z. het kwaad in zich opnamen, andere wezensdelen ervan gelijktijdig “verheven” werden, d.w.z. zich met bepaalde wezenheden van de geestelijke hiërarchieën verbonden. Deze wezensdelen zijn de op de oude Saturnus in het fysieke lichaam ingeplante kiem van de geestmens (Atma), de op de oude Zon geschapen, de levensgeest dragende (Buddhi) van het etherlichaam en het op de oude Maan tot Manasdrager omgevormde deel van het astraallichaam. Het Atma-organisme van het fysieke lichaam, het Buddhi-organisme van het etherlichaam en het Manas-organisme van het astraallichaam werden bij de zondeval “in bescherming genomen”, terwijl de overige organismen van de drie lichamen ten prooi aan de val werden gegeven.

Het gehele gebeuren van de zondeval was derhalve tweevoudig: Het “vallen” van de drie menselijke wezensdelen  was door het “verheffen” van drie wezensdelen begeleid.  Men zou ook beeldend kunnen zeggen: Wanneer een eenheid vormend lichaam vlam vat, dan vormen zich enerzijds rook, damp en as, anderzijds de opstijgende vlam met zijn licht en warmte. Naast de “rook” van het gevallen astraallichaam, de “damp” van het gevallen etherlichaam en de “as” van het mineraal-wordende fysieke lichaam, verhieven zich de “onschuldige wilswarmtewezenheid van de oude Saturnus, de lichtwezenheid van de oude Zon en de levende Pinkstervlamwezenheid van de Manas in hogere gebieden. Daar werden ze “in bescherming” genomen en voor de toekomst “bewaard”, d.w.z. ze werden daar door hogere geestelijke wezenheden opgenomen. De onschuldige astralische wezenheid van Eva werd door diegene geestwezenheid opgenomen die in Egypte als de Godin Isis vereerd werd en die in de christelijke kerk als de hemelse koningin, de Moeder Gods, tegenwoordig nog vereerd wordt. In de voorafgaande (XI.) beschouwing kwam zij als Sophia ter sprake.

De “onschuldige” etherische wezenheid van Adam werd door de aartsengelwezenheid Jezus opgenomen, die eveneens onder verscheidene namen en gestalten sinds oeroude tijden gekend en vereerd werd.

De “onschuldige” fysieke wezenheid van de mens werd nog hoger verheven en opgenomen door een hogere wezenheid die boven Jezus en Sofia staat. Dit vóór de zondeval bewaard fysiek lichaam, dat Rudolf Steiner in de voordrachtscyclus “Van Jezus tot Christus” (GA 131) als “fantoom” kenmerkt, werd door de hoogste Elohim zelf bij Zijn incarnatie in Palestina aan de mensheid teruggeven. Het is het “opstandingslichaam van de nieuwe Adam” om een uitdrukkingswijze van Paulus te gebruiken.

De zondeval bestaat derhalve niet alleen uit de verduistering van het astrale, etherische en fysieke organisme van de mens, maar ook daaruit dat het Manas-, Buddhi- en Atmaprincipe van de mensheid uit de fysieke in de bovenzinnelijke wereld verheven en daarbij de mensheid ontnomen werd. Dit “ontnemen” is echter slechts een  tijdelijke bewaringsmaatregel voor de toekomst. Want indien bv. de kuise Buddhi-wezenheid echter van slechts een mens voor de toekomst bewaard blijft, dan betekent dit dat de kuise Buddhi-wezenheid van de gehele mensheid bewaard is gebleven tot het ogenblik dat de aardeverhoudingen voor de Buddhi-openbaring voorbereid zullen zijn. Want het geestelijke kan doorgegeven worden, mits het maar voorhanden en kuis gebleven is. Evenmin dat een mens, die gedachten overdraagt, daardoor arm in gedachten wordt, hoewel de gedachten tot het wezenlijk bezit van andere mensen worden, evenmin wordt de levensgeest (Buddhi) uitgeput doordat hij andere mensen geestelijk leven of levendige geest overdraagt.

De onschuldige zusterziel van Adam, die voor aardse incarnaties tot aan het tijdpunt van de geboorte van de Nathanische Jezus in Palestina bewaard werd, is derhalve niet alleen een individuele wezenheid, maar ook de individuele wezenheid van het Buddhi-principe van de mensheid. Deze wezenheid vormde bij het herhaald ingrijpen van Christus in het lot van de mensheid tijdens de Lemurische, Atlantische en na-Atlantische tijd de schakel tussen de mensheid en het werkingsorgaan op de mensheid voor de Jezuswezenheid, die zich enerzijds met de zusterziel van Adam verbond, anderzijds zichzelf echter innerlijk aan Christus overgaf.

Aldus luidt nu het antwoord op de vraag naar de bijzondere relatie van de Jezuswezenheid tot de mensheid als volgt: De mogelijkheid die de Jezuswezenheid bezat om verscheidene gevolgen van de zondeval te genezen, was haar enge verbinding met de zusterziel van Adam, die de kuise levensgeest van de mensheid vertegenwoordigde. De herhaalde harmonisering van het gevallen menselijke organisme was mogelijk vanwege het feit dat de krachten van de niet-gevallen levensgeest van de mensheid door Christus Jezus als heilmiddelen gebruikt konden worden, doordat die het verbindingskanaal vormden waardoor Christus binnen het menselijke lot werkzaam kon zijn.


3.     De Jezuswezenheid en de Nathanische Jezus

Als nu Christus in Zijn afdaling door de derde hiërarchie als opsomming van de offersdaden van de Grieks-Latijnse tijdgeest en de Jezuswezenheid (in samenwerking met Sophia) begrepen kan worden, dan stelt zich natuurlijk de vraag naar datgene deel van de weg van Zijn afdaling dat Hem in de menselijke wezenheid binnenleidde.

Om deze vraag te beantwoorden is het noodzakelijk om zich ervan bewust te maken dat de menselijke wezenheid twee delen bezit, die als ingangspoorten kunnen fungeren. De ene kant is de lichamelijkheid, d.w.z. het fysiek, ether- en astraallichaam, en de andere kant de geestelijkheid, d.w.z. de Atma-, Buddhi- en Manaswezenheid. In het midden, in het brandpunt van het Ik, staat het mensdom als zodanig waar de beide poorten naartoe leiden. De indrukken bereiken het Ik door de buitenpoort van de lichamelijkheid; de morele intuïties daarentegen bereiken het Ik door de binnenpoort van de geestelijkheid. Hoe die verbinding van beide stromen door de activiteit van het menselijke Ik voor het gebied van de kennis en het handelen tot stand komt, heeft Rudolf Steiner in zijn “Filosofie van de Vrijheid” (GA 4) opgetekend.

Als men de menselijke wezenheid opvat zoals ze in de “Filosofie van de vrijheid” wordt opgevat, dan zal men inzien dat de intrede van Christus in de menselijke wezenheid door de “innerlijke poort” geschiedde, d.w.z. niet als “uiterlijke gebeurtenis”, maar als hoogste morele intuïtie. Met andere woorden: de weg die Christus aflegde om bij de Jordaandoop het Ik-organisme van Jezus van Nazareth in bezit te nemen, leidde door Atma, Buddhi en Manas, maar niet door het fysieke, ether- en astraallichaam. In de taal van de Bijbel zou men ook kunnen zeggen: in de Jordaandoop vond een “doop met geest en vuur” plaats als aanvulling op de “doop met water” door Johannes. Destijds vond in het groot hetzelfde wat Rudolf Steiner over het kenproces in de “Filosofie van de vrijheid” schildert als de verbinding van de waarneming van buiten met de intuïtie van binnen. Men zal de diep christelijke inhoud van de “Filosofie van de vrijheid” uit de Jordaandoop kunnen begrijpen, men zal anderzijds nauwelijks de Jordaandoop ondogmatisch kunnen begrijpen, indien men niet voorheen alle hoeken en gaten van zijn denken en gewaarworden aan de hand van de “Filosofie van de vrijheid” gelouterd heeft.

De afdaling van Christus in de menselijke wezenheid geschiedde derhalve op de weg door Atma, Buddhi en Manas, d.w.z. Zijn weg leidde Hem allereerst naar de innerlijke verbinding met het “fantoom” oftewel de “Saturniaanse mens”, vervolgens met het onschuldige Zonnewezen van de mens en eindelijk met diens kuise Maanwezen – eer Hij het Ik-organisme van de mens in bezit kon nemen. Pas na het innemen van het Ik-organisme geschiedde de doordringing van de drie lichamen door Christus: na de Jordaandoop vonden de drie verzoekingen in de woestijn plaats.

Dit feit neemt de schijnbare tegenstelling weg die gevonden kan worden, wanneer men een reeks voordrachten van Rudolf Steiner samenstelt, namelijk dat Christus tijdens de Jordaandoop tot in het skeletsysteem van het lichaam werkzaam was, dat Hij echter pas bij de verzoeking in de woestijn in de drie lichaam trok, ja, dat Hij pas tijdens het Gethsemane uur zich volledig in het fysieke lichaam incarneerde. Deze tegenstelling blijkt nu eenmaal een schijnbare, wanneer men zich van het feit bewust wordt, dat wat men “fysiek lichaam” als zodanig noemt, twee kanten heeft: namelijk het krachtensysteem van de geestmens (Atma) en het krachtensysteem van het stoffelijk fysieke lichaam.  

Over de eerste kant van het fysieke lichaam spreekt Rudolf Steiner in verband met de doop in de Jordaan . Over de andere kant spreekt hij in verband met de Gethsemane-gebeurtenis.

Aan de hoogste intuïtie waardoor Christus in de menselijke wezenheid kon binnentreden, ging de omvattendste  waarneming van het noodlot van de mensheid vooraf. Doordat Jezus van Nazareth vóór de Jordaandoop het versagen van alle wegen van de mensheid, die in het verleden begaan werden, en het onvermijdelijke verval van het mysteriewezen ondervond, werd deze geweldige waarneming tot de vraag waarop de afdaling van de Christuswezenheid het antwoord was.

Waarom kon Jezus van Nazareth het lot van de mensheid op een zodanige manier beleven dat dit beleven de afdaling van de heilende wezenheid met zich mee bracht?

Omdat Hij in zich enerzijds de omvattende ervaring van het Zarathoestra-Ik droeg, anderzijds echter in Zijn lichamelijkheid het geweten van de mensheid en de derde hiërarchie verenigde. Dat het geweten in Zijn lichamelijkheid leefde, betekent de hoogste ontplooiing van de gewetenheid. Want de gewetenheid is niet op het moment volkomen dat ze zich bij het overleggen en afwegen kenbaar maakt, maar wanneer de lichamelijkheid zelf zich evenzo naar het geweten richt als de plant zich naar de Zon richt. De plant “overlegt” en “weegt” niet “af”, die doet haar bladeren naar het Zonlicht toe groeien. Aldus verlangde het gehele psychisch-fysieke organisme van Jezus van Nazareth naar het geweten van de wereld, naar de Christuszon.

Zijn astraallichaam behield in zich de innerlijke roerselen die de hiërarchische wezenheid Jezus bij haar vorige verbindingen met Christus daarin te weeg had gebracht. Het bestond uit de tot zielsmatige lichamelijkheid verdichtte Inspiratie van de aartsengel Jezus, die driemaal in het verleden door Christus was doordrongen. De levende nawerkingen van dit vroeger doordrongen-zijn maakten het astraallichaam van Jezus van Nazareth tot een “lichaam van het verlangen naar Christus”. Anderzijds was dit lichaam – eveneens ten gevolg van zijn betrokkenheid bij de vroegere heilwerkingen van Christus op de mensheid – in zijn geheel organisme een volkomen deelname aan alle lotgevallen van de mensheid. Men zou ook kunnen zeggen:  Het astraallichaam van Jezus van Nazareth was in zijn opwaarts gerichte stromingen mensheidsverlangen en in zijn neerwaarts gerichte stromingen mensheidssmart.

Er zou geen fysiek organisme drager van dit astraallichaam hebben kunnen zijn, indien het Ik dat daarin leefde niet de buitengewoon sterke middelpuntvliedende kracht zou hebben gehad en indien zijn bovenmenselijke vaardigheid om diep geraakt te worden niet door een tegenwerkende kracht weer in evenwicht gebracht zou zijn geworden. Doordat het Zarathoestra-Ik een wijsheidsvolle richting  aan de ongelooflijk krachtvolle verlangens van de Nathanische Jezus kon geven, kon het fysieke organisme deze verlangens verdragen, doordat de Boeddha-wezenheid in het astraallichaam van de Nathanische Jezus binnen straalde. Doordat de Boeddha-wezenheid in het astraallichaam van de Nathanische Jezus binnen straalde, stroomde de verzachtende rust van de Boeddha het ongelooflijk roerige zielenleven binnen. De invloed van de kalmte van Boeddha behoedde het fysieke organisme voor vernietiging door ontsteking vanwege buitensporig veel pijn; de concentrerende kracht van Zarathoestra behoedde het voor verstarring vanwege een buitensporig diep verlangen. Aldus verbond de astrale wezenheid van de Nathanische Jezus in zich de denkbaar grootste vaardigheid van extase, d.w.z. het zich-uitweiden in zuiverste overgave, met de grootste vaardigheid van enstase, [2] d.w.z. het concentrisch rusten in zichzelf. De eerste vaardigheid maakte het doorstaan van de beproeving van de Jordaandoop mogelijk, d.w.z. de opname van de kosmische wezenheid van Christus, de andere bewees haar kracht namelijk gauw daarna bij de verzoeking in de woestijn.

Het etherlichaam van Jezus van Nazareth was de drager van de onschuldige levensgeestwezenheid van de zusterziel van Adam, hetgeen zich namelijk daarin uitte dat jeugdkrachten alle zielenroerselen van Jezus – alsmede de mensheid – de frisheid van de eerste dag van de schepping verleenden. Wanneer hij sprak, dan sprak hij op zo’n manier als alleen het kinderlijkste kind kan spreken, wanneer het de rijpste wijsheid van duizenden jaren gelijktijdig bezit. In Hem straalde de wijsheid van de grote Zarathoestra in alle jeugdige frisheid zonder enige vermoeidheid, zonder alle wonden van de ontelbare teleurstellingen, zonder alle zwaarmoedigheid die deze ziel op haar wegen moest mee- en doormaken die haar tot wijsheid leidde. Ervaring geeft wijsheid, maar is vermoeiend – ook de zielen worden er moe van. Aldus droeg de ziel van Zarathoestra sinds oertijden van de aardegeschiedenis ervaring in zich. Deze ervaring gaf zij aan een ziel over die geen aardervaring had. Daardoor ontstond de wonderbaarlijke verbinding van rijpste wijsheid met kinderlijkste gemoed. Er ontstond een mens die op zo’n manier kon spreken, dat hij niet louter de waarheid sprak, maar die op zo’n manier uitsprak dat ze met het leven van de eerste dag van de schepping opleefde. Wereldmorgenrood leefde in de grote samenvattingen van de menselijke lotgevallen wanneer hij ’s avonds sprak – in de periode die aan de Jordaandoop voorafging.

Deze wonderbaarlijke wijsheid leefde in een fysiek lichaam dat sinds oertijden voorbereid was om haar op te kunnen nemen. Deze voorbereiding bestond uit velerlei dingen, maar ze bestond ook daarin dat de erfelijkheidskrachten zodanig geleid werden dat ze het positieve van het menselijke verleden  bewaarden. De erfelijkheid werd op een zodanige wijze toegepast dat ze de intenties van de geestelijke leiding diende. Ze was deze intenties dienstbaar doordat een aantal individualiteiten  in een afstammingslijn zich steeds weer incarneerden en daardoor door vele generaties heen het positieve vererfden, het negatieve echter door inspanning en arbeid uitroeiden. Aldus ontstond een lijn van positieve erfelijkheid die tot “Adam”, “tot God”, zoals die het Lucas-Evangelie schildert, leidde. Het Goddelijke dat ten tijde van Adam vormend in het lichaam werkzaam was, dat kon ook in het leven van de Nathanische Jezus werkzaam zijn – dit is wat het Lucas-Evangelie zegt.

Nu was echter de geestelijke wezenheid die het goede in de erfelijkheid bewaarde en verder ontwikkelde, de wezenheid Jahweh-Elohim. Sinds het moment dat Melchisedek het oergoede door Abraham weergaf aan de erfelijkheidsstroom, was Jahweh-Elohim die macht (Exousia) die dit oergoede van generatie tot generatie bewaarde en bevorderde. In het fysieke lichaam van de Nathanische Jezus bereikte het zijn hoogste ontplooiing. Dit uitte zich namelijk in een kenmerkende eigenschap van het fysieke lichaam van Jezus, die men niet anders benoemen kan dan “hoogste plasticiteit ten opzichte van het zielsmatig-geestelijke”. Deze plasticiteit ging zo ver dat men überhaupt niet van een bepaald, vaststaand uiterlijk van Jezus spreken kon. Want zijn uiterlijk was een zodanig volkomen spiegelbeeld van de ziel, dat men niet van “Jezus” überhaupt, maar alleen bv. van “Jezus van de pijn”, “Jezus van het medelijden”, “Jezus van de aandacht”, “Jezus van de wijsheid”, etc. zou mogen spreken, als men van zijn uiterlijk wilde spreken.

Maar deze eigenschap was niet beperkt tot de uitdrukkingskracht van het aangezicht en de gestalte. Deze reikte tot diep in de innerlijk organisatie van het lichaam. Aldus had deze organisatie eigenlijk niets mechanisch. Men zou ja dit vandaag de dag als een groot nadeel ervaren, in een tijd waarin men “de sterke man” boven alles waardeert en bewondert. Jezus was echter fysiek het tegendeel van de “sterke man” van vandaag.  Toen Hij het kruis moest dragen, kon Hij het niet. Hij was er te zwak voor. Zijn “sterkte” en Zijn “zwakte” hingen helemaal niet van de spieren af, maar van de zielsgesteldheid. Hij was “lichamelijk” sterk, wanneer het zielsmatig-geestelijke in hem ontvlamde. Hij was lichamelijk zwak, wanneer haat en blindheid van de mensen hem bedrukten. En toch had hij het gezondste lichaam van de mensheid; ja, het was het eerste werkelijk gezonde lichaam. Alleen moet men daarbij “gezondheid” en “sterkte” anders opvatten als men het vandaag de dag pleegt te doen. Want tegenwoordig verstaat men onder lichamelijke gezondheid diens grootst mogelijke benadering aan de dierlijke toestand. Wil men echter begrijpen wat menselijke gezondheid betekent, dan moet men die in de richting van de volkomenheid van het lichaam als uitdrukkings- en werkingsmiddel van de ziel en geest zoeken, niet echter in de concurrentie met de dieren. Want het is niet de opgave van de mens om een betere musculatuur te bezitten dan de leeuw of de stier; veeleer is zijn opgave ware vermenselijking van het menselijke lichaam en leven te verwerkelijken.

Aldus had de Nathanische Jezus een fysiek organisme dat als liefde-organisme gekenmerkt kan worden, in tegenstelling tot het krachtpatserorganisme dat terug naar de Centaur tendeert.

Nu is echter het wezensorganisme van de Nathanische Jezus nog niet uitputtend gekarakteriseerd doordat zijn astraal,- ether- en fysiek lichaam beschouwd werden.  Want tot het wezensorganisme van elk geïncarneerd mens behoort nog iets wat dit wezen evenzo omhult als zijn lichamen het omhullen. Elk geïncarneerd mens brengt namelijk nog een soort “lichaam” mee, dat men als “karmisch omhulsel” zou kunnen kenmerken. De krachten en de wezenheden die het karmische omhulsel van een mens vormen, kunnen zeer verschillend zijn. Men zal desondanks het wezenlijke van de voorstelling “karmisch omhulsel” raken wanneer men zegt: Het karmische omhulsel is de door het verleden karma bepaalde werkingsmogelijkheid voor buitenmenselijke wezenheden in de omgeving van de betreffende mens.

Nu gaat het echter bij de Nathanische Jezus om een uitzonderingsgeval. De Nathanische Jezus had namelijk geen individueel menselijk karma uit het verleden. Daarom was zijn “karmisch omhulsel” totaal verschillend van de karmische omhulsels van andere mensen. Het was niet omgeven door een individueel karmische omhulsel (omdat hij geen verleden individueel karma had), maar door het karmische omhulsel van de mensheid. Dit had echter de betekenis dat de omvattendste impulsen van menselijke reikwijdte, gedragen van geestelijke wezenheden die deze het zuiverste vertegenwoordigden, in zijn omgeving werkzaam waren. Er werkten in zijn omgeving drie beduidende impulsen die de Christus het pad in hem effenden. Deze impulsen uitten zich in de eenvoudige vorm van “inzicht”, “offermoed” en “boetedoening”. Paulus heeft later de reikwijdte van deze impulsen begrepen en kenmerkte ze – zoals ze door de tegenwoordigheid van Christus gemetamorfoseerd werden – als “geloof”, “liefde“ en “hoop”.

Achter datgene wat nu op zo’n schijnbaar eenvoudige manier gekenmerkt kan worden stonden in werkelijkheid bepaalde geestelijke wezenheden, die de omvattendste impulsen van de mensheid representeerden. Aldus was in het astrale moederomhulsel dat het Jezuskind omhulde de wezenheid van Sophia werkzaam, de bode van de totaalkennis. Zij was toen later in zijn omgeving werkzaam door processen, die hier niet mogelijk zijn om te beschrijven, tot het moment van de doop in de Jordaan  en daarna verder tot het doodsuur aan het kruis. Het “geloof” dat Christus Jezus in zijn omgeving kon vinden was de werking van Sophia – en de onverstoorbare zekerheid die de Pinkstervlammenkennis in de zielen van de discipelen achterliet, werd eveneens door de medewerking van de Sophia-wezenheid verwerkelijkt.

Achter de “offermoed”, die Christus Jezus voor de verwerkelijking van Zijn missie absoluut nodig had, stond een andere geestelijke wezenheid. Het was die geestelijke wezenheid, wier astrale wezensdeel Jezus in zich droeg, terwijl haar Ik-wezenheid aanvankelijk door Johannes de Doper werkte. De krachten van de hiërarchische wezenheid van Jezus werkten verdeeld op het innerlijke leven van Jezus van Nazareth en op zijn omgeving: buiten waren de Ik-krachten werkzaam, innerlijk waren de astrale krachten. De liefdesband die mensen in de omgeving met Jezus verbond  was een reële wezenheid die zich in stukken verdeelde, opdat in de omgeving en in Jezus een gemeenschappelijke verwantschap werkzaam was. Wat de leerlingen van Johannes de Doper met Jezus van Nazareth verbond, was de hiërarchische Jezuswezenheid die Ik-achtig in de Doper en astral in Jezus aanwezig was. Daarom was ook de overgang van de leerlingen van Johannes naar Christus zo natuurlijk: in Hem werden ze de ziel van de Doper gewaar.

Na de dood van de Doper werkte het Ik van de hiërarchische Jezuswezenheid verder in op de omgeving van Christus Jezus.

Nu was echter na de dood van de Doper niet alleen de Jezuswezenheid werkzaam. In de VII. beschouwing werd getracht de bijzondere manier op te tekenen, hoe de Eliaswezenheid met name in de woordwerking van de Doper werkzaam was. Zij was de geestelijke wezenheid die achter de “boete”-krachten in de omgeving van Jezus stond. Zij werd na de dood van de Doper tot groepsziel van de discipelenkring van Christus Jezus. Want de grote  metamorfose die de discipelen door moesten maken, kon alleen gebeuren vanuit een hen allen gemeenschappelijke gezindheid van het streven naar “metanoia”, mentaliteitsverandering. Achter deze gezindheid die de ziel van de discipelenkring was stond echter de Eliaswezenheid. Zij had de opgave de discipelen zo wakker te houden dat ze bereid waren om het gisteren bereikte, vandaag als onvolkomen in te zien en te overwinnen. De vraag of deze taak wel of niet vervuld kon worden, behoort tot de vragen die pas in de “Beschouwingen over het Nieuwe Testament” behandeld kunnen worden. Hier voldoet het om de opgave van de Eliaswezenheid aan te duiden en daarmee op het feit te wijzen dat het karmische omhulsel van Jezus van Nazareth, naast de werkzaamheid van Sophia en de Jezuswezenheid ook de werkzaamheid van de Eliaswezenheid omvatte.

Aldus werkten de omvattendste impulsen van de mensheid in het “karmische omhulsel” van Jezus van Nazareth, dat het karmische omhulsel van de algemene mensheid was. Aldus werkte stralend Sophia, verwarmend de Jezuswezenheid en opwekkend de Eliaswezenheid daarop in. Zij werkten samen op verscheidene wijze, desondanks zodanig dat ze de “paden voor Christus effenden”. Sophia was werkzaam op de wijze dat de Heilige Geest in de kosmos werkzaam is. De werkingssoort van de Jezuswezenheid kwam het meest overeen met de wezenheid van Christus zelf, d.w.z. van de kosmische wezenheid van de Zoon – en de Eliaswezenheid werkte in de eigenschap als vertegenwoordiger van het Vaderprincipe.  Er kan derhalve gezegd worden: Het “karmische omhulsel” van Jezus van Nazareth bestond uit de werkzaamheid van de eeuwige triniteit, die door drie bepaalde wezenheden de omgeving van Christus Jezus voor Zijn woorden en daden ontvankelijk maakte.


4.     Jezus van Nazareth als kelk van Christus

Wil men nu al het voorafgaande samenvatten om de volledige gestalte van Jezus van Nazareth waarvan er sprake was te leren kennen, dan kan men het alleen doen, wanneer men het als kelk voor de afdalende Christus beschouwt. Want de opgave om Christus op te nemen was datgene wat de menigvuldigheid van krachten in Jezus tot een eenheid smeedde. De oorsprongen van deze krachten waren verscheiden, maar ze vonden elkaar alle als eenheid samen in de opgave om de kelk van Christus te vormen. Dit was het vrije besluit van de Zarathoestra-Ik die voor dit doel introk in de wezenheid van de twaalfjarige Nathanische Jezus en die voor dit doel haar bij de Jordaandoop verliet, het Ik-organisme overlatend aan Christus. Dit was ook het verlangen van het astraallichaam, waarin de oeroude overgave van de aartsengelwezenheid Jezus aan Christus leefde, waarin de stralen van Boeddha als van de leraar van wijsheid, medelijden en liefde op de levende wezenheid van medelijden en liefde in hartenhelderheid wijzen. Dit was ook de diepe innerlijke levensnoodzakelijkheid van de in het etherlichaam aanwezige onschuldige  zusterziel van Adam. Het onschuldige zonnewezen had de leidende wezenheid van de Zon lief met al haar wezenskrachten. Dit was ook de taal van het door vele generaties vergeestelijkte bloed, waarin de grote impulsen van de gehele Jahweh-traditie werkzaam waren.

Geen deel van de Jezuswezenheid beleefde enige vorm van dwang, vrijelijk streefden alle kanten van haar wezen naar vereniging met Christus. Want de leidende wezenheid van alle liefde ter wereld kon van niets dwangmatigs gebruik maken. Ook niet van een fysiek lichaam dat niet bereid was zich uit zijn eigen drijfveren over te geven. En dit was het meest wonderbaarlijkste aan de wezenheid van Jezus van Nazareth, dat al zijn wezensdelen vrijelijk Christus opnamen. Dat een dergelijke wezenheid kon ontstaan, daartoe was de gehele voorbereiding van het Oude Testament noodzakelijk. Dit was en is de opgave van het ware eugenetisch occultisme: de vrije mens.

Waar Goethe in zijn “Sprookje van de witte lelie en de groene slang” in beelden over sprak, waar Schiller in zijn “Esthetische brieven” in begrippentaal over sprak, wat als tragisch lotsprobleem door Leo Tolstoi voor de mensheid werd geplaatst –   dat is het probleem dat door de Jezuswezenheid als levende realiteit opgelost werd.

Wat was de werkelijke inhoud van de waardromen van Goethe, van de idealen van Schiller, van de levenstragedie van Tolstoi? Jezus van Nazareth was het – als wezenheid, waarbij het lichaam de hartelijkheid en waarheid niet weersprak, en de hartelijkheid waar was, de waarheid hartelijk en de hartelijke waarheid door vlees en bloed des te krachtiger en warmer tot uitdrukking kwam. – Het is onmogelijk om Jezus van Nazareth niet lief te hebben, wanneer men zijn wezenheid in het kennislicht beschouwd. Want Hij is de verwerkelijking van datgene waar al het betere, al het gezonde aan lichaam, ziel en geest van de mens naar verlangt.

De heerschappij van de geest over ziel en lichaam van de mens zal toch nooit op den duur bevredigend zijn; want alle “ascese” van de geest ten opzichte van het lichaam is innerlijk cynisch en alle “ascese” van de geest ten opzichte van de ziel is innerlijke gruwelijkheid. Wie “alleen de waarheid” als een Pietje Precies wil volgen, wordt eerst streng tegenover zichzelf, dan streng tegenover de anderen, dan gruwelijk tegen zichzelf en uiteindelijk ook gruwelijk tegen anderen. Hij zal dan wellicht omwille van grote ideeën en bedoelingen veel zaken roekeloos ter zijde schuiven die een recht op leven en gedijen hebben. – Ook zal nooit “ascese” van de ziel ten opzichte van het lichaam bevredigend zijn, want die wordt innerlijk tot zwoele mystiek of zwoele moraal. Ook de “ascese” van de ziel ten opzichte van de geest bestaat, maar leidt tegenwoordig niet naar “heilige eenvoud”, maar naar sluwheid en schijnheiligheid. Wie de ontplooiing van het vrije gedachteleven voor zichzelf verbiedt, begint door het onderbewustzijn te denken, d.w.z. hij wordt sluw, en zijn “kuise ziel” wordt voor hem een middel tot een doel. – Waar echter alle ware, gezonde menselijkheid naar verlangt is de vrije verbintenis van lichaam, ziel en geest in liefde.

Deze verbintenis was bij Jezus van Nazareth volkomen aanwezig. Daarom was en is het organisme van Jezus het bewuste of onbewuste object van het verlangen van de beste vertegenwoordigers van de mensheid. Maar dit was ook de reden dat het hart van de wereld, Christus, in Jezus van Nazareth kon intrekken: De afdaling van Christus was het antwoord van de hemel op de liefde van de geest, ziel en het lichaam van de Nathanische Jezus.

Beschouwt men nu – aan het einde van het gehele werk aan het Oude Testament – de wezenheid van Jezus van Nazareth als kelk van Christus, dan was het een kelk waarvan de schaal uit het astraallichaam van de aartsengelwezenheid Jezus was gevormd, een schaal echter waarvan de binnenkant door het Zarathoestra-Ik en de buitenkant door Boeddha werd gevormd. Deze schaal werd door de “voet” van het etherlichaam gedragen, waarin de onschuldige zusterziel van Adam leefde. Het onderste deel van de “voet” vormde het door de Jahweh-werkzaamheid voorbereide fysieke lichaam. Deze kelk was omgeven door een drievoudig omhulsel van de werkzaamheid van de Ik-wezenheid van de aartsengel Jezus, de Elias-wezenheid en de Sophia-wezenheid. Deze omhulde kelk, die door zeven geestelijke wezenheden gevormd werd, werd bij de  doop in de Jordaan met de inhoud gevuld waarvoor het bestemd was.

Wanneer bij de Jordaandoop Christus deze wonderbaarlijke kelk in zich opnam, dan betekent het ook dat de schaal ervan de onsterfelijkheid in zich opnam. En toen Josef van Arimathia een wonderbaarlijke schaal van de Golgotha-heuvel naar het verre Westen bracht, was het dezelfde schaal die voor altijd de eigenschap behield om zich met de Christusgeest te vullen.

Het mysterie van de heilige Graal is het mysterie van de wezensdelen van Jezus die Christus in zich opgenomen hebben. De “afdrukken” van deze wezensdelen – zoals ze Rudolf Steiner kenmerkt – vormen in hun samenstelling het volledige Graalmysterie. Ze vormen de heilige kelk waarin de “Heilige Graal” d.w.z. de Ik-afdruk van Christus Jezus ontvangen kan worden.

Deze dingen vormen echter het onderwerp van de Beschouwingen over het Nieuwe Testament, die direct na deze slotbeschouwing over het Oude Testament zullen volgen.

Want op het ogenblik dat boven Jezus van Nazareth bij de Jordaandoop geestelijk hoorbaar de stem klinkt: “Dit is mijn geliefde Zoon, heden heb ik hem verwekt” – eindigt de Oudtestamentische en begint de Nieuwtestamentische geschiedenis van de mensheid.

Jezus van Nazareth
 – de vrije mens – 
als Christuskelk

 




[1] Dit gebeuren vond volgens Rudolf Steiner plaats op 3 april van het jaar 33, dus precies negentien eeuwen geleden, er van uitgaand dat Valentin Tomberg in 1933 dit hoofdstuk schreef. (Noot van de vert.)
[2] Een uitdrukking die de Russische oriëntalist Prof. Rosenberg (aan de Universiteit te Petersburg) heeft geformuleerd om de boeddhistische verdieping c.q. concentratie van het Zarathoestriaanse “Uittreding uit zichzelf” te onderscheiden.


* * * 

Aanhangsel van de
"Antroposofische beschouwingen over het Oude Testament"


Uit de lezerskring van de “Antroposofische Beschouwingen over het Oude Testament” zijn een aantal vragen aan de schrijver dezes gericht die niet vanuit polemiek maar eerlijke kenniszorgen zijn ontstaan. Deze vragen kunnen in wezen op tweeërlei teruggevoerd worden: Hoe kan het een en ander in deze “Anthroposofische beschouwingen” – namelijk datgene wat in tegenstelling tot de huidige heersende opvattingen en stemming staat – door het werk van Rudolf Steiner onderbouwd worden? Hoe kan het door overige normale ervaring onderbouwd worden?

Het is voor de schrijvers dezes niet mogelijk om alles wat in de “Antroposofische Beschouwingen over het Oude Testament” is gezegd door passages uit het werk van Rudolf Steiner of door zijn mondelinge uitspraken te onderbouwen; daarvoor zou hij een dik boek moeten schrijven dat tenminste het tweevoudige van de omvang van het genoemde boek zelf zou omvatten. Daarom zal hij zich ertoe beperken om aan de hand van enkele grondlegende gedachten en feiten uit de eerste Beschouwing aan te tonen, hoe men de basis van het gezegde zowel bij Rudolf Steiner alsook in het leven zelf kan vinden, indien men werkelijk aandachtig en onvooringenomen zoeken wil.

De grondlegende dingen die in de eerste Beschouwing uitgesproken zijn, kunnen ongeveer in de volgende zinnen samengevat worden:

1. Het witte occultisme van de wereld vormt een drievoudige eenheid die sinds oertijden een cognitieve vooruitgang doormaakt en tot in de verste toekomst toe een cognitieve vooruitgang zal boeken.
2.    2. Het wordt altijd door een “Raad” van drie leidende persoonlijkheden vertegenwoordigd, waarvan een ieder een bepaalde tak van het driegeleed occultisme vertegenwoordigt.
3.  3. De ononderbroken overdracht van het volledige witte occultisme bestaat in wezen niet uit het begripsmatig of schriftelijk bewaren van vroegere kennis, maar uit het voorgezet verkeer – door imaginatie, inspiratie en intuïtie – met de geestelijke wereld.

4.  De gave van de antroposofische beweging ligt niet besloten in het blijven staan bij een algemeen overzicht van de geestelijke wereld en de geestesgeschiedenis van de mensheid, maar wegen en middelen te zoeken om aan steeds nieuw opgroeiende levenstaken met behulp van het concrete occultisme  recht te doen.

5.      Bij deze opgave kunnen de drie delen van de Bijbel (het Oude Testament, het Nieuwe Testament en de Apocalyps) van grootste waarde zijn, want daar kunnen de diepste waarheden van de drie takken van het concrete occultisme gevonden, c.q. hervonden worden.

Nadat we nu die vijf punten opgesteld hebben, kan de vraag aangegaan worden, of ze door Rudolf Steiner en door normale ervaring onderbouwd kunnen worden.

Stond Rudolf Steiner er alleen voor, of waren er anderen die ook zulke kennis hadden?  In de cyclus “Zeitbetrachtungen” (nu “Menschheitsschicksale und Völkerschicksale”, Berlin, 19 januari 1915, blz. 97, GA 157), spreekt Rudolf Steiner over de moord op aartshertog Ferdinand als van een symbool van grootse reikwijdte. “Ik ben het nooit vroeger te weten gekomen, direct noch door andere occultisten,” zegt Rudolf Steiner daarover en duidt daarmee op twee wegen, waarop hij vroeger over belangrijke dingen te weten is gekomen: namelijk door eigen onderzoek en door mededelingen van andere occultisten die er blijkbaar waren en die Rudolf Steiner serieus nam.

Maar op directe wijze sprak Rudolf Steiner van twee andere grote ingewijden niet in voordrachten, want dat behoorde tot de intiemere kant van zijn leven. – Desalniettemin deed hij het in een privégesprek. Dr. Friedrich Rittelmeyer geeft een dergelijk gesprek weer op blz. 102, 103 van zijn zeer waardevol boek “Mijn ontmoeting met Rudolf Steiner”. Daar zegt Dr. Rittelmeyer: “Het was merkwaardig zo direct in details te horen dat er werkelijk zulke geestelijke mensheidsleiders zijn […] Voor mij is de blik onvergetelijk waarmee hij over een van deze beide geestesmensen zei: ‘dat was een belangrijke persoonlijkheid! Zijn oog keek die persoon als het ware lang na. En in de blik lag de verering die een kenner aan een andere grootheid verschuldigd is […] Op mijn vraag of een van deze beiden nog leefde en of hij hen vaak zag, antwoordde hij: ‘dat heb ik niet nodig.’” – In een later gesprek (blz. 103) wijst Rudolf Steiner op het beduidende feit dat in de huidige tijd alleen een van de drie in de openbaarheid werkzaam kan zijn, namelijk de vertegenwoordiger van het denken. De twee anderen moeten in de schaduw blijven.

Wie zijn nu deze drie leidende individualiteiten? In de cyclus “Der Orient im Lichte des Okzidents” (9de voordracht, Munich, 31 augustus 1909, blz. 191 ff., GA 113) zegt Rudolf Steiner dat in de school van het Rozenkruiserdom het plan van de toekomstige aardeontwikkeling bewaard is gebleven. Hun leraren waren de individualiteiten van Skythianos, Boeddha en Zarathoestra. Nu heeft de Boeddha individualiteit sinds het begin van de 17de eeuw (zie bv. “De wereld van de gestorvenen”, 5de voordracht, Berlijn 22 december 192, GA 141)  de Aarde verlaten om op Mars werkzaam te zijn. Er blijven derhalve alleen de Zarathoestra-individualiteit en de Skythianos-individualiteit op Aarde. – Nu spreekt echter  Rudolf Steiner nog van een derde individualiteit. In de 8ste voordracht (Nürnberg, 25 juni 1908, blz. 163 GA 104) over de Apocalyps zegt Rudolf Steiner: “Manes is die hoge individualiteit die steeds weer op Aarde geïncarneerd is, die de leidende geest is van diegenen die er voor de bekering van het kwaad  zijn.”

Wanneer we van de grote leiders van de mensen spreken, dan moeten we ook aan deze individualiteit denken, die zich deze taak heeft gesteld.  Hoewel in de huidige tijd dit principe van Manes zeer in de achtergrond heeft moeten treden, omdat er weinig begrip voor het spiritualisme voorhanden is, zal dit wonderbaarlijk en heerlijk Manicheeërprincipe meer en meer leerlingen krijgen.

Aldus zijn de drie leidende individualiteiten, die “steeds weer geïncarneerd zijn” – (onder “geïncarneerd” is echter niet alleen incarnatie bedoeld, maar ook de tot in het psychische reikende werkingsmogelijkheid door en ander mens) – Zarathoestra, Manes en Skythianos.

Dit geldt voor het Rozenkruiserdom als geestelijke stroming. Nu wijst Rudolf Steiner bv. op blz. 275 van de 11de voordracht van “De volkeren van Europa” (Oslo, 1910, GA 121) op de identiteit van de “bronnen van het Rozenkruiserdom” en zijn geesteswetenschap.
Het kan aldus als vrijwel zeker onderbouwd beschouwd worden, wanneer men zegt dat Rudolf Steiner van drie individualiteiten spreekt – en hij geeft hun “namen” weer – die de stroming van het christelijke occultisme leiden, waarbij het “Manesprincipe” tegenwoordig meer in de achtergrond staat en nog meer in de achtergrond het “Skythianosprincipe” staat.

Wie zijn echter in werkelijkheid deze “principes”? Niet individualiteiten maar door de individualiteiten vertegenwoordigde principes?  Welnu, het Manesprincipe is ja in de bovengenoemde voordracht voldoende gekarakteriseerd als het principe van het “genezen”. En wat is het Zarathoestra-principe? Zarathoestra was de individualiteit die bij het gebeuren van de geboorte van Jezus van Nazareth leidend betrokken was en de incarnatie van Christus mogelijk maakte. Hij is de vertegenwoordiger van het eugenetisch occultisme. En pas in een verre toekomst zal het Skythianosprincipe als het principe van het “mechanisch occultisme” op de voorgrond treden.[1]  

Nu zou men betreffende de “drie occultismen” het verwijt kunnen maken: Rudolf Steiner spreekt in de cyclus “In geänderte Zeitlage” (Dornach, 1 december 1918, GA 185) van de mechanische, eugenetische en hygiënische vaardigheden die in de toekomst ingezet zullen worden, echter niet van de drie takken van het witte occultisme van de huidige tijd.  Hoe kan men aantonen dat die takken van het occultisme voorhanden zijn?

Men kan het bereids aantonen – zowel in de voordrachten van Rudolf Steiner, die nog niet gedrukt en verschenen zijn alsook door andere feiten.  Van het citeren van archief-voordrachten moet de schrijver dezes afstand nemen, omdat hij niet daarover beschikt; maar op een omstandigheid uit het leven zou hij willen wijzen die alles door zichzelf zal zeggen.

In het begin van het jaar 1893 werd door de voorzitter van de “Berean Society” C.G. Harrison in Londen een reeks voordrachten gehouden, waarin niet alleen dezelfde terminologie als bij Rudolf Steiner gebruikt werd, maar vaak dezelfde formuleringen voorkomen. Deze voordrachten zijn ook in het Duits in boekvorm (“Das transcendentale Weltenall” in Leipzig in twee edities)  verschenen. Daarin zegt op blz. 23 Harrison letterlijk het volgende: 
“Wat betreft de kennis die behoort bij het gebied van het transcendente, bestaan er meningsverschillen in hoe ver het verstandig is om die te openbaren.  Het zou natuurlijk een plicht zijn om veel van deze kennis aan de wereld mee te delen, mits we zeker zouden zijn dat die niet misbruikt zou worden. Het zou voor iedereen nuttig zijn om bepaalde met de menselijke voortplanting samenhangende feiten te leren kennen. Een aantal kwalen die op een gebrek aan kennis van de ziekteoorzaken terug te voeren zijn, zouden makkelijk te voorkomen zijn en de ziektes zelf zonder toevlucht naar apothekenwaren uit de wereld te helpen. Veel tijd en moeite zou bespaard kunnen worden, als de relatie tussen de samenhangende etherische trillingen bekend en onze kundige mechanici in staat zouden zijn om van de ‘subtiele, fijne natuurkrachten’ gebruik te maken.” 
Wat zegt Harrison hier eigenlijk? Hij zegt dat er drie soorten kennis van praktische betekenis zijn, die geopenbaard zouden moeten worden, mits de voorwaarden daarvoor aanwezig zouden zijn. Deze drie kennistakken hebben betrekking op de voortplanting, op de gezondheid en op de mechanica. En wel is de kennis van deze dingen voorhanden als inhoud van de openbaring. Harrison zegt nog veel meer van deze dingen; maar er kunnen hier niet hele hoofdstukken van het boek geciteerd worden; hier komt het er op neer om aan de hand van het voorbeeld van Harrison aan te tonen, dat in de huidige tijd – dus in elk geval in het jaar 1893 – de kennis van deze drie gebieden van het occultisme bestaat. Rudolf Steiner heeft eigenlijk veel van deze kennis meegedeeld; in elk geval zoveel om zekere steunpunten voor het voortschrijdende werk in deze richting te verlenen. De schrijver deze zou het aan vele voorbeelden kunnen laten zien, maar moet daarvan afstand nemen en deze arbeid aan de lezers zelf overlaten.

Zoveel over de drie gebieden van het occultisme en hun leidende persoonlijkheden. Nu naar de vraag naar de voortgang van geestelijke kennis. Daaromtrent zou het bereids voldoende zijn om een uitspraak van Rudolf Steiner te citeren: ”Geestelijke kennisvooruitgang – dat is ja een van de impulsen die aan onze hele geesteswetenschappelijk beweging ten grondslag ligt.” ((“Exkurse  in das Gebiet des Markus-Evangelium”, 17 oktober, 1910, blz. 15, GA 124). Plaatst men nog naast die uitspraak de volgende: “Een wij willen zoiets zijn als een vereniging van mensen die niet louter geloven in boeken en mensen, maar in de levende geest…” (“Der Christusimpuls und die Entwicklung des Ich-Bewustsein”, 8 mei 1910, blz. 157, GA 116) – dan hebben we de ondubbelzinnige uitdrukking van de instelling van Rudolf Steiner ten opzichte van de dogmatiserende en de kennisvooruitgang ontkennende tendensen. Want als hij van “boeken en mensen” sprak, bedoelde hij ook zijn boeken en zichzelf als mens.  Hijzelf hield nooit de geestelijke kennis met zijn onderzoeksresultaten voor afgesloten, want hoe zou hij anders hebben kunnen zeggen: “Hier is het een en ander samengesteld over occulte dingen. In vijftig jaar zal men wellicht deze of gene punten exacter onderzocht hebben, dit of dat anders kunnen zeggen.” (“Het menselijk en het kosmisch denken”, GA 133)

Van zulke passages waar Rudolf Steiner van kennisvooruitgang als levenszenuw van de beweging spreekt, zijn er ja veel. De uitspraak dat, indien de antroposofie door de mensheid niet aangenomen wordt, ze honderd jaar zal moeten wachten – die zo uitgelegd wordt dat de mensheid voor ”honderd jaar” verzorgd is, deze uitspraak zegt eigenlijk niets anders dat pas na honderd jaar de gelegenheid weer zal ontstaan om van het begin af aan het geestelijke in het openbare cultuurleven op te nemen; op de cognitieve vooruitgang bij de mensen die het bij deze gelegenheid hebben opgenomen, heeft deze uitspraak helemaal geen betrekking.

Over de nieuwe geestelijke kennismogelijkheden heeft ja Rudolf Steiner zeer veel gezegd; hij heeft gesproken van de nieuwe helderziendheid ( de “etherische helderziendheid”, dat karmische verbanden zal kunnen herkennen), dat vanaf de jaren dertig  van deze [c.q. nu vorige] eeuw bij een aantal mensen zal optreden; hij heeft gesproken van de grote ommekeer in het kennisveld door de wederkomst van de grote individualiteiten van de leraren van Chartres in de tweede helft van deze [c.q. vorige] eeuw; en hij heeft gesproken van het voortdurende binnenstromen van de “wetenschap van de Graal” tijdens het hele vijfde na-Atlantische tijdperk tot in het zesde (“De wetenschap van de geheimen de ziel”, Hdfst. VI. “Heden en toekomst van de wereld- en mensheidsontwikkeling”, GA 13).

Nog over een aantal verdere dingen sprak Rudolf Steiner, wat hier niet genoemd hoeft te worden, omdat het de aandacht van de spirituele behandeling van de vraag makkelijk op details zou kunnen afleiden, wat echter honderden antroposofen welbekend is.

Maar de bovengenoemde aanwijzingen voldoen bereids om aan te tonen dat de in de eerste beschouwing uitgesproken grondlegende dingen tenminste niet in tegenstelling tot Rudolf Steiner zijn. Ook het aandachtig volgen van niet-antroposofische literatuur kan voldoende feitenmateriaal leveren die dit onderbouwen. Hier werden slechts enkele punten geselecteerd om de lijnen aan te duiden die volledige duidelijkheid kunnen brengen. En de bedoeling die achter dit “aanhangsel” ligt, bestaat juist daarin om de lezer tot een dergelijke toetsing aan de hand van het werk van Rudolf Steiner – maar ook aan de hand van het algemene geestesleven van de mensheid – aan te sporen.




[1] De schrijver dezes verzoekt de lezer niet te vergeten dat het hier niet erom gaat aan te tonen hoe de schrijver dezes tot zijn opvattingen over de drie leraren en de drie takken van het occultisme is gekomen, maar om een voorbeeld hoe deze opvattingen door Rudolf Steiner onderbouwd kunnen worden. 



* * * * * * * *

Noot: Voor de twaalf "Antroposofische beschouwingen over het Nieuwe Testament" zie hier; voor de drie "Geesteswetenschappelijke beschouwingen over de Apocalypse van Johannes"hier